Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9687

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
482909 / KG ZA 11-257 MvW/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter gelast de gezinsvoogdijinstelling om binnen 14 dagen een verzoek ex artikel 29b dan wel 29c Wet op de Jeugdzorg (Wjz) tot het verlenen van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige in te dienen bij de rechtbank Amsterdam. De voorzieningenrechter overweegt dat opname in een gesloten setting de aangewezen weg lijkt, nu bij de minderjarige sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en opname in gesloten jeugdzorg noodzakelijk is om te voorkomen dat hij zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken. Door de gezinsvoogdijinstelling zal daarom voor de minderjarige een machtiging voor opname in een gesloten setting moeten worden aangevraagd. Of een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wjz dan wel een voorlopige machting als bedoeld in artikel 29c Wjz dient te worden aangevraagd is ter beoordeling van de gezinsvoogdijinstelling.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 29b
Wet op de jeugdzorg 29c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/105 met annotatie van J.H. de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 482909 / KG ZA 11-257 MvW/JWR

Vonnis in kort geding van 25 maart 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij dagvaarding van 16 februari 2011,

advocaat mr. G.M. Haring te Amsterdam,

tegen

[voogdijinstelling],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

in deze procedure vertegenwoordigd door mr. H. Sluiter.

Partijen zullen hierna de moeder en de [voogdijinstelling] worden genoemd.

1. De (verdere) procedure

Ter terechtzittingen van 18 februari 2011 en 18 maart 2011 heeft de moeder gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat zij ter terechtzitting van 18 maart 2011 haar vordering heeft beperkt tot hetgeen onder punt 2 van het petitum van de dagvaarding is vermeld. De [voogdijinstelling] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en een pleitnota overgelegd.

Ter terechtzittingen waren aanwezig:

- de moeder en haar partner, bijgestaan door mr. Haring;

- namens de [voogdijinstelling] mevr. [gezinsvoogd] (gezinsvoogd), ter terechtzitting van

18 februari 2011 bijgestaan door mr. H. Sluiter.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De verdere beoordeling

2.1. De voorzieningenrechter blijft bij en verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 4 maart 2011. In het tussenvonnis van 4 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op dat moment nog niet kon worden gezegd dat het belang van [de zoon] meebrengt dat de [voogdijinstelling] gebruik moet maken van de machtiging uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder. Daarbij heeft de voorzieningenrechter tevens geoordeeld dat de situatie van [de zoon] niet kan blijven zoals die op dat moment was, maar dat het de vraag is of het belang van [de zoon] meebrengt dat de door de kinderrechter gegeven machtiging uithuisplaatsing dient te worden gebruikt dan wel dat een (spoed)machtiging voor een gesloten setting moet worden aangevraagd. Naar aanleiding van de nadien in het geding gebrachte stukken en hetgeen is besproken op de terechtzitting van 18 maart 2011 wordt thans het volgende overwogen.

2.2. In de beschikking van de kinderrechter van 4 januari 2011 staat onder meer het volgende:

“Een noodzaak tot uithuisplaatsing is naar het oordeel van de kinderrechter momenteel niet aanwezig, mede gelet op het advies van de Opvoedpoli en de GGZ. Het advies van de psychiater hierover dient te worden afgewacht. De kinderrechter overweegt dat het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing toch van belang is de [voogdijinstelling] de mogelijkheid te verschaffen om [de zoon], indien noodzakelijk, direct uit huis te kunnen plaatsen. Deze noodzaak kan gelegen zijn in het feit dat de vader aangeeft dat de thuissituatie niet langer houdbaar is dan wel dat er sprake is van schoolverzuim”.

2.3. In een brief van kinder- en jeugdpsychiater mw. [persoon 1] en sociaal psychiatrisch verpleegkundige mw. [persoon 2] d.d. (naar moet worden aangenomen) 3 maart 2011 aan de huisarts van [de zoon], schrijven zij dat het momenteel niet goed gaat met [de zoon], dat de diagnose gesteld door de Opvoedpoli wordt ondersteund en dat een plaatsing van [de zoon] op een neutrale plek nodig is. Ook moet hij afkicken van de cannabis. Zij menen dat een gesloten setting, bijvoorbeeld Transferium Jeugdzorg, de beste optie is op dit moment.

2.4. Nu tevens sprake is van schoolverzuim door [de zoon] en hij vanwege probleemgedrag recentelijk tijdelijk in een crisisopvang is opgenomen zijn alle door de kinderrechter in haar beschikking van 4 januari 2011 genoemde omstandigheden waaronder gebruikmaking van de machtiging uithuisplaatsing naar haar mening aangewezen was, aanwezig. [de zoon] zal daarom uit huis moeten worden geplaatst.

2.5. De moeder wordt erin gevolgd dat niet aannemelijk is dat [de zoon], gezien de inhoud van de brief van de psychiater, bij een zorginstelling zal worden aangenomen. Bovendien is niet te verwachten dat [de zoon] aan een vrijwillig verblijf in een zorginstelling zal meewerken, gezien zijn frequente wegloopgedrag bij het [crisiopvang]. Dit betekent dat de machtiging van 4 januari 2011 niet bruikbaar is. Nu er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bij [de zoon] sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en het noodzakelijk is om te voorkomen dat hij zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken, lijkt opname in een gesloten setting de aangewezen weg. Door de [voogdijinstelling] zal daarom voor [de zoon] een machtiging voor opname in een gesloten setting moeten worden aangevraagd.

2.6. Door de moeder is gesteld dat er sprake is van een zodanige situatie dat het aanvragen van een spoedmachtiging - waarmee naar de voorzieningenrechter begrijpt gedoeld wordt op de voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c Wet op de Jeugdzorg - aangewezen is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behoort het evenwel tot de beleidsvrijheid van de [voogdijinstelling] om te beslissen of zij gronden aanwezig acht voor het aanvragen van een dergelijke machtiging. Artikel 29c lid 3 van de Wet op de Jeugdzorg bepaalt dat voor afgifte van een voorlopige machtiging vereist is dat (in dit geval) de [voogdijinstelling] verklaart dat naar haar mening onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk is. Een veroordeling tot het aanvragen van een voorlopige machtiging zou er op neerkomen dat de [voogdijinstelling] door de rechter wordt verplicht deze verklaring af te leggen. Dat is rechtens niet aanvaardbaar. Of een machtiging als bedoeld in artikel 29b Wet op de Jeugdzorg dan wel een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 29c Wet op de Jeugdzorg dient te worden aangevraagd is derhalve ter beoordeling van de [voogdijinstelling], waarbij zij het belang van [de zoon] voorop zal moeten stellen.

2.7. De voorzieningenrechter merkt verder op dat het voorgaande de mogelijkheden voor de kinderrechter om het door de [voogdijinstelling] in te dienen verzoek ten volle te beoordelen niet beperkt. Artikel 257 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat bepaalt dat de bodemrechter op geen enkele wijze gebonden is aan het kort geding vonnis, is ook in deze van toepassing.

2.8. Gelet op de positie van de [voogdijinstelling] in het maatschappelijk bestel en het feit dat de vertegenwoordiger van de [voogdijinstelling] op de terechtzittingen heeft verklaard de zorgen van de moeder te onderkennen bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding te veronderstellen dat oplegging van een dwangsom nodig is om nakoming af te dwingen.

2.9. Nu de vordering zal worden toegewezen zal de [voogdijinstelling] worden veroordeeld in de proceskosten van de moeder. De kosten aan de zijde van de moeder worden begroot op:

- griffierecht EUR 568,00

- kosten dagvaarding 90,81

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.474,81

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1. gelast de [voogdijinstelling] om binnen veertien dagen na dit vonnis een verzoek ex artikel 29b dan wel 29c Wet op de Jeugdzorg tot het verlenen van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing van [de zoon] in te dienen bij de rechtbank Amsterdam;

3.2. veroordeelt de [voogdijinstelling] in de proceskosten aan de zijde van de moeder, tot op heden begroot op EUR 1.474,81;

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2011.