Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ1592

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
18-04-2011
Zaaknummer
13-420739-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op ING IJburglaan Amsterdam in april 2009. De bewijsmiddelen kunnen niet leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van een inside job. Opzet van lijfelijk afwezige verdachte op medeplegen van afpersing/diefstal met geweld bewezen. De rechtbank oordeelt dat de samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders zo nauw en volledig is geweest dat de bijdrage van verdachte achter de schermen als medeplegen kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/420739-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 11 maart 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.E. Woudman en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw van verdachte mr. S.M. Kurvers naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort samengevat, verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op de ING-bank, vestiging IJburglaan, te Amsterdam. Het feit is primair ten laste gelegd als een diefstal met geweld in vereniging gepleegd en/of een afpersing in vereniging, subsidiair als verduistering in dienstbetrekking in vereniging en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving in vereniging en/of bedreiging met geweld in vereniging gepleegd. De volledige tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Bespreking van het bewijs

3.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat voor de beoordeling van de bewijsvraag uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de gebeurtenissen op 11 april 2009 in het bankfiliaal heeft de rechtbank op basis van de aangiftes van [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en van [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) het volgende vastgesteld.

Op zaterdagmiddag 11 april 2009 omstreeks 16:45 uur zijn [persoon 1] en [persoon 2] werkzaam in de vestiging IJburglaan van de ING-bank te Amsterdam. Zij zitten beiden achter de lange balie achter in het pand als zij een persoon met een zwarte integraal helm op zijn hoofd (hierna: dader I) naar binnen zien lopen. Dader I loopt naar de balie toe. [persoon 2] vraagt aan dader I of zij hem ergens mee kan helpen. Hierop vraagt dader I of hij dollars kan wisselen. Dader I heeft een witte envelop in zijn hand. [persoon 2] antwoordt dat in de vestiging geen geld gewisseld kan worden.

Dader I pakt zijn telefoon om te bellen en draait zich vervolgens om in de richting van de deur. Hij brengt de telefoon naar zijn oor en zegt dat het niet mogelijk is om dollars om te wisselen. Tijdens het bellen loopt dader I rondjes in de vestiging. Op hetzelfde moment komt er nog een persoon (hierna: dader II) de bank inlopen. Dader II draagt een grote zwarte tas over zijn schouder. Als dader II in de richting van [persoon 1] wil lopen gaat dader I voor hem staan. De twee daders zeggen kort iets onverstaanbaars tegen elkaar. Deze personen horen bij elkaar. Dader I houdt nog kort dader II tegen, maar dan loopt dader II naar [persoon 1] toe. Hij richt een pistool op haar. Dader I staat tegenover [persoon 2]. Op dat moment zegt dader I “dit is geen grap, handen omhoog” en daarna nog een keer luider “handen omhoog”. Op de aanzegging van dader II “maak de deur dicht”, sluit [persoon 2] de voordeur. Vervolgens pakt dader II [persoon 1] vast bij haar T-shirt en trekt hij haar naar zich toe. Hij houdt het pistool tegen de keel van [persoon 1] aangedrukt. Dader II trekt daarbij heel hard aan [persoon 1]. Tegelijkertijd komt dader I achter de balie naar [persoon 1] toe en pakt haar bij haar arm. Dader II richt zich vervolgens op [persoon 2]. [persoon 1] en [persoon 2] worden door dader I en dader II meegenomen naar de keuken. [persoon 2] voelt daarbij dat dader II iets hards dat van ijzer is in haar nek duwt. Op de vraag wie van de medewerksters bij de kas kan, antwoordt [persoon 2] dat zij dat kan. Dader II zegt tegen [persoon 2] “meekomen” en houdt het pistool op borsthoogte op haar gericht.

[persoon 1] moet van dader I in de keuken op een stoel met haar armen naar achteren en met haar gezicht naar de muur gericht gaan zitten. Vervolgens bindt dader I met twee tie-raps haar handen vast aan de stoel.

[persoon 2] loopt ondertussen, met dader II naar de kasbalie naar haar computer toe en ontgrendelt deze. Dader II vraagt vervolgens “hoeveel zit er in de kas?”. Hierop laat [persoon 2] dader II vanaf een display het bedrag dat in de kas zit zien. Het betreft een bedrag van € 50.000,00. Dader II maakt duidelijk dat hij dat wil hebben. Hij zegt tegen [persoon 2] “geef maar”. Als [persoon 2] een bedrag van € 50.000,00 intoetst, verschijnt op het display een melding dat dit niet mogelijk is. Er blijkt alleen tot een bedrag van € 12.000,00 te kunnen worden opgenomen. Dader II kan dit zien en gaat akkoord met het bedrag, waarop [persoon 2] op “ok” drukt. Als het geld uit de kas komt, zegt dader II, terwijl hij het pistool op haar blijft richten “pakken in de tas”. [persoon 2] stopt het geld in de tas. Vervolgens zegt dader II tegen [persoon 2] “nog een keer € 12.000,00”. [persoon 2] toetst nogmaals een bedrag van € 12.000,00 in en er komt voor de tweede keer een geldbedrag uit de kas. Ook dit geldbedrag stopt [persoon 2] in de tas van dader II. Hierna zegt dader II voor een derde maal “nog een keer 12.000”. [persoon 2] tikt voor de derde maal een bedrag in van

€ 12.000,00, waarop voor de derde maal een storting wordt gedaan. Deze storting wordt echter onderbroken door het systeem. Daarna vraagt dader II “waar zit de knop van het alarm?”, waarop [persoon 2] de knop onder de balie aanwijst. Op een gegeven moment komt dader I uit de keuken en vraagt “zitten hier camera’s?”. [persoon 2] vertelt hem dat er geen camera’s zijn.

In de keuken gaat dader I ondertussen over tot het fouilleren van [persoon 1]. Dader I raakt daarbij het lichaam van [persoon 1]. In de keuken vertelt [persoon 1] dat haar vriend haar komt ophalen. Zij vertelt eveneens dat haar vriend erg groot, breed en kaal is. Als dader I na enige tijd weggaat, zegt hij tegen [persoon 1] dat hij haar en haar collega’s wel weet te vinden.

Nader onderzoek wijst uit dat er een bedrag van € 27.240 euro, geheel toebehorende aan de ING-bank, is buitgemaakt.

Op 13 juli 2009 meldt medeverdachte [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) zich bij de politie en wordt hij aangehouden. Hij verklaart dat hij samen met vier andere personen betrokken is geweest bij de overval op de ING-bank op IJburg. Hij verklaart dat hij de persoon is geweest met de helm op en dat hij een van de meisjes in de keuken met haar handen op haar rug heeft vastgebonden. Zijn mededader had een pistool. [persoon 3] duidt tijdens zijn verhoren zijn mededaders aan met letters. Hij verklaart dat hij de personen A, B en C twee keer voorafgaand aan de overval heeft ontmoet. De laatste bespreking was twee dagen voor de overval. Zij hebben ook vooraf gekeken bij de bank. De dag van de overval heeft hij A, B en C rond 16:00 uur ontmoet op station Kraaiennest. Zij zijn vervolgens samen in een auto naar de ING-bank op IJburg gereden. C bestuurde de auto. [persoon 3] heeft, vlak voordat zij in de auto stapten, van A een witte envelop met daarin dollars gekregen en een helm. Van B heeft [persoon 3] tie-raps gekregen, althans witte dingen om handen vast te binden. Bij de ING-bank aangekomen is A bij de tramhalte, vlakbij de ING, gaan zitten. C bleef in de auto wachten en [persoon 3] is samen met B naar de ING-bank gegaan. [persoon 3] verklaart voorts dat hij vlak voordat hij de ING-bank in wilde gaan een sms van A kreeg dat er een babywagen binnen was en dat hij moest wachten. Na de overval zijn [persoon 3] en B in de auto door C naar de woning van A gereden. In de woning van A hebben A, B en C het geld geteld en heeft [persoon 3] zijn geld gekregen.

[persoon 3] verklaart voorts dat A een Nederlands meisje (door [persoon 3] E genoemd) kende dat bij de ING werkte. A had informatie over de ING-bank. Over de persoon van A verklaart verdachte ondermeer dat hij net met zijn vriendin een kindje heeft gekregen, dat hij al heel lang een relatie heeft, dat zijn broer een bekende rapper is, dat hij een rode tweepersoons auto heeft, dat hij profvoetballer kon worden maar dat hij knieproblemen had gehad en dat hij op een gegeven moment naar Omniworld is gegaan.

Uit nader onderzoek blijkt dat verdachte op 9 februari 2009 vader is geworden van een zoon. De moeder van zijn zoon is genaamd [persoon 4]. Zij zijn al zes jaar samen. Daarnaast blijkt dat verdachte een rode Audi heeft en dat zijn broer, genaamd [persoon 7], een rapper is.

[persoon 2] verklaart dat zij een relatie met verdachte had, dat hij bij Omniworld heeft gevoetbald, maar dat hij nu niet meer voetbalt omdat er iets met zijn been was. [persoon 2] heeft verdachte drie dagen voor de overval, op donderdagavond rond 20:15 uur, op IJburg gezien. Zij stond te wachten voor het kapotte hek van de parkeergarage toen zij tot haar verbazing verdachte aan zag komen lopen. Zij heeft toen samen met verdachte voor het hek van de parkeergarage gewacht.

Er worden twee telefoonnummers toegeschreven aan verdachte; een telefoonnummer eindigend op *99 en een telefoonnummer eindigend op *42. Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van het toenmalige telefoonnummer van [persoon 3] ([telefoonnummer]) blijkt dat op zaterdag 16:40 uur, kort voor de overval, een sms is verstuurd vanaf het telefoonnummer eindigend op *42 aan het toenmalige telefoonnummer van [persoon 3]. Daarnaast heeft het telefoonnummer eindigend op *99 op 9 april om 19:48:56 uur, 20:21:37 uur, 20:21:50 tot 20:25:58 uur gebruik gemaakt van de zendmast Maria Austriastraat te IJburg. De Maria Austriastraat ligt pal achter de ING-bank.

3.2. Waardering van het bewijs

3.2.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden dat verdachte op 11 april 2009 tezamen en in vereniging met anderen door geweld of bedreiging met geweld de ING-bank heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag. Hij vordert daarom bewezenverklaring van het primair, tweede cumulatief/alternatief, tenlastegelegde. De officier van justitie heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Op grond van de aangiften van [persoon 1], [persoon 2], de bekennende verklaring van [persoon 3] en de historische gegevens kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de gewelddadige overval. De verklaringen van [persoon 3] worden bevestigd door de historische telefoongegevens en de verklaringen van [persoon 2]. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht, terwijl deze bevindingen wel om een nadere verklaring van verdachte vragen.

Daarnaast kan worden bewezen dat sprake is geweest van een inside job, waarbij medewerkster [persoon 2] als medeverdachte heeft gehandeld. De afpersing jegens [persoon 2] kan derhalve niet bewezen worden. Uit het dossier blijkt niet dat de andere aanwezige ING-medewerkster ([persoon 1]) ten tijde van de overval op de hoogte was van de overval. Zij is wel onderwerp geworden van het geweld en de bedreiging van geweld. Er kan om die reden niet worden gesproken van een verduistering in dienstbetrekking. Door de bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsontneming is de ING-bank door geweld of bedreiging met geweld gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag.

3.2.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij de gebeurtenissen op 11 april 2009. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat geen sprake is van diefstal met geweld, afpersing of verduistering. De verdediging heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende betoogd.

De verklaringen van de ‘kerngetuige’ [persoon 3] zijn niet betrouwbaar. Hij heeft op meerdere punten aantoonbaar leugenachtig verklaard en bovendien is hij bereid om de slachtoffers voor leugenaar uit te maken als dit in zijn eigen voordeel is. Volgens de twee medewerksters van de bank was [persoon 3] namelijk de leider tijdens de overval, terwijl [persoon 3] het heeft doen voorkomen alsof hij min of meer gemanipuleerd werd tot het plegen van de overval. Voorts heeft [persoon 3] uiterst merkwaardig verklaard over het bedrag dat hij met de overval zou hebben verdiend en heeft hij zijn betrokkenheid bij een andere overval ontkend. Bij gebrek aan betrouwbaarheid van zijn verklaringen kunnen deze verklaringen niet voor het bewijs worden gebezigd.

Daarnaast worden de verklaringen van [persoon 3] nauwelijks ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. De gegevens van het telefoonnummer eindigend op *99 laten zien dat verdachte niet in de buurt van de ING was ten tijde van de overval en dat is vreemd nu de telefoon van verdachte ten tijde van de overval wel is gebruikt. Uit de verklaringen van [persoon 2] blijkt voorts dat verdachte nimmer om informatie heeft gevraagd en dat [persoon 2] ook nooit belangrijke informatie heeft verschaft. De verklaringen van [persoon 2] kunnen derhalve de verklaringen van [persoon 3] evenmin ondersteunen. De bewijsmiddelen die door het Openbaar Ministerie naar voren worden gebracht overtuigen derhalve niet. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

In ieder geval kan het feit niet als diefstal met geweld dan wel afpersing worden gekwalificeerd. Het is voldoende aannemelijk dat er hulp was van binnenuit. Volgens de verklaringen van [persoon 3] was [persoon 2] betrokken bij de overval. Zij zou informatie hebben verschaft en geweten hebben van de overval. Het ging dus om een in scene gezette overval. De overval was nep en er was medewerking van binnenuit. Er was derhalve geen sprake van geweld of bedreiging van geweld. Nu het geld vervolgens door [persoon 2] is afgegeven, is daarnaast zelfs geen sprake van een gewone diefstal. Daarnaast geldt dat voor verdachte niet van verduistering kan worden gesproken, nu hij het geld anders dan door misdrijf verkregen, in zijn geheel niet onder zich heeft gehad, terwijl ook van een vrijheidsbeneming of bedreiging met enig misdrijf geen sprake is geweest, nu het een nepoverval betrof.

3.3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 3] het volgende op.

Betrouwbaarheid verklaring [per[persoon 3]

De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van [persoon 3] ten aanzien van de handelingen en gebeurtenissen tijdens de overval in de bank gedetailleerd zijn en op belangrijke punten worden ondersteund door de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2], zoals hiervoor is weergegeven.

Zo wordt de verklaring van [persoon 3] dat hij vlak voordat hij de bank in ging een sms heeft gekregen tot in detail ondersteund door de historische verkeersgegevens van zijn toenmalige telefoon en het telefoonnummer van verdachte. Gelet op het feit dat verdachte nooit heeft weersproken dat hij de gebruiker was van de telefoonnummers, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van de overval de gebruiker van de hiervoor bedoelde telefoonnummers, eindigend met *99 en *42, is geweest. De rechtbank merkt hier overigens bij op dat de raadsvrouw ten onrechte heeft geconcludeerd dat het niet uitstralen van het telefoonnummer eindigend op *99 niet kan kloppen met de verklaring van [persoon 3]. Uit de historische gegevens in combinatie met de verklaring van [persoon 3] blijkt dat verdachte ten tijde van het feit gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer eindigend op *42. Dit standpunt van de raadsvrouw wordt derhalve niet ondersteund door de bewijsmiddelen.

Gelet op bovenstaande kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan hetgeen de raadsvrouw verder heeft aangevoerd omtrent de onbetrouwbaarheid van [persoon 3]. Het feit dat hij mogelijk zijn eigen rol heeft gebagatelliseerd, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat zijn gehele verklaring onbetrouwbaar is. De rechtbank acht derhalve de verklaring van [persoon 3] met betrekking tot de gebeurtenissen rond 11 april 2009 en de rol van de mededaders betrouwbaar en geloofwaardig.

Op basis van de onder 3.1. genoemde redengevende feiten en omstandigheden komt de rechtbank ten aanzien van het tenlastegelegde tot het volgende oordeel.

Identiteit A

De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat de door verdachte aangeduide persoon A verdachte is. De verklaring van [persoon 3] wordt tot in detail bevestigd door de bevindingen van politie over de persoon, familie en relaties van verdachte en door de verklaringen van [persoon 2]. Daarnaast worden gebeurtenissen rondom de overval waarover [persoon 3] heeft verklaard ondersteund door de historische telefoongegevens van verdachte.

Gelet op de feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest [persoon 3] in zijn verklaring heeft aangeduid als persoon A.

Geen inside job

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie tot de conclusie komt dat de overvallers – via verdachte – kennis moeten hebben gehad van feiten en omstandigheden die alleen bekend kunnen zij bij bankpersoneel van het filiaal. Deze inside informatie zou ondermeer bestaan uit informatie over de afwezigheid van camera’s in het bankgebouw en het feit dat maximaal € 12.000,00 per keer zou kunnen worden opgenomen. Deze informatie zou alleen via [persoon 2], die werkzaam bij het bankfiliaal was, verspreid kunnen worden, aldus de officier van justitie. De officier van justitie verbindt hieraan de conclusie dat [persoon 2] betrokken was bij de overval en dat sprake is geweest van een inside job.

De rechtbank constateert dat het belangrijkste bewijsmiddel voor de betrokkenheid van [persoon 2] bij de overval de verklaringen van [persoon 3] zijn. De rechtbank stelt vast dat zijn verklaringen, voor zover deze zien op de betrokkenheid van [persoon 2], de auditu zijn. [persoon 2] heeft ontkend dat zij op de hoogte was dat een overval zou worden gepleegd en dat zij met het oog hierop verdachte van informatie heeft voorzien. Verdachte heeft zich gedurende het hele onderzoek beroepen op zijn zwijgrecht en de verklaring van [persoon 3] niet bevestigd. De vaststelling dat er sprake was van een geënsceneerde overval waarbij [persoon 2] als medeverdachte was betrokken, zal daarom op basis van andere bewijsmiddelen in het dossier plaats dienen te vinden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit onderdeel als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de vermeende inside informatie niet per se van [persoon 2] afkomstig hoeft te zijn en oordeelt dat het mogelijk is dat verdachte door de relatie met [persoon 2] zelfstandig, buiten medeweten van [persoon 2] om, op de hoogte is geraakt van de inside informatie.

Zo kan op basis van de verklaringen van [persoon 2], haar collega [persoon 5] en haar collega [persoon 6] (de auditu) worden vastgesteld dat verdachte op enig moment gedurende langere tijd in het ING-filiaal aan de IJburglaan aanwezig is geweest. Hij is daardoor in de gelegenheid geweest om de situatie van het filiaal van binnen te observeren. Hierdoor heeft verdachte bijvoorbeeld kunnen waarnemen dat in het filiaal geen zichtbare camera’s hingen. Ook blijkt uit de verklaring van [persoon 2], ondersteund door de historische gegevens van de telefoon van verdachte , dat deze laatste op donderdag 9 april 2009 de manager van [persoon 2] heeft gezien. Tijdens deze ontmoeting heeft verdachte, blijkens de verklaring van [persoon 2], naar de naam van de manager gevraagd. Hierdoor was verdachte op de hoogte van de naam en het uiterlijk van de manager. Tot slot heeft [persoon 2] verklaard dat verdachte de avond voor de overval bij haar langs is geweest. Zij heeft hem toen verteld dat zij die zaterdag moest werken en dat zij die dag samen met een invalster op het filiaal werkte.

Over de overige vermeende inside informatie is de rechtbank van oordeel dat niet uitgesloten kan worden dat de verklaringen van [persoon 3] zijn ingekleurd door hetgeen hij tijdens de overval heeft waargenomen dan wel na de overval heeft gehoord. Zoals hierover onder 3.1. is weergeven blijkt dat [persoon 3] tijdens de overval verschillende vragen heeft gesteld die informatie hebben opgeleverd. Daarnaast heeft dader II kunnen waarnemen, mede door middel van het computerscherm, op welke wijze geld door [persoon 2] uit de kas is gehaald. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat dader II deze informatie nadien met [persoon 3] heeft gedeeld.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande, van oordeel dat de genoemde bewijsmiddelen niet leiden tot de conclusie dat de gestelde inside informatie niet anders dan van [persoon 2] afkomstig kan zijn geweest. Het enkele feit dat [persoon 2] en verdachte een relatie hadden levert geen steun bewijs op voor de betrokkenheid van [persoon 2] bij de overval.

De door de officier van justitie genoemde bijkomende omstandigheden maken dit oordeel niet anders. De genoemde e-mails tussen [persoon 2] en verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank namelijk voor verschillende interpretaties vatbaar. In ieder geval acht de rechtbank het niet onwaarschijnlijk dat deze e-mails over het doen van beleggingen of investeringen gaan, zoals [persoon 2] heeft verklaard, nu daarover in de e-mails immers ook expliciet wordt gerept. Ook het niet indrukken van de alarmknop door [persoon 2] en haar coöperatieve houding in de richting van de daders behoeft niet per se te wijzen op betrokkenheid van [persoon 2] bij de overval. De rechtbank acht in dit verband niet onaannemelijk dat [persoon 2] door de bedreiging met het vuurwapen niet op de knop heeft durven drukken.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank onvoldoende steun voor de verklaring van [persoon 3], voor zover het betreft de betrokkenheid van “het Nederlandse meisje” bij de overval.

Bovendien acht de rechtbank tevens van belang dat met de bewijsmiddelen niet onverenigbaar is het scenario dat door verdachte aan [persoon 3] valselijk is voorgespiegeld dat het Nederlandse meisje zou meewerken.

De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat [persoon 2] op de hoogte was van de overval en dat zij hier haar medewerking aan heeft gegeven. De rechtbank oordeelt derhalve dat geen sprake is geweest van een inside job.

Medeplegen afpersing

De rechtbank stelt allereerst vast dat de hiervoor onder 3.1 weergegeven feiten en omstandigheden in beginsel de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is geweest van een afpersing. Het geld is immers ten gevolge van de gewelddadigheden aan [persoon 3] en dader II afgegeven. Van de primair, eerste cumulatief/alternatief, ten eerste ten laste gelegde diefstal met geweld dient verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing.

Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking tussen medeverdachten vereist gericht op - in dit geval – afpersing. Geen vereiste voor medeplegen is dat verdachte ook lijfelijk aanwezig is geweest op de plaats van het misdrijf. De lijfelijke afwezigheid dient dan te worden gecompenseerd door omstandigheden, waaruit kan worden geoordeeld dat de samenwerking zo nauw en volledig is geweest en dat de bijdrage achter de schermen voldoende substantieel is dat dit als medeplegen kan worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet zelf aanwezig is geweest in de bank ten tijde van het afgeven door [persoon 2] van het geldbedrag, maar dat hij wel de organisator van de overval is geweest. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn relatie met [persoon 2] ondermeer op de manieren zoals hiervoor is overwogen op de hoogte is geraakt van informatie over het filiaal.

[persoon 3] heeft over de rol van verdachte die door hem A wordt genoemd, onder meer het volgende verklaard. A vertelde hem een paar dagen voor de overval dat hij een Nederlands meisje kende dat bij de ING werkte waar geen camerabeelden werden gemaakt. Hij zei dat zij gewoon het geld zou geven. Twee keer heeft [persoon 3] samen met A en de andere twee mededaders in de auto van A gezeten. A zei dat hij steeds met het meisje had gesproken. Toen de mededaders niet serieus waren werd A boos. A wist dat er maar 1 camera was bij een café. Daar mochten ze niet komen. Hij kreeg de helm en de enveloppe met dollars van A. Na de overval kreeg hij zijn deel in de buit van A. Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte bewust deze informatie heeft verzameld door zijn relatie met [persoon 2], met als doel het buit maken van geld in het filiaal waar [persoon 2] werkzaam was. Verdachte heeft vervolgens het plan gemaakt en minimaal twee keer de medeverdachten ontmoet om de informatie aan hen door te geven. [persoon 3] heeft hierover verklaard dat verdachte en zijn mededaders drie dagen voor de overval naar de ING-bank op IJburg gegaan voor het verrichten van een voorobservatie . Tot slot is verdachte vlak voor de overval bij de tramhalte ging zitten om op de uitkijk te staan en aanwijzingen door te geven. Dit wordt ondersteund door de sms van verdachte aan [persoon 3] waarin hij volgens [persoon 3] waarschuwde dat er een kinderwagen binnen was en dat hij moest wachten. Gelet op het voorgaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in de voorbereiding en uitvoering van het feit een initiërende en substantiële rol vervuld.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders zo nauw en volledig is geweest dat de bijdrage van verdachte achter de schermen als medeplegen kan worden aangemerkt. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging door geweld en bedreiging met geweld de ING-bank heeft gedwongen tot het afgifte van een geldbedrag.

Het voorgaande leidt tot bewezenverklaring van het primair, tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feit.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 11 april 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld de ING-bank (vestiging IJburglaan) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 27.240 euro toebehorende aan ING-bank, welk geweld of bedreiging met geweld hierin bestonden dat een of meer van zijn mededaders

een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft genomen en voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [persoon 1] en [persoon 2] (medewerksters van voornoemde bank) heeft gericht en die [persoon 1] en [persoon 2] heeft getoond en voorgehouden en tegen de nek/keel van die [persoon 1] en [persoon 2] heeft gedrukt en

die [persoon 1] en [persoon 2] de woorden heeft/hebben toegevoegd: “Dit is geen grap, handen omhoog” en “Handen omhoog” en “Maak de deur dicht” en “Meekomen” en

hard aan de kleding van die [persoon 1] heeft getrokken en die [persoon 1] bij de arm vastgepakt en die [persoon 1] meegenomen naar een keuken in voornoemde ING-bank en

in die keuken de polsen van die [persoon 1] met tie-raps heeft vastgebonden en

tegen die [persoon 1] heeft gezegd dat hij, verdachte, die [persoon 1] en haar collega’s wel wist te vinden en

die [persoon 1] aan de kleding en het lichaam heeft gefouilleerd en

aan/tegen die [persoon 2] heeft gevraagd/gezegd: “Hoeveel zit er in kas” en “Geef maar” en “Pakken in de tas” en

die [persoon 2] heeft opgedragen een kasbalie in voornoemde bank te openen en een geldbedrag van 27.240 euro uit voornoemde kasbalie te pakken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

7.2. Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde zou komen, verzoekt de raadsvrouw rekening te houden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft, hij een woning, een vriendin en een jong zoontje heeft en dat hij al zes maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Deze detentie en de afwezigheid bij zijn gezin zijn hem zwaar gevallen. Daarnaast is hij door de detentie zijn baan kwijt geraakt en zijn er inmiddels al twee jaar verstreken sinds het feit. In die tijd heeft verdachte zijn leven weer op orde gebracht. De raadsvrouw verzoekt een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, eventueel gecombineerd met een – forse – voorwaardelijke gevangenisstraf.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich als initiatiefnemer en bedenker van het feit schuldig gemaakt aan een brutale gewapende overval op de ING-bank. Hij is er voorts niet voor teruggedeinsd om zijn relatie met een toenmalige vriendin te gebruiken voor het verkrijgen van informatie. De rechtbank rekent het verdachte aan, dat hij daarmee geen respect heeft getoond voor haar persoon.

Zijn mededaders hebben tijdens de overval nietsontziend gehandeld. Zij hebben als dreiging een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de medewerksters gericht en tegen de nek of keel van beide slachtoffers gezet. Daarnaast hebben zij een van de slachtoffers van haar vrijheid beroofd door haar vast te binden.

Zoals uit de aangiftes blijkt hebben de bedreigingen en het geweld veel angst bij de slachtoffers veroorzaakt en hebben zij voor hun leven gevreesd. Zij hebben verklaard doodsangsten te hebben uitgedaan. Het incident heeft voor beide slachtoffers ernstige gevolgen gehad, welke tot op de dag van vandaag nog steeds aanmerkelijk voor hen zijn. Beide slachtoffers volgen nog altijd psychische behandelingen en slikken medicatie om hetgeen hen is overkomen een plek te geven.

Deze overval heeft daarnaast ook maatschappelijk voor grote gevoelens van onveiligheid en onrust gezorgd.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat slechts een vrijheidsstraf van langer dan de duur van het voorarrest recht doet aan de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Daarbij wordt opgemerkt dat bij de beslissing tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis de rechtbank uitdrukkelijk heeft vermeld dat schorsing van het bevel niet zou betekenen dat verdachte na een inhoudelijke behandeling geen langere gevangenisstraf dan de periode van het voorarrest opgelegd zou kunnen krijgen.

Voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf neemt de rechtbank allereerst in aanmerking de richtlijn strafvordering overvallen van het Openbaar Ministerie. Het uitgangspunt van de richtlijn voor een overval op een bedrijf is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Daarnaast worden in de richtlijn factoren opgesomd die tot een strafverhoging kunnen leiden. Hier van belang zijnde strafverzwarende factoren zijn ondermeer het medeplegen van afpersing (+ 8 maanden gevangenisstraf), het dreigen met een vuurwapen (+ 12 maanden gevangenisstraf) en het vastbinden/opsluiten (+ 6 maanden).

In strafverminderende zin houdt de rechtbank allereerst rekening met de omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak langer op zich heeft laten wachten dan wenselijk is.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 januari 2011 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

Gelet op vorenstaande komt de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf de rechtbank als passend voor. De rechtbank ziet echter geen redenen om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het is aan verdachte zelf om na de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf zijn leven een andere wending te geven en zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten, zonder dat daarbij nog de dreiging van een tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafdeel aanwezig is.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

De benadeelde partij [persoon 1] heeft een schriftelijke vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële schade voor een bedrag van € 2.750,00 als gevolg van de afpersing, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [persoon 2] heeft ter terechtzitting een mondelinge vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële schade voor een bedrag van € 1.000,00 als gevolg van de afpersing. De benadeelde partij heeft de vordering als voorschot op de vergoeding van immateriële schade ingediend.

8.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] geheel voor toewijzing vatbaar is. Hij heeft daarbij gevorderd dat de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [persoon 2] dient worden afgewezen, nu zij naar zijn oordeel het strafbare feit heeft mede gepleegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het feit komt, verzocht rekening te houden met het feit dat alleen met het wapen is gedreigd. In het door de benadeelde partij aangehaalde arrest is het wapen daadwerkelijk gebruikt. Het bedrag van de vordering dient gelet hierop te worden gematigd.

De raadsvrouwheeft, nu in haar visie [persoon 2] als medepleger van de afpersing kan worden aangemerkt, verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Vordering benadeelde partij [persoon 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de totale immateriële schade op het gevorderde bedrag van € 2.750,00 (tweeduizendzevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Vordering benadeelde partij [persoon 2]

De benadeelde partij [persoon 2] heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële schade - een bedrag van € 1.000,00 (éénduizend euro) gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de immateriële schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [persoon 2], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de immateriële schade, voor het deel waarvoor zij zich in dit strafproces heeft gevoegd, op een bedrag van € 1.000,00 (éénduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

In het belang van [persoon 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder primair eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 2.750,00 (tweeduizendzevenhonderdvijftig euro) voor de geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1], te betalen de som van € 2.750,00 (tweeduizendzevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] toe tot een bedrag van € 1.000,00 (éénduizend euro) voor de geleden immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 2], te betalen de som van € 1.000,00 (éénduizend euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. Bianchi, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2011.

Bijlage

Volledige tekst van de tenlastelegging:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 27.240 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan ING-bank (vestiging IJburglaan), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerkster(s) van voornoemde ING-bank, [persoon 1] en/of [persoon 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft/hebben genomen en/of voornoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op, althans in de richting van, die [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft/hebben gericht en/of die [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of op/tegen de nek/keel van die [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft/hebben gezet/gedrukt en/of (daarbij) die [persoon 1] en/of [persoon 2] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Dit is geen grap, handen omhoog" en/of "Handen omhoog" en/of "Maak de deur dicht" en/of "Meekomen", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), hard aan (de kleding van) die [persoon 1] getrokken en/of die [persoon 1] bij de arm vastgepakt en/of die [persoon 1] meegenomen naar een keuken in voornoemde ING-bank en/of (in die keuken) de polsen van die [persoon 1] met een of meer tie-raps vastgebonden en/of tegen die [persoon 1] gezegd dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), die [persoon 1] en/of haar collega('s) wel wist(en) te vinden en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), die [persoon 1] (aan de kleding en/of het lichaam) gefouilleerd en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) aan/tegen die [persoon 2] gevraagd/gezegd: "Hoeveel zit er in kas" en/of "Geef maar" en/of "Pakken in de tas", althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking en/of die [persoon 2] opgedragen een kasbalie in voornoemde bank te openen en/of een geldbedrag van (ongeveer) 27.240 euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en), uit voornoemde kasbalie te pakken;

en/of

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld de ING-bank (vestiging IJburglaan) heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 27.240 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan ING-bank (vestiging IJburglaan), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), welk geweld of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft/hebben genomen en/of voornoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op, althans in de richting van, [persoon 1] en/of [persoon 2] (medewerkster(s) van voornoemde bank) heeft/hebben gericht en/of die [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of op/tegen de nek/keel van die [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft/hebben gezet/gedrukt en/of die [persoon 1] en/of [persoon 2] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Dit is geen grap, handen omhoog" en/of "Handen omhoog" en/of "Maak de deur dicht" en/of "Meekomen", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) hard aan (de kleding van) die [persoon 1] getrokken en/of die [persoon 1] bij de arm vastgepakt en/of die [persoon 1] meegenomen naar een keuken in voornoemde ING-bank en/of (in die keuken) de polsen van die [persoon 1] met een of meer tie-raps vastgebonden en/of tegen die [persoon 1] gezegd dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), die [persoon 1] en/of haar collega('s) wel wist(en) te vinden en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), die [persoon 1] (aan de kleding en/of het lichaam) gefouilleerd en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) aan/tegen die [persoon 2] gevraagd/gezegd: "Hoeveel zit er in kas" en/of "Geef maar" en/of "Pakken in de tas", althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking en/of die [persoon 2] opgedragen een kasbalie in voornoemde bank te openen en/of een geldbedrag van (ongeveer) 27.240 euro, in elk geval enig(e) geldbedrag(en), uit voornoemde kasbalie te pakken;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van (ongeveer) 27.400 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan ING-bank (vestiging IJburglaan), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren)/geldbedrag verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker van voornoemde ING-bank, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [persoon 1] (medewerkster van ING-bank vestiging IJburglaan) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), die [persoon 1] meegenomen naar een keuken in voornoemde ING-bank en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), (in die keuken) de polsen van die [persoon 1] met een of meer tie-raps vastgebonden, althans heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), die [persoon 1] belet te gaan en/of te staan waar die [persoon 1] wilde gaan en/of staan;

hij op of omstreeks 11 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [persoon 1] (medewerkster van ING-bank vestiging IJburglaan) heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand genomen en/of voornoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op, althans in de richting van die [persoon 1] gericht en/of getoond en/of voorgehouden en/of op/tegen de nek/keel van die [persoon 1] gezet/gedrukt en/of (daarbij) voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Dit is geen grap, handen omhoog" en/of "Handen omhoog" en/of "Maak de deur dicht" en/of "Meekomen", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of heeft/hebben verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) hard aan (de kleding van) die [persoon 1] getrokken en/of die [persoon 1] bij de arm vastgepakt en/of die [persoon 1] meegenomen naar een keuken in voornoemde ING-bank en/of (in die keuken) de polsen van die [persoon 1] met een of meer tie-raps vastgebonden en/of (daarbij) gezegd dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), die [persoon 1] en/of haar collega('s) wel wist(en) te vinden.