Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9506

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
13/656661-10 (A), 13/722195-10 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval op tankstation door minderjarige verdachten. 1. Ontvankelijkheid openbaar ministerie. 2. Rechtmatigheid van het beslag. 3. Vordering ex artikel 126nd Sv. 4. Strafoplegging. Ad 1. Het in eerste instantie niet aanleveren van het complete bob-dossier leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Bij tussenvonnis is het openbaar ministerie alsnog in de gelegenheid gesteld het complete bob-dossier aan te leveren, van welke gelegenheid het openbaar ministerie gebruik heeft gemaakt. Ad 2. Rechtmatige inbeslagneming van de telefoon van verdachte, artikel 94 Sv is van toepassing. De grond van het beslag kan niet worden afgeleid uit de kennisgeving van inbeslagneming. Ad 3. Rechtmatige verkrijging van de camerabeelden van de flats waar verdachten woonachtig zijn. Een vordering van de officier van justitite op grond van artikel 126nd Sv volstond, nu de beelden geen gevoelige gegevens zijn in de zin van artikel 126nf Sv. Ad 4. De rechtbank maakt gebruik van de Amsterdamse orientatiepunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/656661-10 (A), 13/722195-10 (B)

Datum uitspraak: 2 februari 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaken tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Saudi-Arabië) op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in de Justitiële Jeugd Inrichting “De Doggershoek” te Den Helder.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

21 december 2010 en 19 januari 2011.

De rechtbank heeft op 21 december 2010 kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Oswald en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. W.A.P. Gerbrandij, alsmede van hetgeen door mevrouw [persoon 1] van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: het BJAA) naar voren is gebracht.

Voorts heeft de rechtbank op 19 januari 2011 kennisgenomen van hetgeen door de officier van justitie mr. A.M. Grüschke en door verdachte en zijn raadsman mr. W.A.P. Gerbrandij naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 juni 2010 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een geldbedrag (ongeveer 600 euro), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan tankstation BP ([perceel]) , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [persoon 2] (baliemedewerker van tankstation BP perceel), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden op die [persoon 2]

en/of over de toonbank is/zijn gesprongen en/of papiergeld uit de kassalade heeft/hebben gepakt;

(Artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

Hij op een of meerdere tijdstip(pen) in de periode van 12 juli 2010 tot en met 15 juli 2010 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een of meerdere (5) fietsen (merk Haibike en/of Trek met een totale waarde van 5145 euro), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan rijwielzaak [rijwielzaak] ([perceel]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door een of meerdere st(e)en(en) door de ruit van een

deur van rijwielzaak [rijwielzaak] te gooien;

(Artikel 310, 311 Wetboek van Strafrecht)

Aan verdachte is in zaak B tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 juli 2010 te Uithoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een blikje Red Bull (energiedrank), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf C1000 (filiaal Zijdelwaardplein), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2010 te Uithoorn opzettelijk een bierfust en/of een emballagebon (ter waarde van vijf (5) euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal Zijdelwaardplein), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als winkelmedewerker, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 322 jo 321 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van 21 december 2010 verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, aangezien het dossier incompleet is aangeleverd. De raadsman heeft meerdere malen tevergeefs verzocht om ter beschikking stelling van het complete dossier betreffende de gebruikte bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: BOB-stukken).

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het dossier compleet is en dat een extra BOB-dossier ter inzage bij het openbaar ministerie ligt.

Het interlocutoir vonnis van 28 december 2010

Na afloop van het onderzoek ter terechtzitting op 21 december 2010 is de rechtbank tijdens de beraadslaging gebleken dat zij evenals de raadsman niet over het complete dossier beschikt in zaak A. Nu de officier van justitie tijdens de terechtzitting van 21 december 2010 heeft aangegeven in zaak A over een extra BOB-dossier te beschikken, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 28 december 2010 geoordeeld dat het kennelijk voor het openbaar ministerie mogelijk is om de ontbrekende stukken over te leggen. De rechtbank heeft aldus bepaald het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om de rechtbank en de verdediging alsnog van de ontbrekende stukken te voorzien.

Het onderzoek ter terechtzitting diende in verband hiermee te worden hervat en werd hiertoe heropend en geschorst.

Het oordeel van de rechtbank

Het openbaar ministerie heeft van voornoemde gelegenheid gebruik gemaakt en heeft de ontbrekende stukken overgelegd. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank thans vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in zaak A onder feit 2 en in zaak B onder feit 2 is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

4. Waardering van het bewijs

4.1.1. Het standpunt van het openbaar ministerie op 21 december 2010

De eerdere officier van justitie heeft gevorderd dat het in zaak A onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard. Zij heeft het bewijs hiertoe gevonden in:

- de aangifte van [persoon 2], de medewerker van het BP tankstation,

- de getuigenverklaring van mevrouw [persoon 3],

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende het op de toonbank aangetroffen schoenspoor gelijkend op de afdruk van de zool van een schoen van het merk Johan Cruijff,

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de verklaring van een anonieme getuige inhoudende dat verdachte schoenen van het merk Johan Cruijff bezit,

- het proces-verbaal van CIE-informatie,

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende het uitlezen van de telefoon van verdachte en het aantreffen van een foto van de medeverdachte met een vuurwapen,

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de beschrijving en prints van de camerabeelden van 10 juni 2010 van het BP tankstation,

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de beschrijving en prints van de camerabeelden van 10 juni 2010 van de flats waarin verdachte en de medeverdachte woonachtig zijn,

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de resultaten van de afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte en van het afgeluisterde telefoongesprek tussen [persoon 4] en [persoon 5],

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de resultaten van de tap op het IP-adres van de computer van verdachte,

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

De officier van justitie heeft, reagerend op het verweer van de raadsman, gesteld dat op

21 juni 2010 voldoende gronden voor verdenking van verdachte aanwezig waren, zodat zijn telefoon in beslag kon worden genomen en kon worden uitgelezen. Volgens de officier van justitie dient de verklaring van de anonieme getuige in samenhang te worden gezien met het feit dat verdachte daar in de buurt woont en dat hij met de medeverdachte omgaat, die reeds eerder door een getuige was aangewezen. De officier heeft hiernaast naar voren gebracht dat er informatie vanuit de CIE was binnengekomen, waarin verdachte en de medeverdachte werden aangewezen als de daders van de overval op de BP. Op grond van deze informatie, in samenhang met het voorgaande, werden verdere onderzoekshandelingen verricht. De officier van justitie is van mening dat dit rechtmatig is geweest en dat geen bewijsuitsluiting dient plaats te vinden.

In zaak B heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard. Zij heeft de vordering gebaseerd op:

- de aangifte van de C1000,

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de beschrijving van de (bewegende) camerabeelden van de C1000.

4.1.2. Het standpunt van het openbaar ministerie op 19 januari 2011

De officier van justitie heeft de vordering en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

Reagerend op het verweer van de raadsman met betrekking tot de in zaak A overgelegde BOB-stukken heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht:

- het dossier is niet opzettelijk onvolledig aangeleverd teneinde de verdediging van verdachte te bemoeilijken. De raadsman heeft naar eigen zeggen meermalen gebruik gemaakt van het aanbod om de BOB-stukken bij het parket in te zien en het openbaar ministerie heeft de BOB-stukken inmiddels overgelegd;

- ten aanzien van de dubbele versies van de verlenging van het bevel tap en de vordering inlichtingen, heeft de officier van justitie opgemerkt dat het mogelijk is dat in het BOB-dossier een ongestempelde en een gestempelde versie aanwezig zijn. De officier van justitie heeft hiervoor als verklaring gegeven dat voornoemde beslissing zonder stempel en einddata naar de rechter-commissaris wordt verzonden. Nadat de rechter-commissaris de machtiging heeft verleend, wordt voornoemde beslissing van de officier van justitie gestempeld, voorzien van een einddatum en verzonden aan de betreffende aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk. Volgens de officier van justitie is kennelijk zowel de gestempelde als de ongestempelde versie in het dossier bewaard.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat in zaak A de camerabeelden van 10 juni 2010 van de flats waarin verdachte en de medeverdachte woonachtig zijn, niet van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De jurisprudentie is op dit punt thans uitgekristalliseerd en de beelden mogen op grond van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) worden gevorderd. Dat de beelden eerst zijn bekeken voordat een vordering tot verkrijging van de beelden op schrift was gesteld, doet niet af aan de rechtmatigheid van de verkrijging van de camerabeelden. Indien de beelden zijn verkregen na een mondelinge vordering hiertoe, had binnen drie dagen een vordering op schrift moeten worden gesteld. In casu kan echter niet worden vastgesteld of een mondelinge vordering is gedaan en op welk moment de beelden zijn verkregen. Zelfs indien het zo zou zijn dat de officier van justitie niet binnen drie dagen na de mondelinge vordering, een schriftelijke vordering heeft opgesteld en dit heeft willen herstellen door de vordering op 28 juli 2010 op schrift te stellen, hoeft dit niet te leiden tot bewijsuitsluiting. Verdachte is immers hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

4.2.1. Het standpunt van de verdediging op 21 december 2010

De raadsman heeft conform zijn pleitaantekeningen in zaak A verweer gevoerd. Hij heeft gesteld dat het dossier niet compleet is en dat bewijsuitsluiting voor de hele zaak dient plaats te vinden, aangezien niet kan worden gecontroleerd of de verrichte onderzoekshandelingen rechtmatig hebben plaatsgevonden. De raadsman is van mening dat het niet aanleveren van alle stukken een misdrijf oplevert en wijst de rechtbank op artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering. Naast het voorgaande heeft de raadsman ten aanzien van zaak A naar voren gebracht dat het beslag van de telefoon van verdachte op 21 juni 2010 niet goed is gedocumenteerd. Bovendien had de telefoon van verdachte niet in beslag mogen worden genomen, nu volgens de raadsman onvoldoende aanwijzingen aanwezig waren om tot een redelijke verdenking van verdachte te komen.

Indien het voorgaande niet leidt tot bewijsuitsluiting, heeft de raadsman bepleit dat strafvermindering dient plaats te vinden.

4.2.2. Het standpunt van de verdediging op 19 januari 2011

De raadsman heeft conform zijn pleitaantekeningen in zaak A verweer gevoerd. Hij heeft aan de orde gesteld dat een aantal processuele fouten heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft aangevoerd dat de verzuimen in beginsel tot bewijsuitsluiting zullen moeten leiden. De raadsman heeft echter verzocht in plaats van bewijsuitsluiting, compensatie te bieden aan verdachte in de vorm van strafvermindering. De raadsman heeft hiertoe het volgende uiteengezet.

Ten aanzien van het beslag van de telefoon van verdachte op 21 juni 2010 heeft de raadsman gesteld dat dit onrechtmatig is gelegd, aangezien de grond ontbreekt. De raadsman heeft verder betoogd dat de opgemaakte papieren onvolledig en misleidend zijn en de kennisgeving van het beslag is bovendien niet uitgereikt aan verdachte. De raadsman heeft vervolgens opgemerkt dat de vatbaarheid van een voorwerp voor inbeslagneming is gekoppeld aan de grond voor inbeslagneming. Uit de stukken blijkt dat de telefoon van verdachte niet voor de waarheidsvinding van het ter zake doende ‘heterdaadsfeit’ in beslag werd genomen, maar met het oog op bewijsgaring in onderhavige zaak. Op grond van het voorgaande heeft de raadsman geconcludeerd dat de vatbaarheid niet kan worden gekoppeld aan de grond en dat de telefoon derhalve niet vatbaar was voor beslag.

Voorts heeft de raadsman geconstateerd dat in het dossier dubbele versies van de BOB-stukken aanwezig zijn. De raadsman heeft de uitleg van de officier van justitie gevolgd ten aanzien van de gestempelde en ongestempelde versies. Echter, hij heeft benadrukt dat de officier van justitie geen verklaring heeft kunnen geven voor de twee verschillende versies van de machtiging van de rechter-commissaris d.d. 19 juli 2010. De raadsman heeft aangegeven dat deze machtiging in het oorspronkelijk overgelegde dossier de tekst bevat: “wijst de vordering van de OvJ toe.” In de later overgelegde BOB-stukken is deze tekst verwijderd en is de volgende regel toegevoegd: “machtigt de OvJ het voornoemde te vorderen.” De raadsman vraagt zich af wie de tekst heeft verwijderd en een andere tekst heeft toegevoegd. Hij heeft gesteld dat dit dient te worden onderzocht. Het dossier is hierdoor onduidelijk en dit leidt tot een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de raadsman.

Tot slot heeft de raadsman betoogd dat de camerabeelden van 10 juni 2010 op onjuiste grond zijn gevorderd. De beelden hadden niet op grond van artikel 126nd Sv, maar op grond van artikel 126nf Sv gevorderd moeten worden. Daarnaast heeft de raadsman naar voren gebracht dat de beelden op 6 juli 2010 zijn bekeken, hetgeen op 19 juli 2010 in het proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd. Dit proces-verbaal bevat verkleinde prints van de beelden, welke in de tekst zijn ‘geplakt’. Kennelijk waren de beelden bij het opmaken van dit proces-verbaal reeds verkregen. Echter, de vordering strekkende tot verkrijging van de beelden is gedateerd op 28 juli 2010. Dit is meer dan drie dagen na het opmaken van voornoemd proces-verbaal van bevindingen. De raadsman heeft gesteld dat sprake is van een strafvorderlijke weeffout en dat men heeft geprobeerd deze te herstellen. Door de BOB-stukken in eerste instantie niet aan te leveren, is volgens de raadsman opzettelijk gepoogd voornoemde fout uit het dossier te houden. Dat de beelden niet vrijwillig aan de politie zijn overgedragen, blijkt volgens de raadsman uit het contact met de beheerder van de flats op 29 juni 2010.

De raadsman heeft de rechtbank nogmaals verzocht de procedure ex artikel 162 Sv te entameren, aangezien de handelingen van het openbaar ministerie misdrijven opleveren als bedoeld in de artikelen 220, 225 en 365-366 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft ter ondersteuning van laatstgenoemd verzoek en van het verzoek om strafvermindering de overwegingen uit het arrest van het EHRM geciteerd inzake Gäfgen tegen Duitsland.

De raadsman heeft benadrukt dat hij meermalen bij het openbaar ministerie langs is geweest om de BOB-stukken in te zien, maar dat hij telkens niet het juiste en volledige BOB-dossier ter inzage heeft verkregen. Door bovendien de BOB-stukken niet aan te leveren, wordt hem de tijd en de mogelijkheid ontnomen om zich gedegen voor te bereiden. De raadsman is op grond van het voorgaande van mening dat het openbaar ministerie de opzet had om de verdediging te bemoeilijken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van zaak A, feit 1:

1. het proces-verbaal van aangifte ;

2. de bekennende verklaring van verdachte .

Ten aanzien van zaak B, feit 1:

Op 14 juli 2010 bevindt verdachte zich als klant in de C1000, filiaal Zijdelwaardplein te Uithoorn. De filiaalmanager wordt door een medewerkster erop geattendeerd dat verdachte zonder af te rekenen de winkel verlaat. De filiaalmanager bekijkt hierop de camerabeelden en constateert dat verdachte een blikje Red Bull in zijn rechterhand heeft en de winkel verlaat zonder te betalen. Bij het doen van de aangifte overhandigt de filiaalmanager de camerabeelden. De beelden worden vervolgens door verbalisant [persoon 6] bekeken. De verbalisant ziet dat verdachte een blikje Red Bull uit het schap pakt en wegloopt. De verbalisant ziet verder dat verdachte de kassa passeert zonder af te rekenen en het blikje Red Bull in zijn rechterhand houdt.

4.3.2 Nadere overwegingen

De rechtbank verwerpt ten aanzien van feit 1 in zaak A het verweer van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering en overweegt daartoe als volgt.

Het beslag van de telefoon van verdachte

Volgens het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van relaas is op 21 juni 2010 de telefoon van verdachte in beslag genomen. Verdachte was toen aangehouden ter zake van verdenking van openlijke geweldpleging. Bij de nader overgelegde BOB-stukken is een kennisgeving inbeslagneming van de telefoon aanwezig. Deze kennisgeving bevat de woorden: “geconstateerd: openlijk geweld”. Uit enkel deze bewoording mag en kan niet worden opgemaakt dat de telefoon in beslag is genomen teneinde het uitlezen ervan voor de bewijsgaring van de openlijk geweld zaak te gebruiken. Oftewel dat de waarheidsvinding in de openlijk geweld zaak ‘de grond’ voor de inbeslagneming van de telefoon was. In zowel voornoemd proces-verbaal van relaas als in voornoemd proces-verbaal van bevindingen staat duidelijk gerelateerd dat de telefoon van verdachte in beslag werd genomen met als doel bewijs te vergaren in onderhavige zaak. Dit lag op dat moment tijdens de opsporing ook in de rede, nu vermoed werd dat verdachte betrokken was bij de overval op tankstation BP. Immers, toen was reeds bekend dat:

- verdachte woonachtig is in de nabije omgeving van tankstation BP ;

- de getuige [persoon 3] heeft verklaard twee jongens te hebben gezien die zich rond het tijdstip van de overval in de buurt van de BP bevonden en hun blik op het tankstation hadden gericht ;

- de getuige [persoon 3] één van de twee jongens heeft herkend, te weten de medeverdachte ;

- de medeverdachte en verdachte met elkaar omgaan en tezamen zijn aangehouden op grond van verdenking van openlijke geweldpleging ;

- een afdruk van de schoenzool van de overvaller op de toonbank van tankstation BP is achtergebleven, welke afdruk sterke gelijkenissen vertoont met die van de afdruk van een Johan Cruijff schoen ;

- verdachte volgens een anonieme getuige in het bezit is van Johan Cruijff schoenen.

Anders dan door de raadsman is betoogd, is dus niet artikel 96 Sv, maar artikel 94 Sv in casu van toepassing. Het 1e lid van voornoemd artikel bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. De rechtbank concludeert gelet hierop dat de telefoon op 21 juni 2010 vatbaar was voor inbeslagneming en dat het beslag rechtmatig is gelegd.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het 3e lid van artikel 94 Sv bepaalt dat van de inbeslagneming van een voorwerp door de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming wordt opgemaakt en dat zoveel mogelijk aan degene bij wie een voorwerp is inbeslaggenomen, een bewijs van ontvangst wordt afgegeven. Hiervoor is reeds aangegeven dat in onderhavige zaak een kennisgeving van inbeslagneming is opgemaakt. Verdachte heeft – naar eigen zeggen – vervolgens zijn telefoon teruggekregen en zowel de kennisgeving als het bewijs van ontvangst is niet aan hem uitgereikt. Er zijn geen omstandigheden denkbaar die deze gang van zaken kunnen rechtvaardigen. Echter, de niet naleving van het 3e lid van artikel 94 Sv heeft geen consequenties voor het beslag.

De camerabeelden van de flats d.d. 10 juni 2010

Voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde overval is bepalend of de door de officier van justitie opgevraagde camerabeelden d.d. 10 juni 2010 voor het bewijs gebruikt mogen worden. Verdachte is immers op deze beelden herkend en hij is met deze beelden meermalen geconfronteerd, waardoor hij uiteindelijk tijdens zijn verhoor op 30 september 2010 een bekennende verklaring heeft afgelegd.

In onderhavige zaak dient te worden nagegaan of kon worden volstaan met de vordering van de officier van justitie strekkende tot verkrijging van de beelden ex artikel 126nd Sv en dat een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris ex artikel 126nf Sv niet noodzakelijk was. De rechtbank concludeert na bestudering van de inmiddels vaste jurisprudentie (Hoge Raad 23 maart 2010 LJN BK6331, Rechtbank Haarlem 11 juni 2010 LJN BM7440 en Rechtbank Amsterdam 5 juli 2010 LJN BN1025) dat de camerabeelden in dit geval geen gevoelige gegevens zijn in de zin van artikel 126nf Sv, zodat de machtiging van de rechter-commissaris niet nodig was. De rechtbank acht het voor haar oordeel van belang dat het hier gaat om beelden die in de boxruimte, de hal en de lift van de verschillende flats zijn gemaakt, welke voor de bewoners en bezoekers van de flats toegankelijk zijn. De beelden dienen ter beveiliging van deze ruimtes en van de goederen die de bewoners in hun box achterlaten. Dit is een legitiem en voorzienbaar doel en hiermee wordt geen indringende inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen die op beeld worden opgenomen. Nu de beelden geen samenstel van gegevens zijn en geen sprake is van opslag en verwerking van data, zodat een koppeling kan worden gemaakt tussen de beelden en een concreet persoon, is geen sprake van een inbreuk op iemands privéleven. De camerabeelden geven slechts weer wat zich in voornoemde ruimtes heeft afgespeeld, hetgeen iedere bewoner of bezoeker van de flat had kunnen waarnemen indien hij op dat moment eveneens in die ruimtes aanwezig was. De beelden bevatten ook niet meer informatie omtrent de daarop waar te nemen personen. De politie heeft pas na nader onderzoek te hebben verricht, de beelden in verband gebracht met verdachte. Dit brengt mee dat de in dit geval door de officier van justitie op de voet van 126nd Sv gevorderde camerabeelden op zichzelf genomen niet kunnen worden aangemerkt als (gevoelige) persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging in de zin van artikel 126nf lid 1 jo 126nd lid 2 Sv.

Er kon dus worden volstaan met een vordering van de officier van justitie om deze beelden op te vragen. De bekennende verklaring van verdachte kan derhalve voor het bewijs worden gebezigd.

De rechtbank kan niet vaststellen wanneer de camerabeelden d.d. 10 juni 2010 zijn verkregen. Met de raadsman is de rechtbank het eens dat het gelet op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juli 2010 , erop lijkt dat de politie de beelden bezat op het moment van het opmaken van dit proces-verbaal. Echter, de vordering strekkende tot verkrijging van de beelden dateert van 28 juli 2010, na het opmaken van het proces-verbaal van bevindingen dus. Het is mogelijk dat de beelden mondeling zijn gevorderd en zijn verkregen zonder dat drie dagen daarna de vordering op schrift is gesteld, zoals in artikel 126nd lid 4 Sv is bepaald. Het staat evenwel niet onomwonden vast dat de beelden zonder schriftelijke vordering daartoe zijn verkregen. Het proces-verbaal van 19 juli 2010 vermeldt immers niet dat de verbalisanten mondeling om de beelden hebben verzocht en de beelden vervolgens hebben verkregen. De rechtbank kan dan ook niet anders dan constateren dat de gang van zaken vragen oproept.

Bewijsuitsluiting kan als op grond van art. 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Nu de vordering op schrift is gesteld kan de rechtbank niet constateren dat sprake is van onrechtmatige bewijsgaring. Zelfs indien de rechtbank zou vaststellen dat een strafvorderlijk voorschrift is geschonden, namelijk dat de vordering te laat op schrift is gesteld, dan zou naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van een aanzienlijke schending van een strafvorderlijk voorschrift.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het openbaar ministerie ervan te verdenken dat zij deze gang van zaken opzettelijk heeft getracht te verbergen. Volstaan wordt dan ook met de opmerking dat het wenselijk was geweest indien het openbaar ministerie de gang van zaken duidelijker had opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen.

De verschillende versies van dezelfde BOB-stukken

De rechtbank volgt voor wat betreft de gestempelde en ongestempelde versies van de BOB-stukken de uitleg van de officier van justitie, nu deze gang van zaken aannemelijk is.

Wat de machtiging van de rechter-commissaris d.d. 19 juli 2010 betreft, heeft de raadsman terecht opgemerkt dat er op onverklaarbare wijze twee verschillende versies hiervan in het dossier aanwezig zijn. Hier hoort maar één (unieke) versie van te zijn. De rechtbank is het met de raadsman eens dat dit tot verwarring zou kunnen leiden, ware het niet dat beide machtigingen hetzelfde resultaat beogen. De rechtbank zal aldus ook hier geen gevolgen aan verbinden, aangezien verdachte door deze gang van zaken niet rechtstreeks in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank concludeert derhalve dat het dossier weliswaar mankementen vertoont, maar dat geen sprake is van vormverzuimen die de verdediging van verdachte hebben geschaad. De rechtbank ziet dan ook geen reden om bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering toe te passen. De rechtbank ziet bovendien geen aanleiding om de procedure ex artikel 162 Sv te entameren.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 in zaak B dat hoewel op de prints van de camerabeelden een blikje Red Bull niet waar te nemen is, zowel de filiaalmanager als de verbalisant onafhankelijk van elkaar op de bewegende beelden zien dat verdachte een blikje Red Bull wegneemt en de kassa passeert zonder af te rekenen. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat de prints van beveiligingscamera’s van mindere kwaliteit zijn dan de bewegende camerabeelden, acht de rechtbank het feit op grond van de waarnemingen van de filiaalmanager en de verbalisant wettig en overtuigend bewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht in zaak A wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 juni 2010 te Uithoorn tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan tankstation BP [perceel], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [persoon 2] baliemedewerker van tankstation BP, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een pistool, heeft gericht en gericht gehouden op die [persoon 2] en over de toonbank is gesprongen en papiergeld uit de kassalade heeft gepakt.

De rechtbank acht in zaak B wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 juli 2010 te Uithoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blikje Red Bull energiedrank, toebehorende aan winkelbedrijf C1000 filiaal Zijdelwaardplein.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.1. Het standpunt van het openbaar ministerie op 21 december 2010

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder feit 1 en in zaak B onder feit 1 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 11 (elf) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De officier van justitie heeft gevorderd als bijzondere voorwaarden ITB CRIEM en het meewerken aan behandeling bij De Bascule op te leggen.

8.1.2. Het standpunt van het openbaar ministerie op 19 januari 2011

De officier van justitie heeft voornoemde eis gehandhaafd.

8.2.1. Het standpunt van de verdediging op 21 december 2010

De raadsman heeft aangegeven de eis van de officier van justitie te hoog te vinden. De raadsman heeft verzocht om een jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis van verdachte op te leggen. De raadsman heeft gesteld dat het incompleet aanleveren van het dossier en het onrechtmatige beslag dienen te leiden tot strafvermindering, indien niet is besloten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de resultaten van de verrichte onderzoekshandelingen uit te sluiten van het bewijs. Naast het voorgaande heeft de raadsman betoogd dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met de leeftijd, de persoonlijke omstandigheden en de omgeving van verdachte. Volgens de raadsman is sprake van een spel, waarin leeftijdgenoten elkaar beïnvloeden en opstoken. Verdachte toont inmiddels inzicht en hij heeft tijdens zijn detentie hard gewerkt aan school. Hij heeft goede schoolresultaten behaald. De ouders zijn betrokken en staan open voor de hulpverlening. Een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde ITB CRIEM lijkt de raadsman een passende sanctie.

8.2.2. Het standpunt van de verdediging op 19 januari 2011

De raadsman heeft, zoals reeds in paragraaf 4.2.2. aangegeven, verzocht om strafvermindering. Voor de onderbouwing van dit verzoek wordt verwezen naar de betreffende paragraaf.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting jeugd Amsterdam (hierna te noemen: de Amsterdamse oriëntatiepunten). Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit.

In de onderhavige zaak gelden de volgende oriëntatiepunten. Het betreft een diefstal voorafgaand en vergezeld van bedreiging met geweld. Als uitgangspunt voor strafoplegging hiervoor geldt dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd. Daarbij is in het onderhavige geval een wapen gebruikt en heeft de overval in een besloten pand plaatsgevonden. Voor deze afzonderlijke factoren geldt als uitgangspunt dat een jeugddetentie voor de duur van tenminste zes maanden zal worden opgelegd. Bij samenloop van bovenstaande factoren, te weten het gebruik van een wapen en in een besloten pand, geldt dat de straf zal worden verzwaard.

Daarnaast betreft het een winkeldiefstal, waarvoor als uitgangspunt voor strafoplegging geldt dat een werkstraf voor de duur van 20 uren wordt opgelegd. Deze straf zal worden verdisconteerd in de hierna te noemen op te leggen jeugddetentie.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

29 oktober 2010. Hieruit blijkt dat verdachte voorheen een transactie heeft aanvaard voor het plegen van een geweldsdelict. Dit weegt de rechtbank ten nadele van verdachte mee.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een gewapende overval. Verdachte is rond sluitingstijd het tankstation binnengedrongen en heeft het slachtoffer met een vuurwapen bedreigd. Daarbij is eveneens dreigende taal geuit. Vervolgens is verdachte via de toonbank achter de kassa gesprongen. Hierdoor kwam verdachte met het vuurwapen vlak naast het slachtoffer te staan. Door voornoemde gedragingen heeft verdachte grote angst ingeboezemd bij het slachtoffer. Het slachtoffer heeft gevreesd voor zijn leven en heeft ineengedoken achter de kassa op de grond gezeten. Verdachte heeft bij het innemen van zijn positie achter de kassa, elke vluchtmogelijkheid voor het slachtoffer ontnomen. Hij heeft het slachtoffer als het ware ingesloten. Dit moet voor het slachtoffer nog beangstigender zijn geweest. De gevolgen van de gedragingen van verdachte voor het slachtoffer zijn zeer ingrijpend. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen voor slachtoffers traumatiserend kunnen zijn. Zij kunnen lange tijd zowel lichamelijk als psychisch nadelige gevolgen hiervan ervaren. Verdachte is puur op eigen gewin uit geweest en heeft daarbij totaal geen rekening gehouden met de belangen van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Dergelijke feiten zijn zeer ernstig van aard. Het plegen van dit soort feiten veroorzaakt niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, maar ook bij de bewoners in de nabije omgeving en bij de mensen die gebruik maken van de diensten van dit tankstation. Verdachte heeft door het plegen van dit feit bijgedragen aan een verdere verslechtering van de reeds zorgelijke sfeer in die omgeving.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van onder meer de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

- een Pro Justitia-rapportage d.d. 19 november 2010, inhoudende het psychologisch onderzoek van verdachte, opgesteld door GZ-psycholoog en kinder- en jeugdpsycholoog drs. M.A.A. Leek;

- een adviesrapportage van de jeugdreclassering, namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna te noemen: het BJAA), d.d. 20 december 2010.

De psycholoog heeft geadviseerd bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, zodat als bijzondere voorwaarde ambulante individuele therapie dan wel groepstherapie en oudergesprekken bij de Bascule of de Waag kan worden opgelegd. Teneinde recidive te voorkomen acht de psycholoog begeleiding in de vorm van ITB CRIEM noodzakelijk.

Mevrouw [persoon 1] heeft, namens het BJAA, een eensluidend advies geschreven. Ter zitting heeft zij verklaard verdachte al te hebben aangemeld bij de Bascule.

De rechtbank neemt de adviezen van de psycholoog en het BJAA over en maakt dit tot de hare.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot strafvermindering, zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 4.3.2. Bij het bepalen van de op te leggen duur van de vrijheidsbenemende straf ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal een jeugddetentie voor de duur van elf maanden opleggen, waarvan vier maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden ITB CRIEM en het meewerken aan behandeling bij de Bascule.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder feit 2 en het in zaak B onder feit 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1 en in zaak B onder feit 1 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A

diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

ten aanzien van zaak B

diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 11 (elf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- veroordeelde moet zich onmiddellijk onder toezicht en leiding van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam stellen. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: het BJAA) blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt;

- veroordeelde moet in het kader van deze maatregel het programma van Intensieve Traject Begeleiding (ITB) CRIEM van het BJAA volgen;

- veroordeelde moet meewerken aan behandeling bij de Bascule.

Geeft aan genoemde instelling opdracht veroordeelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Wijst af het verzoek van de raadsman strekkende tot het starten van een procedure ex artikel 162 Sv.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.I. Heyning, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. G.S. Crince Le Roy en J.L. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Huls, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2011.

De jongste rechter is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.