Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3336

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
482169 / KG ZA 11-202 MvW/MB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling bij verstek op grond van slaafse nabootsing fietstransportvoordrager blijft in verzetprocedure in stand.

Dwangsom deels gematigd en gemaximeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 482169 / KG ZA 11-202 MvW/MB

Vonnis in kort geding van 7 april 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOWELL HOLDING B.V.,

gevestigd te Beverwijk,

eiseres in verzet bij dagvaarding van 11 februari 2011,

advocaat mr. M. Bitter te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STECO METAALWARENFABRIEK B.V.,

gevestigd te Barneveld, kantoorhoudend te Stroe,

gedaagde in verzet,

advocaat mr. C. Beijer te Utrecht.

1. De procedure

Voor de aanvang ter terechtzitting van 22 februari 2011 is de behandeling van deze zaak verplaatst naar 10 maart 2011. Ter terechtzitting van 10 maart 2011 heeft eiseres in het verzet, verder te noemen DoWell, gesteld en gevorderd overeenkomstig de aan dit vonnis gehechte verzetdagvaarding. Gedaagde in het verzet, verder te noemen Steco, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat is de zaak pro forma aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen een oplossing in der minne te bereiken. Aangezien dat niet is gelukt, heeft Steco bij (fax-)brief van 28 maart 2011 vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op heden.

De fysieke producten die het onderwerp zijn van dit geschil (zogenoemde fietstransportvoordragers) maakten deel uit van de door Steco in het geding gebrachte producties.

Ter terechtzitting waren aanwezig:

aan de zijde van DoWell: de heer [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] (hierna: [persoon 2]), met

mr. Bitter;

aan de zijde van Steco: de heren [persoon 3] en [persoon 4] met mr. Beijer.

2. De feiten

2.1. Steco voert een onderneming die zich sinds tientallen jaren bezighoudt met het ontwerpen, fabriceren en verhandelen van onder meer rijwielonderdelen. Steco beschikt over een eigen “Research en Development” (R&D) afdeling die regelmatig nieuwe producten ontwikkelt en bestaande producten verbetert. Steco heeft een website met de domeinnaam: www.steco.nl. Een van de producten in het assortiment is de zogenoemde ‘transportvoordrager’.

2.2. DoWell is een onderneming die op 11 november 2008 is opgericht en zich onder meer bezig houdt met de import en export van en groothandel in fietsonderdelen en accessoires. Dowell heeft een website met de domeinnaam: www.dowelltrade.com. Op deze website prijst zij de door haar gevoerde producten aan, onder meer een transportdrager die zij aanduidt als “Dowell classic”, in de kleuren zwart en wit.

Hieronder zijn de transportvoordragers van beide partijen (hierna ook genoemd de Dowell transportvoordrager respectievelijk de Steco transportvoordrager) afgebeeld:

2.3. Op 6 mei 2010 heeft [persoon 5] van AGU, een van de afnemers van Steco, een e-mail van DoWell van de dag ervoor, waarin DoWell haar fietsaccessoires aanprijst aan Juncker B.V., een andere afnemer van Steco, doorgezonden, met de volgende vraag:

“Ter info. Is dit jullie toeleverancier, of is alle Steco eerlijk aan de Wolweg in Stroe geproduceerd?”

2.4. Onder de gedingstukken bevindt zich een e-mail van 29 september 2010 van [persoon 6] van Juncker B.V., gericht aan [persoon 3], waarin staat:

“We zien in de markt dat door DoWell jullie drager wordt aangeboden, alleen aanzienlijk goedkoper. Komt deze drager bij jullie vandaan?”

2.5. Steco heeft voorts een e-mail van [persoon 7] van Rijwielgroothandel [rijwielgroothandel] aan Steco, in het geding gebracht, gedateerd 1 oktober 2010, met de volgende inhoud:

“tot ons genoegen verkopen wij al jaren jullie producten. Alleen wat ik nu onderweg tegenkom verontrust mij, hoe kan het zo zijn dat de firma Dowell jullie transport voordrager 30x30 voor een veel lagere prijs aanbiedt als dat wij dit kunnen? Ik begreep altijd dat wij onze producten tegen nette prijzen bij U kopen, maar krijgt deze firma (veel) lagere prijzen dan wij? Daar wij altijd eerlijk met klanten en leveranciers omgaan, geeft bovenstaande mij een nare smaak. (…)”

2.6. Bij brief van 25 oktober 2010 heeft Steco, in vervolg op eerdere sommaties van 6 en 28 september 2010, DoWell gesommeerd om het verhandelen van de op de Steco transportvoordragers gelijkende producten te staken en gestaakt te houden. Steco heeft de sommatiebrief door de deurwaarder aan DoWell laten betekenen. Nadien heeft Steco DoWell nog enige malen gerappelleerd.

2.7. Op 10 november 2010 heeft [persoon 2] van DoWell aan de raadsman van Steco gemaild: “We will contact your office ASAP (as soon as possible, vzr.).”

2.8. In een e-mail van 13 december 2010 heeft [persoon 2] aan de raadsvrouw van Steco gemaild:

“Ik dank voor Jouw email en voor alle vakkennis die U aan mij verstreekt. (…)

Ik ben erg geintersse in deze rechtzaak.”

2.9. Op 31 december 2010 heeft Steco DoWell gedagvaard in kort geding en onder meer, kort samengevat, gevorderd DoWell te bevelen het verhandelen van de DoWell-transportvoordrager te staken en gestaakt te houden. Steco heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat DoWell zich schuldig heeft gemaakt aan slaafse nabootsing door het product van Steco, dat een eigen plaats heeft op de markt, na te maken, terwijl zij net zo goed een andere weg had kunnen inslaan zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en de bruikbaarheid van het product en waardoor verwarring bij het publiek ontstaat. In de dagvaarding is vermeld dat Steco haar transportvoordrager (in de huidige vormgeving) al ruim tien jaar op de Nederlandse markt brengt.

2.10. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 14 januari 2011 (verder: het verstekvonnis) zijn de vorderingen van Steco als volgt toegewezen, waarbij DoWell is verwezen in de proceskosten:

“ 3.1 beveelt gedaagde om na de betekening van dit vonnis iedere openbaarmaking en verhandeling – waaronder via een website – van de DoWell Classic Transportvoordrager, als beschreven sub 7 en 8 in het lichaam van de dagvaarding, te staken en gestaakt te houden, waaronder mede wordt verstaan het (doen) invoeren, (doen) verkopen, het te koop (doen) aanbieden, het (doen) leveren en het (doen) gebruiken van de DoWell Classic Transportvoordrager;

3.2 beveelt gedaagde om binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis aan de raadsman van eiseres, mr. C. Beijer, een door een onafhankelijke accountant gecertificeerde schriftelijke en gedetailleerde opgave – onderbouwd met gedetailleerde en goed leesbare schriftelijke bewijsstukken – te verstrekken, waarin de volgende informatie gestructureerd is opgenomen:

a) de (bedrijfs)namen van de leverancier(s) van wie de DoWell Classic Transportvoordrager is verkregen, onder vermelding van volledig(e) adres(sen), telefoonnummer(s) en faxnummer(s);

b) de bij gedaagde bestelde aantallen van de DoWell Classic Transportvoordrager, een en ander gerangschikt per afzonderlijke afnemer (niet zijnde een particulier), onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende transactie en correspondentie;

c) de aan of via gedaagde geleverde aantallen, prijzen en leverdata van de , onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;

d) de (bedrijfs)namen van alle afnemers (niet zijnde particulieren) aan wie de direct of indirect is geleverd, onder vermelding van volledig(e) adres(sen), telefoonnummer(s) en faxnummer(s);

e) de aan de hierboven sub d genoemde afnemers geleverde aantallen en leverdata van de, een en ander gerangschikt per afzonderlijke afnemer, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende transactie en correspondentie;

3.3. bepaalt dat gedaagde een aan eiseres te betalen dwangsom verbeurt van

€ 5.000,= voor iedere overtreding van het onder 3.1 genoemde bevel, alsmede

€ 2.500,= voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, met een maximum van

€ 50.000,=;”

3.4. bepaalt dat gedaagde een aan eiseres te betalen dwangsom verbeurt van

€ 2.500,= voor iedere dag dat zij nalaat om (volledig) aan het bevel onder 3.2

te voldoen, met een maximum van € 50.000,=.”

2.11. Het verstekvonnis is op 19 januari 2011 aan DoWell betekend.

2.12. DoWell heeft als productie een contract van 7 september 1993 in het geding gebracht, in de Chinese taal, met Engelse vertaling, waarin is vermeld dat Shanghai Phoenix Bicycles Co. Ltd aan [Y] in Nederland een ‘bicycle carrier’ heeft verkocht. Daarbij gevoegd is een pakbon, gedateerd

27 december 1993, met een rekening van USD 3.000,- voor 1000 ‘carriers’. Daarnaast heeft DoWell een afbeelding in het geding gebracht van een ‘carrier’, gelijkend op de transportvoordragers op de onder 2.3 weergegeven afbeelding.

De afbeelding maakt deel uit van een (ongedateerde) in het Chinees gestelde advertentie.

2.13. Volgens door Dowell in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van 3 en 7 maart 2011, van [persoon 8] (hierna: [persoon 8]) van [X], en van [persoon 9], van de firma [firma], beiden al langdurig werkzaam in de fietsenbranche, is de Steco transportvoordrager in zijn huidige vorm sinds het jaar 2000 in Nederland op de markt en daarvoor ook, maar toen voorzien van een soort ‘krul of beugel’ aan de onderkant. In de verklaring van [persoon 8] staat voorts:

“(…) als het gaat om de vraag hoe lang de voorbagagedrager (de Steco transportvoordrager, vzr.) op de markt is (…) dan kan ik en volgens mij iedereen die enigszins in de fietsbranche thuis met zekerheid zeggen dat dat zeker sinds 2000 het geval is.”

2.14. Onder de gedingstukken bevindt zich tevens in het Chinees gesteld reclamemateriaal waarop het jaartal 2000 is vermeld, met een afbeelding van een artikel dat lijkt op de Steco transportvoordrager.

2.15. DoWell heeft voorts een rekening gedateerd 15 augustus 2002 overgelegd voor het ontwerp van een reclamefolder ten behoeve van een bedrijf in China.

2.16. Steco heeft als productie 7 foto’s van verschillende fietsvoordragers in het geding gebracht (het zogenoemde ‘umfeld’), die in meerdere of mindere mate afwijken van de hier in het geding zijnde fietstransportvoordragers zoals afgebeeld bij 2.2.

3. Het geschil

3.1. DoWell vordert – samengevat – dat het verstekvonnis (inclusief de proceskostenveroordeling) wordt vernietigd en Steco alsnog niet ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, althans dat deze wordt afgewezen, met veroordeling van Steco in de (werkelijk gemaakte) proceskosten, met toepassing van artikel 1019 h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans in de forfaitaire proceskosten.

3.2. DoWell heeft, samengevat, haar vordering, als volgt toegelicht. Steco had haar vordering die tot het verstekvonnis heeft geleid gebaseerd op het leerstuk van slaafse nabootsing. Steco verhandelde haar transportvoordrager echter al vóór

1 december 2003 in Nederland. Dit betekent dat alleen vorderingen kunnen worden ingesteld op basis van de regelgeving van toen. Destijds was dat de Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of modellen (BTMW) waarvan artikel 14 lid 8 luidde:

“Voor feiten die alleen inbreuk op een tekening of model inhouden kan geen vordering worden ingesteld op grond van de wettelijke bepalingen inzake de bestrijding van oneerlijke mededinging.”

Anders gezegd: op grond van die bepaling kan geen bescherming worden ingeroepen op grond van slaafse nabootsing, maar alleen op grond van de BTMW en daarvoor is noodzakelijk dat een tekening of model is gedeponeerd. Dat is hier niet het geval. Alleen al daarop dient de vordering af te stuiten.

Verder is de vormgeving van de transportvoordrager geheel door de beoogde functie ervan bepaald en niet beschermd door enig ander intellectueel eigendomsrecht.

De vorm heeft geen onderscheidend vermogen, maar is een simpele L-vormige constructie die zeer voor de hand ligt. Bovendien is niet zeker dat het een ontwerp van Steco betreft. Al begin jaren negentig werd een bagagedrager in Nederland gevoerd, althans in de EU, die lijkt op de Steco-transportvoordrager. Dat blijkt uit de bescheiden uit 1993 van het Chinese bedrijf dat destijds een soortgelijk product leverde aan [Y] in Mijdrecht. In het Chinese reclamemateriaal uit 2002 is eenzelfde transportvoordrager als die van Steco afgebeeld. Ook in een Chinese advertentie uit 2000 komt de voordrager al voor. De Steco transport-voordrager is dan ook vermoedelijk zelf een vorm van nabootsing en neemt geen eigen plaats in op de markt. Ook een andere verkoper van fietsaccessoires, de firma Halfords, verkoopt voor de prijs van € 22,99 een aan die van DoWell identieke transportvoordrager, het zogenoemde ‘bakkersrek’. Deze wordt betrokken van dezelfde fabriek in China als waarmee DoWell zaken doet. Halfords verkoopt ook de Steco-voordrager, voor een hogere prijs, namelijk € 29,99, onder de naam ‘luxe bakkersrek’. Het is in strijd met de beginselen van eerlijke mededinging dat Steco Halfords kennelijk niet, maar DoWell wel aanpakt. Overigens zijn de Steco voordrager (en het ‘luxe bakkersrek’) niet volledig identiek aan de Dowell voordrager (en het ‘bakkersrek’), maar zijn er wel degelijk verschillen, zoals het formaat (respectievelijk 30 x 30 cm en 29 x 31 cm), de breedte van de lamphaak voor de fietskoplamp en het formaat van de gaten in de haken en beugels. Bovendien is de Steco voordrager voorzien van het merk ‘Steco’ en de Dowell voordrager niet. Er is geen kans op verwarring. Significante verschillen die bij een ouder type voordrager van Steco nog wel bestonden, heeft Steco zelf geëlimineerd. Steco probeert nu ten onrechte de ‘oervorm’ van de voordrager te monopoliseren.

DoWell importeert de voordrager sinds medio 2010 uit China. [persoon 2], enig bestuurder en aandeelhouder van DoWell, zag in de voordrager niets bijzonders, aangezien honderden daarvan in China worden geproduceerd en verhandeld. DoWell wist ook niet precies hoe het er in Nederland aan toe gaat, wat wel blijkt uit de toon van het briefje van [persoon 2] aan de raadsman van DoWell van 13 december 2010. (zie onder 2.8) DoWell is op grond van al het voorgaande ten onrechte veroordeeld om het verhandelen van haar transportvoordrager te staken en moet dan ook van de veroordeling worden ontheven. In het geval de vordering op grond van slaafse nabootsing niet reeds strandt op het voormalige modellenrecht of de andere genoemde gronden, leent deze zich niet voor afdoening in kort geding, omdat dan nader zal moeten worden uitgezocht welke fietstransportvoordrager er eerder was: die van Steco of die van de Chinese fabrikant. Voor het geval de aangevoerde argumenten niet op zouden gaan heeft DoWell bij wijze van uiterst subsidiaire vordering verzocht DoWell te ontheffen van de dwangsommen, in elk geval tot aan de vonnisdatum in deze verzetprocedure, vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval. DoWell heeft daarbij kenbaar gemaakt dat zij de verkoop van de Dowell fietstransportvoordrager tot nader order heeft geschorst, dat zij het product van haar website heeft gehaald en haar klanten per e-mail heeft meegedeeld dat het product niet meer leverbaar is. De gevorderde en opgelegde dwangsommen zijn bovendien exorbitant hoog. DoWell heeft geen bezwaar tegen het verstrekken van de gegevens betreffende haar leverancier.

3.3. Steco voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader wordt ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. DoWell heeft tijdig verzet aangetekend tegen het verstekvonnis, zodat een inhoudelijke beoordeling thans kan plaatsvinden.

4.3. DoWell heeft in de eerste plaats aangevoerd dat in het verstekvonnis de vordering van Steco ten onrechte is toegewezen, aangezien Steco de fietstransportvoordrager al vóór 1 december 2003 verhandelde en de toen geldende regelgeving een veroordeling op grond van slaafse nabootsing uitsloot. Steco heeft terecht aangevoerd dat deze redenering onjuist is, op grond van het navolgende.

4.4. Vast staat dat het artikel 14 lid 8 van de BTMW, waar DoWell naar verwijst, per 1 december 2003 is komen te vervallen. Het nieuwe artikel 14 – thans artikel 3.16 van het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) – luidt sindsdien als volgt:

“1.Onverminderd de toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, kan een houder van een tekening of model zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten (…)”.

Uit deze bepaling volgt dat thans, naast de bescherming op grond van het modellenrecht ook bescherming op grond van onrechtmatige daad/slaafse nabootsing mogelijk is.

De overgangsbepaling ten aanzien van deze tekst (Tractatenblad 2002, nr. 129, titel; Protocol houdende wijziging van de Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of modellen; Brussel, 20 juni 2002), luidt:

“Artikel IV

Artikel 14, onder 1 is niet van toepassing op handelingen die worden verricht door degene die daarmee vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit protocol was begonnen, indien de houder van de tekening of het model zich niet kan verzetten tegen deze handelingen krachtens de tekst van artikel 14 zoals deze luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit protocol.”

Steco heeft terecht aangevoerd dat dit artikel aldus gelezen dient te worden dat handelingen die vóór 1 december 2003 niet onrechtmatig waren, maar dat door de wetswijziging wel zouden worden, uitgezonderd worden van dit nieuwe artikel, als die handelingen nog voortduren. Nu DoWell de in het geding zijnde fietstransportvoordrager, naar zij zelf stelt pas sinds 2010 uit China importeert, is deze situatie, anders dan DoWell heeft bepleit, hier niet aan de orde.

4.5. De volgende vraag die voorligt is of DoWell met het in 2010 op de markt brengen van haar fietstransportvoordrager schuldig heeft gemaakt aan ‘slaafse nabootsing’ en daarmee onrechtmatig jegens Steco heeft gehandeld. Uitgangspunt is dat de nabootsing van een bepaald product alleen dan ongeoorloofd kan zijn als het product een eigen plaats inneemt op de Nederlandse markt.

4.6. Ten aanzien van nabootsing van een stoffelijk product dat niet wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom geldt voorts de regel dat nabootsing van dit product weliswaar in beginsel vrijstaat, maar dat dit beginsel uitzondering lijdt wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij het nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat.

4.7. Anders dan DoWell heeft geconcludeerd, heeft Steco naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat haar fietsvoordrager een eigen plaats op de Nederlandse markt inneemt. Voldoende aannemelijk is dat de Steco transportvoordrager het resultaat is van de continue inspanningen van de afdeling R&D van Steco. DoWell heeft verder niet betwist dat de Steco fietstransportvoordrager al (minimaal) sinds 2000 in Nederland wordt verhandeld, integendeel, zij heeft zelf verklaringen overgelegd van mensen uit de fietsbranche die dat ondersteunen. Voorts kan uit de verklaring van [persoon 8] [persoon 8] (zie bij 2.13) worden afgeleid dat iedereen uit de fietsbranche de Steco fietstransportvoordrager kent. De overgelegde afbeeldingen van soortgelijke producten (met uitzondering van die van DoWell en van Hallfords, die naar voorshands kan worden aangenomen pas recentelijk in de markt zijn) tonen dat de Steco fietstransportvoordrager daarbij een specifieke vormgeving heeft die afwijkt van de andere voordragers. Daaruit blijkt eveneens dat de vormgeving van de Steco fietstransportvoordrager niet zodanig voor de hand ligt dat geen sprake is van een zekere mate van onderscheidend karakter.

4.8. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Steco heeft DoWell niet aannemelijk gemaakt dat een soortgelijk product al op de Nederlandse markt aanwezig was vóór de introductie daarvan door Steco. Uit de bescheiden van 1993 (2.12) betreffende leveringen uit China aan een Nederlands bedrijf, blijkt immers niet dat het hier gaat om op de Steco fietstransportvoordrager gelijkende producten. Daarnaast heeft Steco een aantal terechte vraagtekens geplaatst bij de authenticiteit van de desbetreffende documenten (te weten dat er volgens het handelsregister in 1993 geen [Y] bestond, maar pas in 2003, en dat op een document uit 1993 een tiencijferig Nederlands telefoonnummer voorkomt, terwijl dergelijke nummers pas in 1995 werden geïntroduceerd). Ook de overige uit China afkomstige documenten overtuigen in dit opzicht niet. Voor zover het volgens Steco uit 2000 stammende reclamemateriaal wel authentiek is, blijkt daaruit op geen enkele wijze dat dit (mede) gericht zou zijn op de Europese, laat staan de Nederlandse markt, nu het geheel in het Chinees is gesteld. Ook het reclamemateriaal uit 2002 bewijst in dit verband niets, nog daargelaten dat in 2002 de producten van Steco reeds in Nederland op de markt waren en het product van DoWell nog lang niet.

4.9. Op basis van een beschouwing van de producten zelf en de daarvan gemaakte afbeeldingen, moet voorts worden geconcludeerd dat de DoWell fietstransportvoordrager wat de vormgeving betreft, niet alleen qua totaalindruk, maar ook voor wat betreft de in het oog springende details, vrijwel identiek is aan die van Steco. De door DoWell naar voren gebrachte verschillen zijn dermate gering dat deze eerst bij zorgvuldige inspectie kenbaar worden. Uit de overgelegde (afbeeldingen van) andere op de markt zijnde fietsvoordragers kan worden opgemaakt dat een andere vormgeving mogelijk is, zonder aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van het product afbreuk te doen. Overigens heeft DoWell dat op zichzelf ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Aannemelijk is daarnaast dat de vrijwel gelijke vormgeving kan leiden tot verwarring bij het publiek. De door Steco in het geding gebracht verklaringen van haar afnemers (aangehaald onder 2.3 tot en met 2.5) ondersteunen dat. Aldus heeft DoWell door het op de markt doen brengen van een vrijwel identiek product kunnen profiteren van de inspanningen van Steco, met een aanzienlijke besparing van de daaraan normaal gesproken verbonden kosten.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat Steco voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van slaafse nabootsing en dat DoWell tekort is geschoten in haar verplichting om alles te doen wat redelijkerwijze mogelijk is, met inachtneming van het onder 4.5 vermelde, om verwarring te voorkomen. Daarmee heeft DoWell onrechtmatig gehandeld jegens Steco, waardoor Steco schade kan lijden.

4.11. De omstandigheid dat inmiddels ook Halfords, naast de Steco fietstransportvoordrager een goedkoper, sterk daarop gelijkend product in haar assortiment heeft, maakt het voorgaande niet anders. Steco heeft onweersproken gesteld pas medio 2010 te hebben geconstateerd dat dit het geval is en dat zij Halfords daarop ook heeft aangesproken. Omdat Halfords ook een afnemer van Steco is heeft Steco tot dusver nog geen verdere stappen jegens Halfords ondernomen. Dit ontneemt echter aan de handelwijze van DoWell niet het onrechtmatig karakter.

4.12. De conclusie op grond van het voorgaande is dat in beginsel geen grond bestaat tot vernietiging van het verstekvonnis, voor wat betreft de veroordelingen onder 3.1 en 3.2. Evenmin bestaat aanleiding tot het opheffen van de opgelegde dwangsommen. Dat het DoWell niet bekend zou zijn hoe het in Nederland er aan toe gaat in dit soort zaken is daarvoor geen afdoende grond. Van wie hier handel gaat drijven, mag immers worden gevergd dat hij zich voordien ter zake informeert en wanneer hij dat niet of onvoldoende heeft gedaan, komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening. Gelet op het verweer tegen de hoogte van de dwangsommen, dat uit de aard der zaak tijdens de verstekprocedure niet aan de orde is gekomen, bestaat wel aanleiding tot verdere matiging en maximering daarvan voor wat betreft de veroordeling onder 3.2 en de daaraan in 3.4 van het verstek vonnis verbonden dwangsommen, met dien verstande dat deze dwangsommen eerst verschuldigd worden als de desbetreffende opgave niet binnen tien (werk-)dagen na betekening van dit vonnis is verstrekt, aangezien daaraan anders het karakter van een aansporing tot nakoming van deze veroordeling, zou komen te ontvallen. Het vonnis zal daarom op dit punt worden vernietigd, met gedeeltelijke gegrondverklaring van het verzet.

4.13. DoWell zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verklaart het verzet gedeeltelijk gegrond;

5.2. vernietigt het verstekvonnis van 14 januari 2011 in die zin dat het bepaalde in het dictum onder 3.4 zal luiden:

3.4. bepaalt dat gedaagde, na de betekening van het vonnis in verzet, een aan eiseres te betalen dwangsom verbeurt van € 500,= voor iedere dag dat zij nalaat om (volledig) aan het bevel onder 3.2 te voldoen, met een maximum van € 10.000,=. ;

5.3. bepaalt dat het verstekvonnis voor het overige in stand blijft;

5.4. veroordeelt DoWell in de kosten van dit verzet, tot op heden aan de zijde van Steco begroot op € 816,- aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2011.