Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3564

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
AWb 10-5229 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen grondslag voor afstemming gedurende één maand met 100%. Vernietiging van het besluit wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Rechtbank voorziet zelf in de zaak omdat onvoldoende grond is om aan te nemen dat de relevante feiten thans nog kunnen worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/5229 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. D. Numan,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M. Tjen A Kwoei.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) gedurende één maand met 100% verlaagd. Bij besluit van 21 september 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting op 25 januari 2011. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1. Op 25 maart 2010 heeft verweerder eiseres bericht dat zij is geplaatst bij het traject Herstelling Horeca (hierna: het traject).

1.2. Op 29 april 2010 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met € 200, - verlaagd omdat zij ongeoorloofd had verzuimd bij het traject en daarmee niet genoeg meewerkte aan de haar aangeboden WWB-voorziening.

1.3. Op 15 juni 2010 heeft verweerder de bijstandsuitkering om dezelfde reden verlaagd met € 400,-.

1.4. Op 21 juni 2010 heeft eiseres haar werkzaamheden bij het traject hervat. Op 22 juni 2010 heeft zich een incident voorgedaan tussen eiseres en een collega-deelneemster aan het traject.

1.5. Op 29 juni 2010 (en aangevuld op 26 november 2010) heeft de betrokken re-integratieconsulent een verslag opgemaakt. In het verslag staat, voor zover hier van belang, het volgende. “Er waren al eerder aanvaringen geweest tussen [eiseres] (eiseres, rechtbank) en een andere deelneemster van het traject (zie eerdere rapportage). Op 21 juni was dat wederom het geval en had die deelneemster gezegd dat het beter was niet met elkaar samen te werken. [eiseres] werd daar boos om. De werkmeester heeft toen besloten om de twee uit elkaar te halen en in twee verschillende gedeeltes van de keuken te laten werken. Echter, [eiseres] is toch steeds werkzaamheden gaan zoeken waardoor ze dichtbij de andere deelneemster in de buurt kwam, terwijl dat niet noodzakelijk was; ik heb dat zelf ook kunnen constateren. Op 22 juni 2010 is dat zodanig geëscaleerd dat ik erbij geroepen werd omdat [eiseres] zonder toestemming wegging. Dit gebeurde om ongeveer 15.15/15.30 uur, het tijdstip dat de deelnemers zich gaan omkleden om te gaan sporten ([eiseres] deed niet graag aan sport mee). (Op dat moment wist ik nog niet dat [eiseres] haar collega/deelneemster ook had bedreigd, hetgeen zij tegen de werkmeesters had herhaald). Ik heb toen nog een kort gesprekje met [eiseres] gehad, waarin ik haar meedeelde dat de 2 verhalen lijnrecht tegenover elkaar stonden en we er de volgende dag verder over zouden praten omdat het er op leek dat [eiseres] te overstuur was. Zij zou dus de volgende dag weer aanwezig zijn.

Wat er was gebeurd: [eiseres] was wederom in het gedeelte van de keuken waar haar collega aan het werk was en dan ook op een zodanige manier dat deze niet in de gaten had dat [eiseres] vlak achter haar stond. Toen zij zich omdraaide met een natte spons in de hand, kwam zij tegen [eiseres] aan (absurd natuurlijk als je weet dat je niet zo dicht bij elkaar in de buurt moet komen, dat dan toch doet). De andere deelneemster heeft nog sorry tegen [eiseres] gezegd, maar deze ging op een belachelijke manier tegen haar tekeer en bedreigde haar toen dat zij haar buiten wel op zou wachten om haar te slaan. Dit heeft [eiseres] ook nog tegen de werkmeesters herhaald: ‘wacht maar tot ik haar buiten zie, dan ga ik haar in elkaar slaan’. Dit heb ik dus pas gehoord toen [eiseres] al weg was. De volgende dag zou ik dat met haar gaan bespreken, maar zij is niet gekomen. Wij hebben nog geprobeerd met haar in contact te komen, echter dat lukte niet. Even later belde de km (klantmanager, rechtbank) mij dat [eiseres] bij hem zat en natuurlijk een heel ander verhaal vertelde: zij was het slachtoffer.”

1.6. Verweerder heeft bij het primaire besluit de bijstandsuitkering van eiseres gedurende één maand met 100% verlaagd, omdat eiseres volgens verweerder opnieuw ernstig is tekortgeschoten in het meewerken aan de haar aangeboden WWB-voorziening.

Standpunten partijen

2.1. Verweerder heeft het volgende aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Allereerst is verwezen naar het incident op 22 juni 2010 en de bedreiging van een collega-deelneemster aan het traject. Verweerder heeft verder verwezen naar de eerder opgelegde maatregelen bij besluiten van 29 april 2010 en 15 juni 2010 en de onderliggende rapportages waaruit blijkt dat eiseres een storende factor in de groep is en expres ruzie maakt met collega’s. Ten slotte wordt eiseres verweten dat zij de dag na het incident niet is verschenen bij het traject.

2.2. Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

Wettelijk kader

3.1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

3.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen (hierna: de Afstemmingsverordening), bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening wordt de bijstand eenmalig met € 200,- verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden.

3.4. Artikel 3a, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het college de bijstand gedurende één maand met 100% verlaagt, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten, nadat nog geen halfjaar is verlopen na een besluit tot afstemming met toepassing van het eerste lid of dit lid zelf.

Beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure gaat om een voor eiseres belastend besluit. Dit betekent dat op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot het nemen van de maatregel over te gaan (zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2007, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BA7629).

4.2. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nader toegelicht dat het aan eiseres verweten ernstig tekortschieten in het meewerken aan het traject dat ten grondslag ligt aan de aan haar opgelegde maatregel bestaat uit de volgende elementen:

- de houding van eiseres gedurende het traject en de gedragingen die hebben geleid tot de besluiten van

29 april 2010 en 15 juni 2010 waarbij de uitkering van eiseres telkens is verlaagd;

- de bedreiging van een collega-deelneemster aan het traject op 22 juni 2010;

- het ongeoorloofd verzuim op 23 juni 2010.

4.3. Verweerder legt niet (langer) ‘het incident met de spons’ tussen eiseres en de collega-deelneemster aan het traject op 22 juni 2010 aan het bestreden besluit ten grondslag. Gelet hierop komt geen betekenis toe aan hetgeen in het verslag van de re-integratieconsulent staat over de vermeende schuld van eiseres aan dat incident en evenmin aan hetgeen hiervan in het bestreden besluit is overgenomen.

5.1. Anders dan verweerder meent, mogen de feiten en omstandigheden die tot de afstemmingsbesluiten van 29 april 2010 en 15 juni 2010 hebben geleid, geen rol spelen bij de totstandkoming van de onderhavige afstemming, anders dan dat daar bij de vaststelling of sprake is van recidive rekening mee wordt gehouden. Als sprake is van ernstig tekortschieten nadat nog geen half jaar is verlopen na een eerder besluit tot afstemming, is dat ingevolge artikel 3a, tweede lid, van de Afstemmingsverordening reden voor een extra verlaging van de uitkering. Dit betekent echter niet dat de onderliggende gedragingen van eiseres uit het verleden en de rapportages waarin die gedragingen worden beschreven aan de basis kunnen worden gelegd van een nieuw besluit tot afstemming. Eiseres is voor die gedragingen immers al bestraft, althans verweerder heeft er om hem moverende redenen voor gekozen om bepaalde gedragingen onbestraft te laten. De houding van eiseres en de gedragingen die hebben geleid tot de besluiten van 29 april 2010 en 15 juni 2010 waarbij de uitkering van eiseres telkens is verlaagd, dienen dan ook buiten beschouwing te blijven.

6.1. Vaststaat dat er op 22 juni 2010 na ‘het incident met de spons’ een woordenwisseling tussen eiseres en een collega-deelneemster aan het traject is ontstaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres de collega-deelneemster toen heeft bedreigd met de woorden ‘wacht maar tot ik haar buiten zie, dan ga ik haar in elkaar slaan’. Verweerder baseert zich daarbij volledig op het verslag van de betrokken re-integratieconsulent waarvan de inhoud - voor zover hier van belang - hiervoor onder 1.5 is weergegeven. Eiseres heeft gemotiveerd betwist dat zij de collega-deelneemster heeft bedreigd.

6.2. Niet is geschil is dat de re-integratieconsulent zelf geen getuige is geweest van de woordenwisseling tussen eiseres en de collega-deelneemster aan het traject, maar dat haar verslag op dit punt gebaseerd zou zijn op informatie van werkmeesters. Van die werkmeesters zitten echter geen verklaringen bij de stukken. Hun namen staan niet in het verslag. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd toegelicht dat de werkmeesters ook op een later moment niet zijn benaderd voor een nadere toelichting of een verklaring. Hun namen waren bij de gemachtigde niet bekend, zodat deze onbekend zijn gebleven. Een verklaring van de betrokken collega-deelneemster ontbreekt eveneens. Haar naam staat niet in het verslag en is ook anderszins niet bekend geworden. Van eiseres is evenmin een verklaring opgenomen.

De rechtbank stelt voorts vast dat het verslag van de re-integratieconsulent niet op een ambtseed of op ambtsbelofte opgemaakt stuk is. Dit verslag is bovendien niet aan eiseres voorgelezen of ter lezing aangeboden, noch door haar ondertekend. Van hoor en wederhoor is dus geen sprake geweest.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de enkele vermelding in het verslag dat eiseres de bedreiging van een collega-deelneemster tegenover de werkmeesters zou hebben herhaald, onvoldoende om er vanuit te gaan dat eiseres voornoemde bedreiging daadwerkelijk heeft geuit. Verweerder heeft die vermeende bedreiging dus ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

7.1. Ten slotte heeft verweerder eiseres verweten dat zij op 23 juni 2010 ’s ochtends zonder bericht niet bij het traject is verschenen, maar zich die dag op eigen initiatief tot haar klantmanager heeft gewend. Eiseres heeft aangevoerd dat zij het verstandig vond eerst met haar klantmanager te gaan praten in plaats van met de re-integratieconsulent te overleggen.

7.2. De rechtbank acht de keuze van eiseres om op 23 juni 2010 eerst met haar klantmanager te gaan praten niet onbegrijpelijk, gelet op het incident van dag ervoor en de wijze waarop dat toen werd afgehandeld. Verder acht de rechtbank van belang dat uit verweerders interne rapportageoverzicht Raak blijkt dat de klantmanager - die zich op een andere locatie bevond dan de re-integratieconsulent - nog tijdens zijn gesprek met eiseres telefonisch contact heeft gehad met de re-integratieconsulent. Het was de laatste op 23 juni 2010 dus bekend waar eiseres was. Verder staat vast dat de klantmanager eiseres vervolgens heeft meegedeeld dat het traject niet meer met haar zal worden voortgezet. Onder deze omstandigheden valt het eiseres niet te verwijten dat zij zich op 23 juni 2010 (en daarna) niet meer heeft gemeld bij het traject. Van ongeoorloofd verzuim op 23 juni 2010 was geen sprake. Verweerder heeft dit dus ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

8.1. Het voorgaande betekent dat er geen grondslag is voor de oplegging van de maatregel van verlaging van de bijstand met 100% voor een periode van één maand. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep van eiseres is daarom gegrond.

8.2. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en de primaire besluit te herroepen. Hiertoe acht de rechtbank relevant dat aan eiseres een zware maatregel is opgelegd waarvoor iedere grondslag ontbreekt. Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat de relevante feiten thans nog kunnen worden vastgesteld. Eiseres dient alsnog de maand uitkering uitbetaald te krijgen die zij in 2010 door de onzorgvuldige handelwijze van verweerder is misgelopen.

8.3. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden in beroep begroot op € 874,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting en

1 punt voor het beroepschrift, € 437,- per punt). Aangezien eiseres procedeert op basis van een toevoeging dient verweerder dit bedrag te betalen aan de griffier van de rechtbank. Verweerder dient het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 41,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- (zegge: eenenveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- (zegge: achthonderd en vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. G. Panday, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB