Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9682

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
482909 / KG ZA 11-257 MvW/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Gezaghebbende ouder vordert in kort geding de gezinsvoogdijinstelling, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de minderjarige, te gelasten de eerder door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige ten uitvoer te leggen. Aanhouding van de behandeling, in afwachting van nadere informatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/104 met annotatie van J.H. de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 482909 / KG ZA 11-257 MvW/JWR

Vonnis in kort geding van 4 maart 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij dagvaarding van 16 februari 2011,

advocaat mr. G.M. Haring te Amsterdam,

tegen

[gezinsvoogdijinstelling],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

in deze procedure vertegenwoordigd door mr. H. Sluiter.

Partijen zullen hierna de moeder en de [voogdijinstelling] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 18 februari 2011 heeft de moeder gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De [voogdijinstelling] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en een pleitnota overgelegd.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder en haar partner, bijgestaan door mr. Haring;

- namens de [voogdijinstelling] mevr. [gezinsvoogd] (gezinsvoogd) en mr. H. Sluiter.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. De moeder is getrouwd geweest met de heer [de vader], hierna te noemen de vader. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 1994 de thans nog minderjarige zoon [zoon] geboren. Na de echtscheiding is het gezamenlijk gezag van de beide ouders over [zoon] in stand gebleven.

2.2. Bij beschikking van 11 oktober 2006 van de kinderrechter te Alkmaar is [zoon] onder toezicht gesteld van de [voogdijinstelling]. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 11 oktober 2011.

2.3. Op 17 augustus 2010 heeft de [voogdijinstelling] bij de kinderrechter van de rechtbank te Amsterdam met betrekking tot [zoon] een verzoek tot onder meer verlening van een machtiging uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder ingediend. Tijdens de in het kader van dat verzoek gehouden terechtzitting van 4 januari 2011 is het verzoek uitgebreid in die zin dat tevens is verzocht tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing elders, te weten bij de vader.

2.4. Bij beschikking van 4 januari 2011 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing elders, te weten bij de vader, toegewezen. Wat betreft de verzochte machtiging uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder heeft de kinderrechter het volgende overwogen:

“Een noodzaak tot uithuisplaatsing is naar het oordeel van de kinderrechter momenteel niet aanwezig, mede gelet op het advies van de Opvoedpoli en de GGZ. Het advies van de psychiater hierover dient te worden afgewacht. De kinderrechter overweegt dat het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing toch van belang is de [voogdijinstelling] de mogelijkheid te verschaffen om [zoon], indien noodzakelijk, direct uit huis te kunnen plaatsen. Deze noodzaak kan gelegen zijn in het feit dat de vader aangeeft dat de thuissituatie niet langer houdbaar is dan wel dat er sprake is van schoolverzuim”.

2.5. De gevraagde machtiging uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder is derhalve verleend. [voogdijinstelling] heeft tot op heden geen gebruik gemaakt van deze machtiging.

2.6. Conform de beschikking is [zoon] bij zijn vader gaan wonen. Door een gezinsvoogd wordt ambulante hulp verleend. Vanwege probleemgedrag is [zoon] recentelijk tijdelijk in een crisisopvang opgenomen.

3. Het geschil

3.1. De moeder vordert – samengevat – dat de [voogdijinstelling] wordt veroordeeld gebruik te maken van de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder alsmede tot het indienen van een verzoek tot verlening van een spoedmachtiging uithuisplaatsing op een gesloten of besloten plaats.

3.2. De moeder stelt dat [zoon] al langere tijd probleemgedrag vertoont. Hiervoor zijn diverse behandeltrajecten opgestart. Een en ander is ook tijdens de behandeling van de zaak die heeft geleid tot de hiervoor vermelde beschikking van

4 januari 2011 aan de orde gekomen. Toen is gekozen voor plaatsing van [zoon] bij de vader. Ook daarna is echter zijn gedrag problematisch gebleven (veel schoolverzuim, blowen, drinken). Dit heeft geleid tot een tijdelijke crisisopname. Volgens de moeder is het niet gewenst dat [zoon], nu de crisisopname weer voorbij is, terug gaat naar zijn vader. Zij vreest dat [zoon] daar te weinig structuur en begeleiding kan worden geboden. Naar haar mening kan [zoon] beter in een gesloten instelling worden geplaatst, althans dient de [voogdijinstelling] in ieder geval gebruik te maken van de machtiging tot opname in een accommodatie van een zorgaanbieder.

3.3. De [voogdijinstelling] voert verweer. Zij voert aan dat het aan haar is om te beslissen of zij van de reeds verleende machtiging gebruik wil maken. Naar de mening van de [voogdijinstelling] vraagt het belang van [zoon], alhoewel ook zij diens situatie als zorgelijk kenschetst, thans niet om plaatsing in een instelling. Het gesprek met de psychiater, waarnaar de kinderrechter in haar beschikking verwijst, heeft nog niet plaatsgevonden. De [voogdijinstelling] wil eerst de uitkomsten hiervan afwachten alvorens zij een besluit neemt over het wel of niet gebruik maken van de machtiging uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder. Voor het aanvragen van een machtiging uithuisplaatsing op een gesloten of besloten plaats acht de [voogdijinstelling] het nog te vroeg, omdat er nog geen diagnose of advies van de psychiater is noch een indicatiebesluit.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet binnen vier weken betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij er begrip voor heeft dat de moeder zich ernstig zorgen maakt over de ontwikkeling van [zoon]. Uit verslagen van de crisisopvang het [crisisopvang], waar [zoon] – naar de rechtbank begrijpt - sinds 18 januari 2011 regelmatig heeft verbleven, blijkt dat [zoon] erg veel blowt, dat het slecht gaat op school en dat hij vaak wegloopt. Op de stage bij een kinderdagverblijf gaat het wel goed.

4.3. Ter terechtzitting is gebleken dat de zorgen over het gedrag van [zoon] ook door de [voogdijinstelling] worden gedeeld. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag hoe nu verder in het belang van [zoon] moet worden gehandeld.

4.4. De [voogdijinstelling] is op grond van een rechterlijke beschikking mede verantwoordelijk voor de ontwikkeling van [zoon]. De beschikking van 4 januari 2011 geeft haar de bevoegdheid verdergaand in te grijpen dan thans het geval is. De vordering behelst in de eerste plaats een veroordeling tot gebruikmaking van de bevoegdheid tot opname in een accommodatie van een zorgaanbieder.

4.5. De voorzieningenrechter stelt vast dat de kinderrechter in haar beschikking van 4 januari 2011 expliciet heeft overwogen dat de noodzaak tot uitoefening van die bevoegdheid op dat moment niet aanwezig was en dat de machtiging uitsluitend is verleend voor het geval er een situatie zou ontstaan waarin die noodzaak wel aanwezig is. De kinderrechter heeft daarbij met name gewezen op de situatie waarin [zoon] niet meer bij zijn vader kan verblijven of schoolverzuim vertoont.

4.6. Anders dan de [voogdijinstelling] aanvoert is het niet zo dat het haar vrij staat om wel of geen gebruik te maken van de machtiging zoals door de kinderrechter afgegeven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij bij haar beslissing het belang van [zoon] voorop moet stellen en aan de hand daarvan moet toetsen of de [voogdijinstelling] al dan niet terecht (nog) geen gebruik heeft gemaakt van de machtiging om [zoon] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder. Indien het oordeel zou luiden dat de [voogdijinstelling] ten onrechte geen gebruik van die machtiging maakt, kan zij in het belang van [zoon] worden veroordeeld om dat wel te doen.

4.7. Op dit moment kan nog niet worden gezegd dat het belang van [zoon] meebrengt dat de [voogdijinstelling] gebruik moet maken van de machtiging, ook al is de voorzieningenrechter van oordeel dat de situatie van [zoon] niet kan blijven zoals die nu is. De [voogdijinstelling] heeft er terecht op gewezen dat in het psychodiagnostisch onderzoeksverslag van de Opvoedpoli uit september 2010 wordt geadviseerd om [zoon] niet te plaatsen in een psychiatrische dagbehandelingsgroep of hem in een kliniek op te nemen, maar aan een ambulant behandeltraject in een regionale GGZ-instelling te werken. Dit heeft de [voogdijinstelling] gedaan. In het verslag staat echter ook dat de woonsituatie bij de vader van [zoon] risico’s meebrengt. Dat blijkt ook uit het feit dat [zoon] al snel nadat de kinderrechter op 4 januari 2011 had beslist, in de loop van de maand januari in het [crisiopvang] is opgevangen. De Opvoedpoli heeft in het verslag ambulante behandeling geadviseerd in een regionale GGZ-instelling met eventuele opnamecapaciteit, voor het geval de situatie mocht escaleren. Dat is inmiddels het geval, doordat [zoon] veel blowt, het niet goed doet op school en vaak wegloopt en dan niet bij zijn vader of het [crisiopvang] slaapt. Daarom moet voorshands opname in zijn belang worden geacht, maar het is nog niet duidelijk geworden of dit een opname in een GGZ-instelling zou moeten zijn. Ter terechtzitting van 18 februari 2011 heeft de [voogdijinstelling] verklaard dat [zoon] een gesprek met de psychiater zou hebben op diezelfde dag en dat zij de uitkomsten daarvan zou betrekken in haar overwegingen. Het is dus mogelijk dat [zoon] in een AWBZ-instelling of een gesloten setting moet worden geplaatst.

4.8. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden tot vrijdag 18 maart 2011 te 9.30 uur, teneinde de [voogdijinstelling] in de gelegenheid te stellen om verslag te doen van het gesprek met de psychiater en diens eventuele diagnose en/of advies alsmede over de vraag of er inmiddels een gewijzigd indicatiebesluit is. Ook zullen partijen zich nader kunnen uitlaten over de aard van de instelling waar [zoon] zal moeten worden geplaatst en of dat praktisch mogelijk is. Partijen zullen voor deze zitting geen afzonderlijke oproep ontvangen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de terechtzitting van 18 maart 2011 om 9.30 uur;

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2011.