Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ2019

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
AWB 10-2789 BIBOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV2451, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bibob. Intrekking exploitatievergunning lunchroom. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het advies van het Landelijk Bureau Bibob aannemelijk mogen achten dat betrokkenen strafbare feiten hebben gepleegd die verband houden met drugshandel en dat zij zich ook in de periode na 1996 met drugshandel zijn blijven bezighouden. Verweerder heeft voorts aannemelijk kunnen achten dat betrokkenen de gelden verkregen met drugshandel hebben witgewassen. Nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank verder op goede gronden heeft geoordeeld dat betrokkenen zeggenschap hebben gehad over de bedrijfsvoering van de lunchroom van eiseres en zodoende tot eiseres in een zakelijk samenwerkingsverband hebben gestaan, kon verweerder de intrekking van de vergunning baseren op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/2789 BIBOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mrs. A. Buys, M. Boermans en S. Haavekost.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2006 (het primaire besluit) heeft verweerder de exploitatievergunning van de door eiseres gedreven onderneming Lunchroom 52 te [plaats] ingetrokken. Voorts heeft verweerder bestuursdwang aangezegd voor het geval eiseres de exploitatie niet uiterlijk op 28 december 2006 zal hebben beëindigd.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij mondelinge uitspraak van

19 januari 2007 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar, in de zin dat verweerder geen toepassing mag

geven aan de aanzegging bestuursdwang.

Bij besluit van april 2010, verzonden 10 mei 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2010.

Eiseres is in persoon verschenen bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres exploiteerde vanaf 30 juli 1997 een lunchroom onder de naam Lunchroom 52, gevestigd op het adres [adres] te [plaats]. Vanaf 17 december 2001 is zij tevens werkzaam als directeur van de onderneming La Vie en Proost, gevestigd aan de [adres] te [plaats]. Op 1 oktober 2007 heeft eiseres de goodwill en inventaris van Lunchroom 52 verkocht. Op dezelfde datum is zij ontslagen door de rechtsopvolger van La Vie en Proost, Brasil Music Bar B.V. Zij heeft met ingang van 23 maart 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2. Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV) is het verboden zonder een vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bevordering

integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob), kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, een aangevraagde beschikking weigeren dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (a) of strafbare feiten te plegen (b).

2.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

2.4. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

2.5. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede lid en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of,

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

2.6. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, onder a, van de Wet Bibob vindt de weigering dan wel intrekking van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met de mate van het gevaar.

3. Standpunten van partijen

3.1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten (drugshandel/witwassen) verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten (witwassen) te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Wet Bibob). Hierbij heeft verweerder van belang geacht dat eiseres in relatie staat tot de strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat deze door [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) zijn gepleegd, omdat eiseres in een zakelijk samenwerkingsverband tot hen staat. Verweerder verwijst in dit verband naar de adviezen van het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) van 17 (lees: 16) maart 2006 en 30 juli 2008.

3.2. Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd bestreden.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres sinds 1 oktober 2007 Lunchroom 52 niet meer exploiteert. Op die datum heeft zij de inventaris en de goodwill verkocht. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 5 juni 2002 te vinden op rechtspraak.nl onder LJ-nummer AE3664) kan procesbelang gelegen zijn in de mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen. De enkele stelling dat schade is geleden, is onvoldoende voor het aannemen van een procesbelang, omdat tot op zekere hoogte aannemelijk moet worden gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Eiseres heeft gesteld dat zij door de bestreden besluitvorming is genoodzaakt haar onderneming te verkopen. Daarnaast stelt zij door de door de procedure veroorzaakte psychische problemen in een arbeidsongeschiktheidssituatie terecht te zijn gekomen. Ook heeft zij hoge kosten moeten maken voor rechtsbijstand. Tegen deze achtergrond heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden en heeft zij belang bij een inhoudelijke beslissing van de rechtbank op het nu voorliggende beroep.

4.2. Verweerder heeft de onder overweging 3.1. genoemde Bibob-adviezen en overige stukken in het geding gebracht en medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen deze stukken. De rechtbank heeft op 28 oktober 2010 onder toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslist dat de beperking van de kennisneming van genoemde stukken gerechtvaardigd is. Eiseres heeft op 3 november 2010 met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb aan de rechtbank toestemming gegeven om mede op grondslag van de Bibob-adviezen en de overige stukken uitspraak te doen.

4.3. Ten aanzien van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.1. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van

8 juli 2009, te vinden op rechtspraak.nl onder LJ-nummer BJ1892) vergt het met recht inroepen van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob dat aannemelijk is dat bepaalde strafbare feiten zijn gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de in overweging 3.1 genoemde adviezen van het LBB aannemelijk mogen achten dat door [persoon 1] en [persoon 2] strafbare feiten zijn gepleegd die verband houden met Opiumwet delicten en witwassen. De rechtbank overweegt hierbij dat geen sprake is van een situatie dat de in de adviezen vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet zouden kunnen dragen omdat ze te weinig (directe) aanwijzingen bevatten, in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Verweerder heeft dan ook mogen afgaan op de expertise van het LBB. De rechtbank hecht met name belang aan de volgende feiten.

4.3.2. [persoon 1] en [persoon 2] zijn door de rechtbank Amsterdam bij afzonderlijke vonnissen van

26 januari 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor deelname aan een criminele organisatie die grootschalig in softdrugs handelde. Het gerechtshof Amsterdam sprak zowel [persoon 1] als [persoon 2] bij arresten van 29 maart 1999 in hoger beroep vrij van deelname aan een criminele organisatie. Het hof heeft daarbij het volgende overwogen. “Er zijn sterke aanwijzingen voorhanden dat verdachte en zijn medeverdachten met enigen van de in de tenlastelegging met name genoemde anderen deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezig hield met zaken die het daglicht niet konden velen. Naar het oordeel van het hof is er geen andere verklaring voor het feit dat verdachte, zijn medeverdachten en de hiervoor bedoelde anderen het kennelijk noodzakelijk vonden om –onder meer – het afluisteren en begrijpen door derden van door hen (onderling) gevoerde telefoongesprekken te belemmeren door gebruik te maken van wisselende telefoonaansluitingen en verhullende taal. Er viel blijkbaar iets te verbergen.”

De omstandigheid dat het gerechtshof [persoon 1] en [persoon 2] heeft vrijgesproken brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat de overwegingen van het gerechtshof in dat arrest niet konden worden betrokken in de Bibob-besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank onderstreept de omstandigheid dat het gerechtshof tegen de achtergrond van de vrijspraak van deelname aan een criminele organisatie de hiervoor aangehaalde overweging heeft opgenomen juist de veronderstelling dat er volgens het hof serieuze aanwijzingen bestaan dat strafbare feiten zijn gepleegd. Ook de schriftelijke waarschuwing van het openbaar ministerie op 7 oktober 1994 aan het adres van [persoon 1] na een sepot van vervolging ter zake van deelname aan een criminele organisatie, mag naar het oordeel van de rechtbank in dit verband worden betrokken bij de besluitvorming.

4.3.3. Voorts is [persoon 2] bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 maart 1999 veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor handel in verdovende middelen (softdrugs) in de jaren 1994-1996. [persoon 1] is in 1986 veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en op 25 september 1989 tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en 1500 gulden geldboete wegens het aanwezig hebben van harddrugs. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder aannemelijk heeft mogen achten dat [persoon 1] en [persoon 2] strafbare feiten hebben gepleegd die verband houden met drugshandel.

4.3.4. De rechtbank acht in dit verband ook van belang dat in de adviezen van het LBB informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) is opgenomen die wijst op betrokkenheid van [persoon 1] en [persoon 2] bij handel in verdovende middelen. De opgenomen CIE- informatie behelst meldingen dat [persoon 1] en [persoon 2] zich zowel in de jaren negentig als ook daarna met drugshandel hebben beziggehouden. Wat [persoon 1] betreft, ziet de informatie op maart 1996 en de periode van 1999 tot augustus 2005. Wat [persoon 2] betreft, gaat het om de periode maart 1996 en de periode van november 2005 tot januari 2006. Over de betrouwbaarheid van deze informatie kan geen oordeel worden gegeven. Voorts is er CIE- informatie die [persoon 1] verbindt met een bomaanslag in het criminele circuit in augustus 2006 die verband zou houden met wiethandel.

4.3.5. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van

17 juni 2009, te vinden op rechtspraak.nl onder LJ-nummer BI8427) kan informatie uit de registers van de CIE slechts in combinatie met andere feiten en omstandigheden die in dezelfde richting wijzen een vermoeden opleveren voor ernstig gevaar. De rechtbank stelt vast dat de informatie van de CIE zowel meldingen ter zake van handel in verdovende middelen betreft gelegen in de periode van 1994-1996, als ook in de periode daarna. Nu deze CIE-informatie in dezelfde richting wijst als de feiten genoemd onder 4.3.2. tot en met 4.3.3. heeft verweerder deze informatie mogen betrekken bij de onderhavige Bibob-beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder gelet op deze informatie in samenhang bezien met de Opiumwetdelicten dan ook aannemelijk achten dat [persoon 1] en [persoon 2] zich ook nadien met handel in drugs hebben beziggehouden.

4.3.6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft kunnen achten dat [persoon 1] en [persoon 2] de gelden verkregen met drugshandel hebben witgewassen. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de meervoudige belastingkamer van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 januari 2008 in het kader van door de belastingdienst aan [persoon 1] opgelegde aanslagen over de jaren 1994 tot en met 1996. Het gerechtshof overweegt: “Gelet op de waarde van de in 6.6 bedoelde panden ultimo 1997 komt het Hof – naar aanleiding van de door belanghebbende na cassatie verstrekte afschriften van de notariële akten van levering - tot de conclusie dat de voor de panden betaalde koopsommen van respectievelijk ƒ 950.000 ([voorjaar] 1995) voor a-straat 1, ƒ 150.000 ([voorjaar] 1996) voor b-straat 1, ƒ 325.000 ([voorjaar] 1996) voor c-straat 1, ƒ 1.850.000 ([voorjaar] 1996) voor d-straat 1, 3 en 5 en e-straat 1 – in totaal ƒ 3.275.000 - niet de werkelijke tegenprestatie voor die onroerende zaken moeten hebben gevormd. Deze moet belangrijk hoger zijn geweest. Het verschil tussen de aankoopsommen en de waarde ultimo 1997 kan naar het oordeel van het Hof niet worden verklaard door een waardestijging in de periode vanaf de aankoop tot eind 1997. Ook acht het Hof niet geloofwaardig dat het waardeverschil mede kan worden verklaard door de omstandigheid dat een aantal panden moest worden verbouwd. Het Hof komt tot de conclusie dat belanghebbende voor de aankoop op andere wijze moet hebben beschikt over inkomsten- en vermogensbestanddelen die aan de verkoper ten goede zijn gekomen.” Deze uitspraak is in cassatie bevestigd.

4.3.7. Voorts blijkt uit het advies van het LBB van 30 juli 2008 dat in juni, juli en augustus 2007 drie verdachte transacties hebben plaatsgevonden waarbij [persoon 1] € 2.095.747,- heeft ontvangen. Ook is bij beslissing van 15 maart 2005 aan [persoon 2] € 471.023,86 ontnomen als wederrechtelijk verkregen voordeel. Verder blijkt uit een hypotheekakte van 4 juni 2008 dat [persoon 1] bij onderhandse akte van 11 maart 2003 € 6.228.264,31 voor onbepaalde tijd en tegen een rente van 6% heeft geleend van Stichting Particulier Fonds [persoon 1] dat wordt beheerd door een trustkantoor op Curaçao. De door [persoon 1] en [persoon 2] gegeven verklaringen en geleverde financiële gegevens omtrent de herkomst van de gelden acht de rechtbank onvoldoende, nu het in essentie gaat om niet-geverifieerde, door hen zelf aangeleverde gegevens. Gelet op de aanzienlijke geldbedragen die zijn gemoeid met drugshandel en witwaspraktijken, is de vrees voor witwassen tegen deze achtergrond naar het oordeel van de rechtbank gegrond.

4.4. Verweerder heeft voorts op goede gronden geoordeeld dat eiseres in relatie staat tot de strafbare feiten gepleegd door [persoon 1] en [persoon 2] als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. De rechtbank acht in dit verband van belang dat [persoon 1] en [persoon 2] de exploitatie van Lunchroom 52 hebben gefinancierd door aan eiseres een lening van € 70.000,- te verstrekken. Ook zijn zij de eigenaren van het pand waarin deze horeca-onderneming is gevestigd. Voorts blijkt uit de huurovereenkomst tussen eiseres en [persoon 1] en [persoon 2] dat wanneer eiseres de exploitatie wenst te beëindigen, zij de bedrijfsinventaris en de goodwill zal verkopen aan [persoon 1] en [persoon 2]. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit verband [persoon 1] en [persoon 2] enige invloed in de onderneming van eiseres niet worden ontzegd. Het standpunt van eiseres dat een dergelijk “terugkoopbeding” algemeen gebruikelijk is, maakt dit niet anders. Daarbij was eiseres tot 1 juni 2007 tevens werkzaam als bedrijfsleider voor een andere onderneming van [persoon 1] en [persoon 2], La Vie en Proost. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat [persoon 1] en [persoon 2] ten tijde van de beëindiging van de exploitatie op 1 oktober 2007 in een zakelijk samenwerkingsverband stonden tot eiseres.

4.5. De rechtbank komt, gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat eiseres in relatie staat tot strafbare feiten die verband houden met handel in drugs en witwassen welke feiten in het meer recente verleden zijn gepleegd. Aangezien dergelijke delicten er naar hun aard op gericht zijn om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de aan eiseres verleende exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Hetgeen door eiseres overigens nog is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Nu verweerder de intrekking van de vergunningen reeds op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob kon baseren, behoeft de grondslag artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob geen bespreking.

4.6. Eiseres heeft aangevoerd dat de situatie voor haar schrijnend is, omdat zij haar onderneming verliest zonder dat zij zelf in aanraking is geweest met de politie. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder in het licht van al het voorgaande het belang van het bestrijden van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Bibob niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiseres bij behoud van haar exploitatievergunning. Van strijd met artikel 3:4 van de Awb is dan ook geen sprake.

4.7. Eiseres heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase is overschreden en zij beroept zich op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

4.7.1. Aan de gedingstukken ontleent de rechtbank de volgende gegevens van feitelijke aard. Bij het primaire besluit van 30 november 2006 heeft verweerder de exploitatievergunning van de door eiseres gedreven onderneming ingetrokken en bestuursdwang aangezegd voor het geval eiseres de exploitatie niet uiterlijk op 28 december 2006 zal hebben beëindigd. Eiseres heeft tegen het primaire besluit op 20 december 2006 bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Het bezwaarschrift is blijkens de stempel van ontvangst op 27 december 2006 door verweerder ontvangen. Bij mondelinge uitspraak van 19 januari 2007 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar, in de zin dat verweerders geen toepassing mogen geven aan de aanzegging bestuursdwang. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 januari 2011 op het beroep beslist.

4.7.2. De rechtbank wijst er op dat artikel 6 van het EVRM betrekking heeft op de behandeling binnen een redelijke termijn door de rechter. Een behandeling door een bestuursorgaan valt daar niet onder. Wel wordt, indien tegen het besluit op bezwaar beroep wordt ingesteld, de bezwaarfase betrokken bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Daarbij is van belang dat de bezwaarfase een in beginsel verplichte procedure is voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. Op deze grond wordt een bestuursorgaan in voorkomende gevallen veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens zijn aandeel (als gevolg van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase) in de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel. Deze uitbreiding is echter beperkt tot de bezwaarfase en omvat niet de fase die voorafgaat aan de totstandkoming van het primaire besluit (waartegen vervolgens het bezwaar is gericht).

4.7.3. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2008 (te vinden op rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BG8294) volgt dat in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftenprocedure en één rechterlijke instantie bestaan, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste drie jaar redelijk is. Indien de totale procedure langer dan drie jaar heeft geduurd, dan dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Voor de vaststelling van de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding hanteert de Afdeling een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.7.4. De rechtbank stelt vast dat de gehele procedure, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 27 december 2006 door verweerder tot de uitspraak van de rechtbank van 21 januari 2011, vier jaar en 25 dagen in beslag heeft genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een langere termijn dan drie jaar redelijk te achten. De redelijke termijn is dan ook met één jaar en 25 dagen overschreden. De omstandigheid dat eiseres heeft ingestemd met gevoegde behandeling van haar bezwaarschrift met dat van La Vie en Proost en La Vie en Rose maakt dat niet anders, nu niet kan worden gezegd dat eiseres daarmee heeft ingestemd met een langere behandelingsduur van haar bezwaarschrift. Ook het feit dat zij in afwachting van de beslissing op bezwaar haar onderneming mocht blijven exploiteren, doet aan het voorgaande niet af. Immers, een vergoeding in het kader van de schending van de redelijke termijn betreft een immateriële schadevergoeding.

4.7.5. De behandeling van het bezwaar heeft drie jaar, vier maanden en 13 dagen in beslag genomen. Dat betekent dat de totale overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en 25 dagen geheel aan verweerder moet worden toegerekend. Dit leidt volgens de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Afdeling tot een schadevergoeding van € 1.500,-.

4.8. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en R. Raat, leden, in aanwezigheid van

mr. S. Leijen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB