Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ0886

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
471857 / HA ZA 10-946
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking - verzoek op grond van artikel 36 lid 1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Verzoek vernietiging van de ten aanzien van verzoeker in het AMK-dossier verwerkte persoonsgegevens afgewezen.

Toetsingskader: artikel 55 en 56 Wet op de jeugdzorg (Wjz). De rechtbank acht het belang van het kind aanmerkelijk. Het belang van het kind bij bewaring van het AMK-dossier weegt zwaarder dan het belang van verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Kluwer Jeugd en Gezin 2011/603

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 471857 / HA RK 10-946

Beschikking van 24 februari 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

verzoeker,

gemachtigde mr. A.J. van der Sloot te Assen,

en

de stichting

STICHTING BUREAU JEUGDZORG AGGLOMERATIE AMSTERDAM,

ADVIES EN MELDPUNT KINDERMISHANDELING,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde S. Huisman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en Bureau Jeugdzorg worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlage, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2010;

- de tussenbeschikking van 18 november 2010, waarin een mondelinge behandeling is bepaald en [A] wordt gelast stukken te overleggen;

- de brief van mr. Van der Sloot met bijlagen van 8 december 2010;

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 januari 2011,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift, gehouden op 11 januari 2011.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1. [A] heeft een zoon genaamd [B], geboren op -- 1997. [B] woont bij zijn moeder en verblijft in het kader van een omgangsregeling elke twee weken een weekeinde bij [A].

2.2. Op 7 maart 2007 heeft Bureau Jeugdzorg een anonieme melding ontvangen van een vermoeden van kindermishandeling betreffende [B] op 6 maart 2007 bij [A] thuis. Bureau Jeugdzorg heeft naar aanleiding van deze melding een onderzoek ingesteld. Hangende dit onderzoek heeft de moeder van [B] geen medewerking aan de omgangsregeling verleend en heeft derhalve geen omgang tussen [A] en [B] plaatsgevonden.

2.3. Bij brief van 17 juli 2007 heeft Bureau Jeugdzorg [A], voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…) Het AMK concludeert dat lichamelijke mishandeling niet is bevestigd. Er zijn wel zorgen over de gemelde ruzies tussen u en uw vrouw. Hier zou geen sprake meer van zijn volgens u en uw vrouw.

Tevens heeft het AMK haar zorgen over de communicatie tussen u en de moeder van [B]. Voor kinderen is het van belang dat ouders elkaar respecteren en elkaar de zorg toe vertrouwen van hun kind. Het is belangrijk dat ouders samenwerken in de zorg om hun kind. Als hier geen sprake van is, kan dit schadelijk zijn voor het kind.

(…)”

2.4. In 2007 heeft [A] twee klachten bij de klachtencommissie van Bureau Jeugdzorg over de gang van zaken ingediend. De eerste klacht had betrekking op het feit dat [B] op 6 maart 2007 niet bij [A] verbleef, terwijl de melding zag op een vermoeden van kindermishandeling betreffende [B] bij [A] thuis. De klachtencommissie oordeelde dat Bureau Jeugdzorg naar aanleiding van de melding niet onzorgvuldig is geweest en zich aan het toepasselijk protocol heeft gehouden.

2.5. Bij brief van 31 juli 2007 heeft [A] Bureau Jeugdzorg verzocht het dossier betreffende [B] (hierna: het AMK-dossier) te vernietigen.

2.6. Op 20 maart 2008 heeft [A] zich tot de Nationale ombudsman gewend met een klacht over Bureau Jeugdzorg. Op verzoek van de Nationale ombudsman heeft op 16 september 2008 een gesprek tussen [A] en Bureau Jeugdzorg plaatsgevonden. Bureau Jeugdzorg heeft tijdens dit gesprek zonder duidelijke motivering te kennen gegeven het AMK-dossier niet te zullen vernietigen. [A] heeft op 27 november 2008 bij de Nationale ombudsman geklaagd, omdat naar zijn mening zijn verzoek tot vernietiging van het AMK-dossier mondeling en zonder duidelijke motivering is afgewezen.

2.7. Blijkens zijn rapport van 14 juli 2010 heeft de Nationale ombudsman zich onbevoegd geacht om over klachten betreffende de vernietiging van het AMK-dossier te oordelen, maar daarbij Bureau Jeugdzorg wel in overweging gegeven om [A] schriftelijk te berichten omtrent zijn verzoek tot vernietiging en deze beslissing te motiveren.

2.8. Bij brief van 25 augustus 2010 heeft Bureau Jeugdzorg het verzoek [A] tot vernietiging van het AMK-dossier afgewezen. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Bij afsluiten van ons onderzoek heeft het AMK de conclusie getrokken dat geen sprake was van lichamelijke mishandeling. Wel werden zorgen bevestigd in de vorm van strijd tussen u en uw partner en tussen ouders. Het AMK is van mening dat dit schadelijk is voor het kind. Wij achten de kans op herhaling reëel.

Het privacyreglement en het landelijk protocol van handelen Advies- en Meldpunt Kindermishandeling zijn op de wet Bescherming persoonsgegevens en de wet op de Jeugdzorg. Deze geven aan niet tot vernietiging over te gaan, als het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke, actuele of toekomstige situatie van kindermishandeling. Het dossier van uw zoon [B] valt onder deze bepaling. Het Advies- en Meldpunt Amsterdam zal het dossier van [B] volgens deze bepalingen dus niet kunnen vernietigen.

(…)”

2.9. Bureau Jeugdzorg heeft na 7 maart 2007 ten aanzien van [B] geen melding meer van een vermoeden van kindermishandeling ontvangen.

3. Het verzoek

3.1. Het verzoek is gegrond op artikel 36 lid 1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en strekt ertoe dat de rechtbank Bureau Jeugdzorg beveelt de ten aanzien van [A] in het AMK-dossier verwerkte persoonsgegevens te vernietigen. Aan dit verzoek legt [A] het navolgende ten grondslag.

3.2. [A] ervaart het handhaven van het AMK-dossier als een aantasting in zijn eer en goede naam. Tevens is het bewaren van het AMK-dossier niet in het belang van [B]. Niet valt in te zien welk belang is gediend bij het bewaren van het AMK-dossier en dat het bewaren ervan een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling. Het betreft immers een eenmalige melding van 3,5 jaar geleden. Daarbij komt dat de mishandeling volgens de melding heeft plaatsgevonden op een dag dat [B] helemaal niet bij [A] was. Fysieke mishandeling is niet aangetoond en dat er sprake is van geestelijke mishandeling wordt door [A] betwist. Door school en artsen zijn bovendien nimmer zorgen ten aanzien van [B] geuit, ook de afgelopen 3,5 jaar niet. Dat er een reële kans op herhaling is, wordt betwist. [A] begrijpt dan ook niets van de zorgen van Bureau Jeugdzorg die het bewaren van het dossier zouden moeten rechtvaardigen. De door de rechtbank te maken belangenafweging ex. artikel 56 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) dient derhalve ten gunste van [A] uit te vallen, aldus nog steeds [A].

4. Het verweer

4.1. Bureau Jeugdzorg verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en voert daartoe - kort gezegd - het volgende aan. Primair stelt Bureau Jeugdzorg zich op het standpunt dat het AMK-dossier op grond van artikel 55 lid 2 Wjz dient te worden bewaard, omdat het bewaren ervan een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling. Subsidiair voert Bureau Jeugdzorg aan dat het AMK-dossier ingevolge artikel 56 lid 2 Wjz dient te worden bewaard, omdat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bewaren van het AMK-dossier van aanmerkelijk belang is voor een ander dan [A]. Zowel [B] als Bureau Jeugdzorg heeft er namelijk belang bij dat het dossier niet wordt vernietigd, aldus Bureau Jeugdzorg.

5. De beoordeling

Bevoegdheid

5.1. Allereerst ligt voor de vraag of de rechtbank bevoegd is om van onderhavig verzoek kennis te nemen.

5.2. In artikel 36 lid 1 Wbp is geregeld dat de betrokkene aan wie kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke onder meer kan verzoeken deze te verwijderen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Ingevolge artikel 46 lid 1 Wbp kan de belanghebbende, indien de beslissing op het hiervoor bedoelde verzoek is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijke verzoek de verantwoordelijke te bevelen alsnog het verzoek toe te wijzen. Bureau Jeugdzorg is weliswaar een bestuursorgaan, maar de beslissing van 25 augustus 2010 om het AMK-dossier niet te vernietigen geldt op grond van artikel 105 Wjz als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan. De rechtbank acht zich derhalve bevoegd om van onderhavig verzoek kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

5.3. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek.

5.4. Gelet op het bepaalde in artikel 46 lid 2 Wbp dient een verzoek als het onderhavige binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke bij de rechtbank te worden ingediend. Gelet op hetgeen onder 2.6. tot en met 2.8. is overwogen wordt het ervoor gehouden dat partijen ervan uitgaan dat Bureau Jeugdzorg pas bij brief van 25 augustus 2010 heeft geantwoord op het verzoek om vernietiging van het AMK-dossier van 31 juli 2007. Nu het verzoekschrift op 6 oktober 2010 ter griffie is ingekomen, is het verzoekschrift tijdig ingediend.

Inhoudelijke beoordeling

5.5. Artikel 55 lid 2 Wjz bepaalt dat Bureau Jeugdzorg, voor zover deze de taken, bedoeld in artikel 10 lid 1 sub a, b en e Wjz, uitoefent, de bescheiden bewaart tot het jongste kind van het gezin waartoe de jeugdige behoort en met welk gezin het bureau bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden. Ingevolge artikel 10 lid 1 sub e Wjz heeft Bureau Jeugdzorg tot taak te fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling (hierna: AMK).

Op grond van het bepaalde in artikel 56 lid 1 juncto lid 2 Wjz vernietigt Bureau Jeugdzorg de door haar bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben, behoudens voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

5.6. De hiervoor aangehaalde artikelen 55 en 56 Wjz vormen het wettelijk kader voor de vraag of de in het AMK-dossier betreffende [A] verwerkte persoonsgegevens dienen te worden vernietigd. De rechtbank dient daarom te toetsen of de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan [A], alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. Aannemelijk gemaakt moet kunnen worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden. De rechtbank overweegt als volgt.

5.7. Bureau Jeugdzorg heeft aangevoerd dat haar handelswijze in overeenstemming is met het landelijk beleid dat gegevens pas op verzoek worden vernietigd indien geen sprake is van kindermishandeling. Zoals Bureau Jeugdzorg terecht betoogt is uit het onderzoek weliswaar de conclusie getrokken dat geen sprake is van lichamelijke mishandeling, maar niet dat geen kindermishandeling is geconstateerd. Bureau Jeugdzorg erkent dat [B] op 6 maart 2007 niet bij [A] is geweest. Tijdens het onderzoek zijn echter zaken naar voren gekomen die Bureau Jeugdzorg zorgen baarden, namelijk de strijd tussen [A] en zijn huidige partner - in 2006 en 2007 zijn bij de politie meldingen gedaan van huiselijk geweld tussen [A] en zijn huidige partner - en de communicatieproblemen tussen [A] en de moeder van [B]. Bureau Jeugdzorg heeft aangevoerd dat deze omstandigheden risicofactoren voor [B] zijn waarvan bovendien bekend is dat de kans op herhaling reëel is. Nu [A] in deze procedure naar voren heeft gebracht dat hij met de moeder van [B] een strikte omgangsregeling heeft en de communicatie met haar moeizaam en slechts schriftelijk verloopt, acht de rechtbank het op voorhand niet uitgesloten dat er zich in de toekomst opnieuw communicatieproblemen tussen de ouders van [B] voordoen, welke problemen [B] kunnen schaden. Alhoewel tijdsverloop een rol kan spelen voor de vraag of het AMK-dossier dient te worden vernietigd, doet het feit dat sinds 7 maart 2007 geen melding meer is gedaan, gelet op de huidige verstandhouding tussen de ouders van [B], daaraan niet af.

5.8. Het voorgaande overwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de toetsingsnorm weergegeven onder 5.6. is voldaan. Met Bureau Jeugdzorg is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [B] is om in een voorkomend geval op het AMK-dossier te kunnen terugvallen en te kunnen bekijken of er sprake is van herhaalde problematiek. De rechtbank acht het belang van [B] aanmerkelijk en zijn belang bij bewaring van het AMK-dossier weegt derhalve zwaarder dan het belang van [A], die zich door bewaring van het AMK-dossier voelt aangetast in zijn goede naam en eer. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat Bureau Jeugdzorg heeft verklaard dat in het AMK-dossier expliciet staat vermeld dat lichamelijke mishandeling niet is geconstateerd en Bureau Jeugdzorg heeft erkend dat [B] op 6 maart 2007 niet bij [A] verbleef.

5.9. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van Bureau Jeugdzorg tot op heden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris gemachtigde 452,00 (2,0 punten x tarief EUR 452,00 x

factor 0,5)

Totaal EUR 715,00

5.10. De rechtbank ziet aanleiding om deze beschikking op de voet van artikel 288 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), wat de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.11. Nu de gemachtigde van Bureau Jeugdzorg een afschrift van deze beschikking ontvangt, is [A] niet gehouden om Bureau Jeugdzorg op de voet van artikel 190 Rv een afschrift van deze beschikking te zenden.

5.12. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst het verzoek af,

6.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Bureau Jeugdzorg tot op heden begroot op EUR 715,00,

6.3. verklaart deze beschikking, wat de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2011.?