Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ0408

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
13/661226-10 RK nummer: 11/1483
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking in hoger beroep tegen het bevel tot plaatsing in het Pieter Baan Centrum in zedenzaak rechtbank Amsterdam.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 36c
Wetboek van Strafvordering 36e
Wetboek van Strafvordering 196
Wetboek van Strafvordering 197
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

BESCHIKKING IN HOGER BEROEP

Parketnummer: 13/661226-10

RK nummer: 11/1483

Gezien de akte rechtsmiddel tegen de beschikking van 7 maart 2011 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement Amsterdam, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 10 maart 2011, in de strafzaak van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedatum] 1983

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring [huis van bewaring]

Gezien de stukken, waaronder het dossier dat betrekking heeft op de voorlopige hechtenis van verdachte, alsmede de akte rechtsmiddel;

Gehoord op 31 maart 2011 in raadkamer de officieren van justitie mrs. F. Dekkers en M.C. Bienfait-van Kampen, verdachte, alsmede diens raadsman, mr. T. van der Goot;

36e Wetboek van Strafvordering (Sv)

De raadsman heeft betoogd dat de rechter-commissaris ten onrechte artikel 36e Sv als grondslag heeft genomen voor het bevel tot plaatsing in het Pieter Baan Centrum (PBC). Een dergelijke aanname staat volgens hem op gespannen voet met een arrest van het Gerechtshof Amsterdam (26 november 2008, LJN BG5371) en de specifieke wettelijke regeling zoals vastgelegd in artikel 196 Sv. Het gaat om een van de meest ingrijpende dwangmiddelen in de fase van het vooronderzoek waarvoor een specifieke wettelijke regeling is gecreëerd. Het past volgens de raadsman niet dat de rechter-commissaris daarnaast een eigen bevoegdheid heeft.

De officieren van justitie zijn van mening dat de rechter-commissaris de bevoegdheid had ambtshalve het bevel uit te vaardigen en dat een gerechtelijk vooronderzoek daarvoor niet noodzakelijk was.

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris wel degelijk op grond van artikel 36e Sv de bevoegdheid heeft een bevel tot plaatsing van verdachte in het PBC te geven. Artikel 36c Sv, dat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 36e Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard, geeft immers aan dat de bepalingen van de tweede tot en met vijfde afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek van overeenkomstige toepassing zijn, uitgezonderd een aantal uitdrukkelijk genoemde artikelen. De artikelen 196 en 197 Sv zijn niet uitgezonderd en derhalve van toepassing. Ook aan de overige voorwaarden genoemd in artikel 36e Sv is voldaan. De door de raadsman genoemde jurisprudentie van het Gerechtshof Amsterdam werpt geen ander licht op de zaak, nu het genoemde arrest ziet op de situatie dat het onderzoek ter terechtzitting reeds was aangevangen, hetgeen ten tijde van het verlenen van het onderhavige bevel van de rechter-commissaris nog niet het geval was. De rechtbank ziet voorts niet in waarom een bevel tot observatie gegeven in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek uit het oogpunt van rechtsbescherming is te verkiezen boven een bevel in het kader van een procedure gebaseerd op artikel 36e Sv. Beide procedures zijn immers met dezelfde waarborgen omkleed.

Rapport psychiater [psychiater] van het NIFP

Volgens de raadsman vormt het rapport van de psychiater [psychiater] van 29 december 2010 een te wankele basis voor het bevel observatie, nu er door de rapporteur geen aanwijzingen zijn gevonden voor een acuut ernstig psychiatrisch toestandbeeld.

De rechtbank constateert dat de psychiater [psychiater] in zijn rapport van 29 december 2010 heeft geconcludeerd tot klinische observatie van verdachte in het PBC. Hij heeft daarbij opgemerkt dat er in het beperkte onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor een acuut ernstig psychiatrisch toestandbeeld bij verdachte. Hij sluit een onderliggende ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens echter niet uit. Bij zijn advies om verdachte in het PBC te plaatsen heeft hij tevens de weigering van verdachte betrokken om aan het psychiatrisch consult mee te werken. Aldus heeft de rechter-commissaris voorafgaande aan het geven van het bevel voldaan aan een van de vereisten van artikel 197 Sv, te weten het inwinnen van advies van een of meer deskundigen.

Niet nodig is dat voorafgaande aan het bevel reeds vast dient te staan dat sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, omdat immers de beoogde opname in het PBC er juist toe strekt een onderzoek daarnaar mogelijk te maken.

Noodzakelijkheid bevel

De raadsman is voorts van mening dat de noodzakelijkheid van het onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ontbreekt, nu hij te kennen heeft gegeven hieraan geen medewerking te willen verlenen.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verdachte geen medewerking aan de observatie wil verlenen, niet met zich brengt dat deze observatie bij voorbaat zinloos is. Ook een weigerachtige verdachte kan worden geobserveerd, terwijl bovendien aan verdachte de gelegenheid geboden kan worden om de redenen van weigering met de deskundigen te bespreken. De weigering van verdachte om zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn geestvermogens, kan er dan ook niet toe leiden dat de noodzaak tot dit onderzoek komt te ontvallen.

Artikel 8 EVRM en Nemo tenetur beginsel

De raadsman acht het bestreden bevel in strijd met artikel 8 EVRM, nu de rechter-commissaris - gezien de weigering van verdachte om aan het onderzoek mee te werken - te lichtvaardig tot het verlenen daarvan is overgegaan.

Voorts staat het beginsel dat een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken naar de mening van de raadsman op gespannen voet met het door de rechter-commissaris gegeven bevel tot plaatsing in het PBC. Tenslotte vallen ook pro justitia rapportages onder de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomsten (WGBO), zodat opname in het PBC alleen met toestemming van verdachte kan geschieden.

De officieren van justitie hebben er op gewezen dat de wetgever uitdrukkelijk heeft voorzien in de mogelijkheid van een gedwongen observatie van een weigerende verdachte. Gezien de daaraan ten grondslag liggende belangen achten zij deze wettelijke regeling in overeenstemming met het EVRM. Van enige strijd met de WGBO is geen sprake.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het bevel tot plaatsing van verdachte in het PBC een inbreuk vormt op de in artikel 8, eerste lid, EVRM gewaarborgde rechten. Deze inbreuk is echter gerechtvaardigd op grond van het tweede lid van dit artikel, nu de inbreuk bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank is niet gebleken dat de rechter-commissaris bij uitvaardiging van het bevel de belangen van verdachte in onvoldoende mate bij haar afweging heeft betrokken of anderszins lichtvaardig tot haar beslissing is gekomen.

Het Wetboek van Strafvordering geeft in de artikelen 196 e.v. een expliciete regeling die er toe strekt om een verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen en waarbij aan de overige voorwaarden is voldaan, ter observatie over te brengen naar een inrichting tot klinische observatie bestemd. Hoewel bij de afweging om een bevel tot klinische observatie uit te vaardigen de omstandigheid dat verdachte al dan niet aan een dergelijke observatie wenst mee te werken kan worden betrokken, is instemming van verdachte niet vereist. Het betreft immers een dwangmiddel, dat naar zijn aard niet afhankelijk is van de medewerking van de betrokkene. Nu dit dwangmiddel gebaseerd is op de wet, en bij de toepassing de wettelijke waarborgen in acht zijn genomen, kunnen “behandelingsovereenkomsten” zoals geregeld in de WGBO en artikel 7:450 Burgerlijk Wetboek hier niet aan in de weg staan. Een toestemmingsvereiste van de patiënt, is dan ook niet aan de orde.

De rechter-commissaris heeft in haar voormelde beschikking in voldoende mate tot uitdrukking laten komen dat het onderzoek naar de geestesvermogens van verdachte niet voldoende op andere wijze kan plaatsvinden;

Tot slot is ook overigens voldaan aan de vereisten in de artikelen 196 en 197 Sv;

BESCHIKKENDE:

BEKRACHTIGT de beschikking waarvan beroep

Aldus gedaan op 6 april 2011 door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. M.J. Diemer en G.M. Boekhoudt, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier.