Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9753

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
AWB 09-718 WW44, AWB 09-727 WW44, AWB 09-762 WW44 en AWB 09-763 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunning op grond van Monumentenwet verleend aan de Universiteit van Amsterdam voor het slopen van twee rijksmonumenten op het Binnengasthuisterrein te Amsterdam (het Zusterhuis en de Tweede Chirurgische Kliniek). Geen afweging gemaakt van het belang bij het behoud van het monument ten opzichte van het belang van de Universiteit bij sloop. Alleen gemotiveerd waarom de Universiteit belang heeft bij nieuwbouw. Stelling dat er geen geschikt alternatief is niet goed onderzocht. Bij onderzoek naar alternatief uitgegaan van ander, veel groter, volume van het bouwplan. Niet duidelijk of sloop noodzakelijk is. Niet in de belangenafweging is betrokken of de sloop ten behoeve van een nieuwe bibliotheek nog nodig is in het licht van de digitalisering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/718 WW44, AWB 09/727 WW44, AWB 09/762 WW44 en

AWB 09/763 WW44

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

In de zaken tussen:

1. de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres 1,

gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2],

2. de Vereniging Openbaar en Leefbaar Binnengasthuisterrein e.o.

gevestigd te Amsterdam,

eiseres 2,

gemachtigde: mr. H.A. Sarolea,

3. de initiatiefgroep Burgwallen Zuid,

verenigd in Amsterdam,

eiseres 3,

gemachtigde: mr. H.A. Sarolea,

4. het Cuypersgenootschap,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres 4,

gemachtigden: [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4],

5. de Bond Heemschut,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres 5,

gemachtigden: [gemachtigde 4] en [gemachtigde 5],

tezamen te noemen: eisers,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

de Universiteit van Amsterdam (UvA),

gevestigd te Amsterdam,

vergunninghoudster,

vertegenwoordigd door mr. T. Barkhuysen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft verweerder aan de UvA een monumentenvergunning verleend voor het slopen van het Zusterhuis en het vrijwel geheel slopen van de Tweede Chirurgische Kliniek, beide gelegen op het zogenaamde Binnengasthuisterrein te Amsterdam.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft verweerder het besluit van 12 januari 2009 gewijzigd en aangevuld.

Eisers hebben te kennen gegeven dat hun beroepen zich tevens richten tegen het besluit van

9 juli 2009.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2010. Eiseres 1 is ter zitting vertegenwoordigd door mr. S. Levelt en [gemachtigde 2]. Eiseres 2 en 3 zijn ter zitting vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, drs. [gemachtigde 4] en [persoon 1]. Eiseres 4 is ter zitting vertegenwoordigd door mr. E.C.H. Lisser en prof. dr. [persoon 2]. Eiseres 5 is ter zitting vertegenwoordigd door drs. [gemachtigde 3] en drs. [gemachtigde 5]. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. L.C. van Elewoud en ing. [persoon 3]. Vergunninghoudster is ter zitting vertegenwoordigd door mr. T. Barkhuysen, [persoon 4], [persoon 5] en [persoon 6].

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om een aantal stukken in het geding te brengen en schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken. Van die gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt. Eisers hebben vervolgens gereageerd op die stukken en inlichtingen van verweerder. Daarna heeft de vergunninghouder gereageerd op die reacties van eisers. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. De aanvraag voor de monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet, bij verweerder ingekomen op 30 juni 2008, heeft betrekking op het geheel slopen van het Zusterhuis en op het vrijwel geheel slopen van de Tweede Chirurgische Kliniek, met behoud van een deel van de buitenmuur aan de Nieuwe Doelenstraat. Door de sloop zal een binnenhof verdwijnen dat door deze gebouwen wordt omsloten. De UvA is voornemens om na de sloop een nieuw gebouw op te richten met een omvang van circa 12.700 m2 brutovloeroppervlakte (bvo) bovengronds en circa 7.235 m2 bvo ondergronds.

2. Bij besluit van 13 juli 2001 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het Binnengasthuiscomplex te Amsterdam en de samenstellende onderdelen ervan aangewezen als beschermd rijksmonument. Daarbij is het volgende overwogen:

“Voormalige Tweede Chirurgische Kliniek met Zusterhuis van algemeen belang vanwege cultuurhistorisch en architectuurhistorische waarde alsmede van typologische waarde. Zusterhuis van stedenbouwkundige waarde als noordwestelijke coulissewand aan Nieuwe Doelenstraat en Kloveniersburgwal. Tevens van belang als onderdeel van het voormalige Binnengasthuiscomplex.”

“Voormalig Binnengasthuiscomplex van algemeen belang vanwege cultuur- en medische-historische waarde als uiting van de ontwikkeling van de schaalvergroting en modernisering van de in oorsprong oude ziekenhuizen aan het eind van de 19de eeuw. Tevens van belang als in de binnenstad inmiddels uniek en enig overgebleven groot ziekenhuis. Het complex vertegenwoordigt voorts een stedenbouwkundige waarde als zuidelijke afsluiting van de Oude Zijde.”

Bij brief van 14 juli 2010 heeft verweerder een uittreksel uit de Objecten Databank van het Monumentenregister overgelegd met een uitgebreidere omschrijving van de te slopen gebouwen.

3. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge artikel 16 legt het college in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 voor advies voor aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de gevallen, bedoeld in de eerste volzin, zendt het college onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. De gevallen, bedoeld in de eerste volzin, kunnen onder meer betreffen het afbreken van een beschermd monument en het reconstrueren van een beschermd monument.

4. De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuur en Monumenten (verder: de Rijksdienst) heeft namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Monumenten, op 11 september 2008 advies uitgebracht en concludeert het volgende:

“Het dichtbouwen van de bestaande open binnenruimte, zoals thans omsloten door de Tweede Chirurgische Kliniek en het Zusterhuis is echter wel zeer ongewenst. Hierdoor ontstaat een verder verlies van de identiteit van het gebied, gevormd door de gesloten hovenstructuur. De bijzondere kwaliteiten van het Binnengasthuisterrein kenmerken zich ten eerste door de huisvesting van het 19e eeuwse ziekenhuiscomplex, een zeldzaamheid waaraan vele befaamde architecten uit die periode hun bijdrage hebben geleverd. Ten aanzien van de Tweede Chirurgische Kliniek kan worden gesteld dat het om veel meer gaat dan een eenvoudig bakstenen gebouw. Architectuurhistorisch gezien gaat het om een interessant voorbeeld van een combinatie van traditie en vooruitgang: het vormt een schakel tussen de negentiende en twintigste eeuwse architectuur. Stedenbouwkundig maakt het gebouw onlosmakelijk deel uit van het complex van hospitaal en gastgebouwen uit deze periode en is het een belangrijke vormgever van de openbare ruimtes in het gebied. Alleen door dit gebouw valt nog te begrijpen hoe het Binnengasthuisterrein was ingedeeld. Verwijdering hiervan leidt tot een onherroepelijk verlies van een architectuurhistorische interessant gebouw alsmede van een in ruimtelijk opzicht goed in de structuur passend gebouw. Ten tweede is ook de bijzondere structuur van het Binnengasthuisterrein uniek, ontstaan door een geïsoleerde ligging als gevolg van een gesloten bebouwingsrand waarbinnen de gebouwen zijn ingepast in combinatie met pleinachtige ruimtes, binnenhoven en doorgangen (hovenstructuur). Deze structuur zou voor de identiteit van het gebied intact moeten blijven of mogelijk weer versterkt worden. (..).

De nieuwbouw voor de faculteitsbibliotheek laat op hoofdlijnen een gedegen ontwerp zien waarbij veel aandacht is besteed aan inpassing in het gebied en het verfijnen van de architectuur van een massaal gebouw. Van het begin af aan lijkt het programma echter te groot geweest om nieuwbouw op deze plek te realiseren die recht kan doen aan zowel de bestaande monumentale bebouwing als aan handhaving c.q. versterking van de karakteristieke hovenstructuur. De inspanningen die voor het ontwerp zijn verricht rechtvaardigen naar mijn mening dan ook niet het doen verdwijnen van een gebouw van sociaal-cultuurhistorisch en architectuurhistorisch nationaal belang. Gelet op het bovenstaande bestaan er vanuit het oogpunt van monumentenzorg ernstige bezwaren tegen de uitvoering van het hierboven beoordeelde plan en adviseer ik u derhalve negatief.”

5. De Commissie voor welstand en monumenten (verder: de monumentencommissie) heeft op 24 september 2008 advies uitgebracht, met als conclusie:

“Pro forma maakt de commissie bezwaar tegen het slopen van de Chirurgische Kliniek en de gedeeltelijke sloop van het Zusterhuis, aangezien zij in haar hoedanigheid als monumentencommissie niet positief kan adviseren op de sloop van rijksmonumenten. (..) De commissie respecteert met enige spijt de beslissing van het dagelijks bestuur en gaat over tot de beoordeling van het plan. Hierbij wordt ingezet op het maximaal behoud van de monumentale waarden van het resterende deel van het Zusterhuis. De commissie maakt bezwaar tegen het verwijderen van de trappenhuizen in het Zusterhuis en in het aangrenzende pand. De verschillende functies dienen zo gerangschikt te worden dat de trappen behouden blijven en het belendende pand ongemoeid blijft. Het uitzagen van de ramen van de achtergevel is een functionele ingreep. Gezien het feit dat de achtergevel met de nieuwbouw niet meer als zodanig te ervaren is, is de ingreep acceptabel. Ook het opdikken van de wanden in verband met installaties acht de commissie derhalve acceptabel.”

6. Bij besluit van 12 januari 2009 heeft verweerder de monumentenvergunning verleend. Verweerder heeft in reactie op de ingediende zienswijzen gesteld daarin geen nieuwe feiten of omstandigheden te onderkennen, die een andere afweging zouden rechtvaardigen. Voorts heeft verweerder inhoudelijk verwezen naar zijn principebesluit/de notitie van 25 maart 2008, getiteld: “Binnengasthuisterrein, een nieuwe bibliotheek voor de Universiteit van Amsterdam” en naar het besluit van 16 december 2008, waarin het principebesluit van 25 maart 2008 is herbevestigd.

7. Nadat door eisers tegen dit besluit beroep was ingesteld, heeft verweerder bij besluit van 9 juli 2009 het besluit van 12 januari 2009 gewijzigd. In dit besluit is verweerder alsnog inhoudelijk op de zienswijzen van eisers ingegaan. Daarin heeft verweerder gesteld dat de in het ontwerp-besluit gebruikte argumenten, die een inhoudelijke reactie inhielden op de uitgebrachte adviezen van de Rijksdienst en de monumentencommissie, niet langer meer aan het besluit van 12 januari 2009 ten grondslag worden gelegd. Ook de aan het ontwerp-besluit ten grondslag gelegde notitie van 25 maart 2008 ligt niet langer ten grondslag aan het besluit van 12 januari 2009. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een afweging dient te worden gemaakt tussen het belang van de aanvrager bij uitvoering van het plan en het belang van het monument bij behoud. In dit kader heeft verweerder bij het besluit van 9 juli 2009 aanvullend het volgende overwogen. Beoordeeld moet worden het plan zoals dat is aangevraagd. Zoals blijkt uit de deskundigenadviezen is met het behoud van de monumenten een groot belang gediend. Het belang van de UvA komt samengevat neer op het volgende. De UvA heeft eeuwenoude wortels in de binnenstad en wil duidelijk herkenbare universiteitsvestigingen. Interactie met de stad is een onlosmakelijk deel van het academische leven, zeker voor Geesteswetenschappen. Sinds de UvA in 1996 zelf verantwoordelijk is geworden voor haar huisvesting heeft zij een huisvestingsprogramma opgesteld. De universitaire huisvesting is een speerpunt van het beleid van de UvA. De kern van het beleid is de vorming van vier clusters, waaronder een Alfacluster voor de faculteit Geesteswetenschappen, Humaniorabibliotheek, musea en culturele en ceremoniële activiteiten in de oude binnenstad. Het Alfacluster dient te worden gehuisvest op het BG-terrein. De nieuwe bibliotheek dient ter vervanging van de faculteitsbibliotheek verspreid over elf locaties. Veel van de gebouwen voldoen niet meer aan de eisen en de verspreiding brengt hoge kosten met zich. De nieuwe bibliotheek zal dienen als faculteitsbibliotheek voor de boekencollectie en primaire faculteiten en als Universiteitsbibliotheek voor de algemene faculteiten. Dit laatste wordt een “learning centre”, waar de functies informatiecentrum, educatief centrum, mediacentrum, studiecentrum en ontmoetings- en communicatiecentrum elkaar kunnen versterken. De UvA heeft laten onderzoeken of het ingekrompen programma in de bestaande bebouwing gerealiseerd zou kunnen worden. Dit bleek onmogelijk. Ook constructief bleken de gebouwen in hun huidige vorm niet geschikt voor de vereiste vloerbelasting. Alternatieve locaties zijn onderzocht waarbij geen van de alternatieven geschikt bleken te zijn. Het BG-terrein is de enige geschikte en beschikbare locatie in de binnenstad en is in eigendom van de UvA. Gelet op voornoemde belangen is verweerder van oordeel dat het belang van de UvA in dit geval zwaarder weegt dan het belang dat is gediend met het behoud van de monumenten. Om die reden kan volgens verweerder in afwijking van de adviezen van de Rijksdienst en de monumentencommissie de gevraagde monumentenvergunning tot sloop worden verleend.

8. Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2002, het bestemmingsplan “Binnengasthuisterrein e.o.” vastgesteld. Zoals blijkt uit de toelichting bij dit bestemmingsplan is daarin rekening gehouden met de aanwijzing van de binnenstad van Amsterdam tot beschermd stadsgezicht bij besluit van 29 januari 1999, met de aanwijzing van het Binnengasthuisterrein als geheel en de afzonderlijk onderdelen als rijksmonument en met het voornemen van de UvA om Geesteswetenschappen op het terrein te clusteren en een faculteitsbibliotheek op het Binnengasthuisterrein te bouwen.

9.1 Eisers stellen in beroep dat verweerder - gelet op de negatieve adviezen van de Rijksdienst en de monumentencommissie - aan het belang van de UvA niet een groter gewicht had mogen toekennen dan aan het belang van het behoud van de monumentale waarden van de gebouwen. Door de sloop wordt de historische binnenstad gemutileerd. Eiseres sub 1 heeft bij de gronden van beroep een rapport van dr. G. Vermeer van de Universiteit van Amsterdam overgelegd, waarin deze onder meer concludeert dat de ensemblewaarde van het Binnengasthuisterrein door de sloop verloren zou gaan. Eiseres sub 4 heeft in beroep adviezen van prof. Dr. [persoon 2] en cultuurhistorica J. Bierenbroodspot-Rudolph overgelegd. Volgens eisers is sloop niet de enige mogelijkheid. Er zijn alternatieven voor de UvA voorhanden, maar verweerder en de UvA hebben deze nooit serieus onderzocht en er is ook geen gedegen en onafhankelijk onderzoek naar verricht. Inmiddels zijn de uitgangspunten die aan het bouwplan ten grondslag lagen bovendien achterhaald. De Oudemanhuispoort krijgt een algemeen universitaire functie, de UB komt elders, door de digitalisering zal er binnenkort geen behoefte meer zijn aan grote bibliotheken en de voorziene bibliotheek wordt een studiehuis, die goed kan worden ondergebracht in de te slopen gebouwen, aldus eisers.

9.2 Verweerder stelt dat de omstandigheid dat de beide gevraagde adviezen negatief zijn niet betekent dat verweerder niet anders kan dan de vergunning te weigeren. Anders dan de Rijksdienst moet verweerder alle belangen afwegen. De Rijksdienst kijkt vanzelfsprekend alleen naar het belang van het behoud van het monument. In het besluit van 9 juli 2009 is aangegeven waarom het belang van de UvA in dit geval zwaarder weegt dan het belang dat is gediend met het behoud van de monumenten, aldus verweerder.

9.3 De UvA stelt dat verweerder een grote vrijheid toekomt bij de te verrichten belangenafweging, mits deze goed wordt gemotiveerd, en dat aan de bestuursrechter slechts een terughoudende rechtmatigheidstoetsing toekomt. Volgens de UvA heeft verweerder terecht ook andere belangen meegewogen dan louter het belang van de bescherming van de tot rijksmonument aangewezen gebouwen. Door de UvA is een rapport overgelegd van Urban Fabric van 2 december 2009, opgesteld door onder meer prof.dr.ir. P. Meurs, waarin erop wordt gewezen dat het complex nooit als een stuk is gebouwd, dat de redenomgevende beschrijving voor de gebouwen algemeen en beperkt is, en dat bij aanwijzing tot rijksmonument vooral de Tweede Chirurgische Kliniek overbedeeld is. Bij brief van 18 oktober 2010 gaat Meurs verder nog in op de voorgeschiedenis van het bouwplan en stelt Meurs dat het niet ongebruikelijk is om bij transformatie van ensembles en gebieden in te stemmen met de sloop van gebouwen en gebouwdelen, omdat de stad geen gestolde vorm is maar een dynamisch geheel.

10. De rechtbank overweegt het volgende.

10.1 Het besluit van 9 juli 2009 tot wijziging en aanvulling van het besluit van 12 januari 2009 zal met toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling worden betrokken. De besluiten zullen gezamenlijk als “bestreden besluit” worden aangeduid.

10.2 Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juli 2008, LJN: BD8902, beschikt het gemeentebestuur bij het al dan niet verlenen van een monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11 Monumentenwet 1988 over een discretionaire bevoegdheid. Zoals de Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van 30 mei 2007, LJN: BA6020, komt bij het aanwenden van deze discretionaire bevoegdheid grote betekenis toe aan het ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 verplichte advies van de Rijksdienst, die bij uitstek deskundig is en betrokken is geweest bij de aanwijzing als rijksmonument. Zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2007, LJN: AZ6881, rust op verweerder een zware motiveringsplicht om tot vergunningverlening over te gaan in afwijking van een negatief advies van de Rijksdienst.

10.3 De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in afwijking van een ernstig bezwaar van de Rijksdienst en een “pro forma” bezwaar van de monumentencommissie, in redelijkheid kan worden overgegaan tot sloop van de twee rijksmonumenten die onderdeel zijn van een ook als complex aangewezen rijksmonument. Verweerder beperkt zich in het bestreden besluit voor wat betreft de monumentale waarden van de te slopen gebouwen tot de stelling dat met behoud van deze monumenten een groot belang wordt gediend. Daarna gaat verweerder uitvoerig in op het belang van de UvA, en concludeert verweerder dat dit belang zwaarder weegt. Een kenbare afweging van het belang tot behoud van de te slopen gebouwen en de aantasting van het Binnengasthuiscomplex tegenover het belang van de UvA ontbreekt in het bestreden besluit.

10.4 De door de UvA overgelegde adviezen van Urban Fabric kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat verweerder aan het advies van de Rijksdienst slechts een beperkte betekenis zou moeten toekennen. In dit verband is allereerst van belang dat Urban Fabric vooral ingaat op de waarde van de nieuwbouw en nauwelijks op de monumentale waarden van de te slopen gebouwen en van het complex als geheel.

De Rijksdienst heeft uitvoerig gemotiveerd waarom de Tweede Chirurgische Kliniek monumentale waarden bezit. Zoals eiseres sub 4 met adviezen van prof. Dr. [persoon 2] en cultuurhistorica J. Bierenbroodspot-Rudolph heeft opgemerkt, is de loutere stelling van Urban Fabric dat de Tweede Chirurgische Kliniek met de aanwijzing tot rijksmonument “overbedeeld” wordt, alsdan niet overtuigend.

Ook de stelling van Urban Fabric dat er eerdere ingrepen en veranderingen aan het complex zijn verricht, leidt niet tot de stelling dat verdere ingrepen gerechtvaardigd zouden zijn, omdat deze stelling de huidige inzichten bij behoud van unieke historische gebouwen miskent, zoals Bierenbroodspot heeft opgemerkt.

Daarnaast miskent Urban Fabric in de notitie van 18 oktober 2010, zoals eisers terecht hebben opgemerkt, dat de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling, de monumentencommissie en de Rijksdienst al in 2000 hebben aangegeven grote twijfels te hebben over massale nieuwbouw op deze te kleine en gevoelige locatie. Uit de stukken blijkt dan ook niet dat van de zijde van deze deskundigen en van de zijde van de gemeenteraad de suggestie is gewekt dat men enthousiast was over de sloop van de twee gebouwen en dat medewerking aan die sloop zou worden gegeven, zoals door de UvA en Urban Fabric is gesuggereerd.

10.5 Voor wat betreft het advies van de monumentencommissie van 24 september 2008 is de rechtbank bovendien van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen genoegen had mogen nemen met dit advies. De overweging in dit advies dat de monumentencommissie “pro forma bezwaar maakt tegen het slopen” maar dat de “commissie de beslissing van het dagelijks bestuur respecteert” roept vragen op over de afstand tussen het gemeentebestuur als opdrachtgever en deskundigencommissie als adviseur, terwijl als gevolg daarvan een inhoudelijk deskundigenadvies van de monumentencommissie over de aanvaardbaarheid van de inbreuk op de aanwezige monumentale waarden ontbreekt. Het uitbrengen van een advies daarover was juist van belang omdat de Amsterdamse Raad voor de Monumenten op 11 juli 2000, de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling op 5 juli 2000, de monumentencommissie op 16 mei 2000 en de Rijksdienst al in 2000 grote bedenkingen tegen grootschalige sloop op het Binnengasthuisterrein hadden geuit. In het dossier is geen aanwijzing te vinden dat de monumentencommissie zijn eerdere negatieve standpunt heeft bijgesteld. Nu het bestreden besluit in het geheel niet ingaat op het “pro forma” bezwaar en het ontbreken van een afgewogen advies van de monumentencommissie, is het bestreden besluit ook op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.

10.6 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het belang van de UvA in redelijkheid dient te prevaleren. Verweerder wijst op de keuze van de UvA om faculteiten en bibliotheken te clusteren, om in de binnenstad te blijven, om te bouwen op grond die al in eigendom is van de UvA en om af te komen van het probleem van verouderde gebouwen die niet voldoen aan de eisen van de tijd.

De loutere keuze van de UvA voor clustering dan wel voor een bibliotheek op het Binnengasthuisterrein is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het belang van de UvA zwaarwegend te maken. Dit zou anders kunnen zijn als, zoals verweerder ook stelt, er geen geschikt alternatief voor de gewenste bibliotheek is.

Allereerst maakt de rechtbank de kanttekening dat verweerder en de UvA niet duidelijk hebben aangegeven wat nu precies ter plaatse gewenst wordt: louter een faculteitsbibliotheek geesteswetenschappen of ook andere onderdelen van de faculteit, dan wel gecombineerd met een algemene bibliotheek en/of een algemene studieruimte. Het is dan ook niet duidelijk in hoeverre de keuze voor de bvo van ruim 19.000 m2, die volgens verweerder in 2001 is gemaakt, ten tijde van de aanvraag in juni 2008, nog actueel was. Dit belemmert thans een goed oordeel over de vraag of inderdaad geen geschikt alternatief voor de gewenste functie en vloeroppervlakte aanwezig was en is.

10.7 Uitgaande van de door de UvA gewenste oppervlakte van ruim 19.000 m2 verwijst verweerder, ter motivering van de stelling dat er geen geschikt alternatief voor de bibliotheek is, in het verweerschrift naar:

a. zijn besluiten van 12 januari 2009 en 9 juli 2009: daarin is die motivering niet te vinden;

b. het raadsbesluit van 19 september 2001: daarin besluit de raad in beginsel medewerking te verlenen aan een bibliotheek op het Binnengasthuisterrein en stemt het in met het opstellen van een bestemmingsplan voor het Binnengasthuisterrein. Kennelijk doelt verweerder hiermee op de in dat kader uitgevoerde “quick scan” naar andere locaties, die uitging van een ruimtebehoefte van 58.900 m2, aldus verweerder in zijn antwoordbrief van 7 september 2010. Aangezien nu wordt uitgegaan van een oppervlakte van ruim 19.000 m2 in totaal is deze quick scan niet representatief te achten. In de voordracht aan de raad stelt verweerder dat het gebouw De Bazel (ABN AMRO) aan de Vijzelstraat 32, op loopafstand van het BG-terrein, een geschikt alternatief is, maar dat dit door de UvA op “principiële en praktische” gronden is afgewezen. Dit gebouw had een bvo van ongeveer 28.000 m2, zodat een geschikt alternatief op dat moment aanwezig leek te zijn.

c. de Eindrapportage Stedenbouwkundige Verkenning Binnengasthuisterrein van oktober 2000, waaruit blijkt dat is gekeken naar andere locaties voor de vestiging van het cluster Universiteitsbibliotheek en faculteit der Geesteswetenschappen dan wel Universiteitsbibliotheek: ook dit rapport lijkt geen betrekking te hebben op het thans voorziene bouwplan, dat een kleinere ruimtebehoefte heeft dan de 27.000 m2 voor de Faculteit en de 25.700 m2 voor de Universiteitsbibliotheek, waarvan in dat rapport werd uitgegaan.

d. de brief van de UvA van 28 februari 2007 met bijlagen, waaronder de Notitie behorende bij de beginselaanvraag nieuwbouw: in deze notitie verwijst de UvA naar de quick scan en stelt dat het gehele programma niet in De Bazel kon worden ondergebracht en dat dit gebouw constructief niet geschikt zou zijn. Daarbij valt op dat de UvA niet het bedrijfsvloeroppervlakte noemt waarvan wordt uitgegaan. Gelet op de omstandigheid dat het programma voor de Bibliotheek in 2001 is verkleind tot 19.785 m2, omdat de centrale functie van de Universiteitsbibliotheek uit het programma is gehaald, kan aan het eerste uitgangspunt (onvoldoende ruimte) getwijfeld worden, nu De Bazel een vloeroppervlakte van circa 28.000 m2 had. Ook kan, nu het Stadsarchief nadien in dat gebouw is ondergebracht, betwijfeld worden of De Bazel constructief niet geschikt was voor een bibliotheek.

10.8 De UvA heeft bij brief van 26 oktober 2010 een onderzoek van Aestate ingebracht, waaruit blijkt dat de bibliotheek Geesteswetenschappen qua vloeroppervlakte niet past in de te slopen gebouwen. Afgezien van de omstandigheid dat het bestreden besluit niet op dit onderzoek steunt, is hier uitsluitend onderzocht of het gewenste bvo van ruim 19.000 m2 past in de bestaande bebouwing en dus niet of er een geschikt alternatief aanwezig is.

10.9 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk onderzocht of er voor het thans gewenste volume van het bouwplan met de thans gewenste functie van het bouwplan een geschikt alternatief aanwezig is en of sloop daardoor noodzakelijk is. Dit betekent dat verweerder ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het belang van de UvA, vooral ingegeven door eigen huisvestingskeuzes, zo zwaarwegend is dat dit in redelijkheid zwaarder moet wegen dan het belang tot behoud van de monumentale waarden van de betreffende gebouwen.

10.10 De rechtbank is verder met eisers van oordeel dat verweerder ten onrechte niet in de belangenafweging heeft betrokken de vraag of de inbreuk op de monumentale waarden in redelijkheid gerechtvaardigd kan worden geacht in het licht van de digitalisering. Dit is te meer nodig nu de UvA de keuze voor de gewenste omvang in 2001 heeft gemaakt, de aanvraag om een monumentenvergunning eerst in 2007 is ingediend en het bestreden besluit eerst in 2008 is genomen, zodat niet duidelijk is of de destijds gewenste omvang, gelet op de door de digitalisering mogelijk veranderde behoefte aan boekenopslag in een klassieke bibliotheek, nog steeds noodzakelijk is. Denkbaar is dat de functie van “learning centre” en digitale bibliotheek in de bestaande gebouwen kan worden ondergebracht en dat de opslag van (het merendeel van) de boeken elders, ook buiten de binnenstad, plaatsvindt. Nu dit niet is onderzocht, is niet duidelijk of de sloop van deze twee gebouwen echt noodzakelijk is. Verweerder is niet ingegaan op deze vraag en ook de UvA heeft in de laatste reactie de stellingen van eisers, te weten dat de UvA zelf inmiddels van andere uitgangspunten voor de bibliotheek uitgaat dan in 2001, onbesproken gelaten.

11. De rechtbank gaat verder niet in op de stellingen van partijen over het beschermde stadsgezicht en de vraag of niet gelijktijdig een sloopvergunning als bedoeld in artikel 37 Monumentenwet 1988 (oud) had moeten worden aangevraagd, omdat dit buiten de omvang van dit geding valt. Hetzelfde geldt voor de stellingen die betrekking hebben op de vraag of het bouwplan voor de nieuwe bibliotheek aanvaardbaar is, onder meer voor wat betreft de hoogte daarvan. Deze stellingen dienen te worden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag om (bouwvergunning en) vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud), welke aanvraag is ingediend.

12. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zullen gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb worden vernietigd.

13. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 december 2008, LJN BG6401, heeft overwogen, dient de rechtbank, ingeval een besluit wordt vernietigd, de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Gelet op de omstandigheid dat verweerder in dit stadium niet alleen de mogelijkheid heeft het motiveringsgebrek te herstellen maar ook om daar van af te zien, ziet de rechtbank geen aanleiding de bestuurlijke lus toe te passen.

14. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eisers sub 2 en 3 voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken.

De rechtbank begroot deze kosten op € 966 (2 punten à € 322 per punt voor indienen van beroepschriften tegen de twee besluiten die samen het bestreden besluit vormen, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder het door alle eisers betaalde griffierechten aan hen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eisers gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 12 januari 2009 en het besluit tot wijziging en aanvulling van dat besluit van 9 juli 2009;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres sub 1 betaalde griffierecht van

€ 288 aan haar vergoedt;

- bepaalt dat verweerder het door eisers sub 2 en 3 gezamenlijk betaalde griffierecht van € 288 aan hen vergoedt;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres sub 4 betaalde griffierecht van € 288 aan haar vergoedt;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres sub 5 betaalde griffierecht van € 288 aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 966, te betalen aan eisers sub 2 en sub 3.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. A. Belcheva en

A.J. Bongers-Scheijde, leden, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

te ‘s-Gravenhage

Afschrift verzonden op:

D: B

SB