Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ0894

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
428878 / HA ZA 09-1711
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot heropenen getuigenverhoor, goede procesorde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 428878 / HA ZA 09-1711

Vonnis van 23 maart 2011

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

2. [A]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [B],

wonende te --,

eiseressen,

advocaat mr. drs. J.J. Zijlstra te Amsterdam,

tegen

[C],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. B.J.H. Crans te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en [C] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 maart 2008, waarbij aan [C] een bewijsopdracht is gegeven

- een productie van [C] van 23 oktober 2009, inhoudende een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juni 2009, alsmede een ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam

- het proces-verbaal van het (aangehouden) getuigenverhoor van 8 februari 2010

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 16 april 2010

- de brieven van mr. Brink van 17 en 18 november 2010

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 19 november 2010

- de brief van mr. Brink van 21 december 2010

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 27 januari 2011

- de akte uitlaten voortzetting procedure zijdens [C] van 16 februari 2011

- de antwoordakte zijdens [A] van 2 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenvonnis van 12 maart 2008 heeft de rechtbank [C] opgedragen om bewijs te leveren van haar stelling dat zij bij de door haar niet betwiste mishandeling van [A] heeft gehandeld uit zelfverdediging. Hiertoe is mevrouw [C] in persoon gehoord. In tegenverhoor heeft [A] vervolgens zes getuigen opgeroepen en laten horen.

2.2. De rechtbank dient thans het bij akte van 16 februari 2011 ingediende verzoek van [C] tot heropening van het getuigen(tegen-)verhoor te beoordelen. [C] stelt daartoe dat mevrouw [C] in persoon noch haar raadsman aanwezig kon zijn bij het op 19 november 2010 gehouden tegenverhoor, maar dat het voor haar van belang is om de daar gehoorde getuigen te horen. Voorts verzoekt [C] de rechtbank om een nieuwe getuige, een vriendin van [A] genaamd [D] (hierna: [D]), te horen.

2.3. Bij antwoordakte stelt [A] zich op het standpunt dat het verzoek tot heropening dient te worden afgewezen. Volgens [A] heeft [C] onvoldoende onderbouwd waarom er zijdens haar niemand aanwezig kon zijn tijdens het verhoor van 19 november 2010 en dat de belangen van de getuigen om niet nogmaals getuigenis te hoeven afleggen zwaarder wegen dan die van [C]. Ten aanzien van het horen van [D] voert [A] aan dat het verzoek tardief is en dat er geen enkele poging is gedaan om duidelijk te maken omtrent welke stellingen van [C] [D] getuigenis zou kunnen afleggen.

2.4. Bij de beoordeling van het verzoek dient het belang van [C] bij deze heropening te worden afgewogen tegen de belangen van de goede procesorde. Daartoe is het volgende relevant.

2.5. Bij brief van 17 november 2010 heeft de raadsman van [C] verzocht om aanhouding van het op 19 november 2010 geplande tegenverhoor, waarbij [A] in persoon, haar dochter [B] alsmede de heer [E] gehoord zouden worden. In het aanhoudingsverzoek heeft hij vermeld dat [C] ten gevolge van omstandigheden in de familiaire sfeer niet in staat was het verhoor van 19 november 2010 voor te bereiden of bij te wonen. Verder wordt vermeld dat de raadsman zelf evenmin ter zitting zou verschijnen, maar daar is geen reden voor gegeven.

2.6. Op basis van – uitsluitend - deze informatie heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen klemmende redenen zijn gegeven, op grond waarvan het aanhoudingsverzoek zou moeten worden ingewilligd. Uit de informatie bleek immers onvoldoende wat er precies met [C] aan de hand was, en of er op grond van de concrete feitelijke situatie aanleiding was om de verhoren uit te stellen. Ook is er geen reden gegeven waarom de raadsman niet zou kunnen verschijnen om de getuigen namens zijn cliënte te ondervragen, terwijl hij, mede gelet op de aard van de zaak, geacht mag worden voldoende op de hoogte te zijn van de feiten om de relevante vragen te kunnen stellen.

2.7. Voorts heeft de raadsman niet de gelegenheid benut om voor het getuigenverhoor te verschijnen om een (vernieuwde) aanhoudingsverzoek te beargumenteren en de rechtbank op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie van gedaagde, zodat gezamenlijk besproken had kunnen worden hoe om te gaan met het horen van de getuigen. In plaats daarvan heeft hij volstaan met een mededeling - bij brief van 18 november 2010 - dat hij zich het recht voorbehoudt te verzoeken om nader verhoor van de getuigen.

2.8. Bij brief van 21 december 2010 heeft de raadsman van [C] de rechtbank vervolgens verzocht om hem bij nadere gelegenheid alsnog in staat te stellen deze drie getuigen te horen. Dit verzoek had besproken kunnen worden aansluitend aan het tweede tegenverhoor, dat op 27 januari 2011 is gehouden. Voor dit verhoor is echter zonder afwezigheidsbericht zijdens [C] niemand verschenen.

2.9. De rechter constateert dat [C] bij voldoende belang alle vier getuigen zelf had kunnen oproepen in enquête, maar dat zij om haar moverende redenen er voor heeft gekozen om dit niet te doen. Ten aanzien van de drie reeds gehoorde getuigen dient verder rekening te worden gehouden met de belangen van de drie getuigen zelf, die al een keer hebben moeten verschijnen voor een getuigenverhoor. Het getuigen voor de rechtbank levert doorgaans zowel stress en onrust als praktische problemen op. Daar komt bij dat [C] verzuimd heeft om de rechtbank in te lichten over de aard en de omvang van de mogelijke klemmende redenen, op grond waarvan [C] niet aanwezig kon zijn bij het tegenverhoor op 19 november 2010. Ook voor zover – achteraf – blijkt dat die redenen er ten aanzien van mevrouw [C] in persoon wel waren, blijft het zo dat er geen enkele toelichting is gegeven omtrent de redenen voor de afwezigheid van de raadsman van [C] bij dit verhoor. Gesteld noch onderbouwd is verder dat hij, indien aanwezig, niet in staat zou zijn geweest om namens zijn cliënte de getuigen te ondervragen. Gelet op het feit dat de inleidende dagvaarding in deze zaak van 20 juni 2007 dateert, mag van partijen ook worden verwacht dat er enigszins voortvarend wordt doorgeprocedeerd en dat goed gebruik wordt gemaakt van de afgesproken zittingen. Per saldo verzetten zich derhalve de eisen van de goede procesorde tegen het opnieuw horen van de drie op 19 november 2010 reeds gehoorde getuigen.

2.10. Ten aanzien van de getuige [D] is gesteld noch gebleken dat er sprake is van (nieuwe) feiten en omstandigheden op grond waarvan het oproepen van haar als getuige (niet eerder maar nu wel) voor [C] van belang zou zijn. Ook heeft gedaagde geen enkele aanwijzing gegeven omtrent de punten waarop de getuigenverklaring van [D] relevant zou kunnen zijn en tot een beslissing in de zaak zou kunnen leiden. Mede gelet op het feit dat er reeds zeven getuigenverklaringen zijn afgelegd had dit verwacht mogen worden. Het bewijsaanbod ten aanzien van [D] is daarmee te vaag om tot toewijzing van het verzoek te leiden.

2.11. Dit alles in overweging nemende brengen de eisen van de goede procesorde mee dat het verzoek tot heropening van het getuigen(tegen-)verhoor zal worden afgewezen. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol zodat partijen kunnen mededelen of zij conclusies na getuigenverhoor willen nemen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst het verzoek tot heropening van het getuigen(tegen-)verhoor af,

3.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 april 2011 voor het mededelen door beide partijen of zij conclusies na getuigenverhoor wensen te nemen. De zaak zal daarna op de rol komen van 18 mei 2011. Indien conclusies zijn gewenst zal er op die roldatum een conclusie na getuigenverhoor worden genomen door [C]. Indien partijen geen conclusies willen nemen zal er op die roldatum vonnis worden gewezen.

3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. Nyman en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2011.?