Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9503

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
10-2316/468631 en 10-2317/468633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen voor verblijf bij een pleegouder. De kinderrechter overweegt op grond van het advies van FORA dat Bureau Jeugdzorg de mogelijkheid van een PGB plaatsing dient te onderzoeken. Nu Bureau Jeugdzorg, na nogmaals daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, volhardt in haar weigering om het gezin hiervoor aan te melden bij de Bascule, zal de kinderrechter het verzoek strekkende tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen voor een kortere periode toewijzen dan is gevraagd en voor het overige afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

BESCHIKKING VERLENGING MACHTIGING UITHUISPLAATSING

Zaak- en rekestnummers: 10-2316/468631

10-2317/468633

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van de verzoeken van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 2000,

[minderjarige 2], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 2001.

[de moeder], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[de vader], wonende te [woonplaats], is de juridische vader van [minderjarige 1] en de biologische vader van [minderjarige 2].

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen.

Als belanghebbende is aangemerkt: de moeder.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De kinderrechter houdt rekening met de beschikking van 11 oktober 2010, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken van het BJAA d.d. 28 december 2010 en 25 januari 2011.

Op 11 januari 2011 heeft de kinderrechter de verzoeken ter terechtzitting met gesloten deuren wederom behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.

Verschenen en gehoord zijn:

- de moeder, met bijstand van haar raadsvrouw mr. S.S. Oedit Doebé en een tolk in de Papiamento taal, en vergezeld van haar partner dhr. [partner ];

- mw. [persoon 1], namens het BJAA.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 26 oktober 2004 zijn voornoemde minderjarigen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 26 oktober 2011.

In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de minderjarigen uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij een pleegouder is geldig tot 26 januari 2011.

De raadsvrouw voert namens de moeder aan dat zij voldoende in staat is de kinderen structuur, veiligheid en positieve aandacht te geven. Het BJAA stelt na onderzoek tot de conclusie te zijn gekomen dat niet zal worden overgegaan tot aanmelding van het gezin bij de Bascule. Na de vorige zitting in oktober 2010 heeft er echter geen onderzoek plaatsgevonden. Er is alleen oude rapportage. Het verleden achtervolgt moeder. Het is niet duidelijk waar het BJAA zich op baseert. Het FORA achtte in december 2008 plaatsing bij de Bascule nog wel mogelijk.

Volgens moeder gaat het niet goed met de kinderen bij hun pleegmoeder en zou er onderzoek naar moeten worden verricht. Het gaat om het belang van de kinderen. Moeder heeft dit verschillende keren aangekaart bij de gezinsvoogd maar er gebeurt niets. Het BJAA houdt moeder op afstand en informeert haar onvoldoende.

De moeder spreekt de hoop uit dat alles goed komt.

Het BJAA stelt de veiligheid van de kinderen niet te kunnen garanderen als zij weer bij hun moeder gaan wonen. Moeder heeft genoeg kansen gehad. Eerder bleek een PGB-plaatsing niet haalbaar. In 2009 is het gezin aangemeld, maar er heeft toen geen intakegesprek plaatsgehad omdat moeder gedetineerd zat. Een en ander is besproken met BMT en er is toen gekozen voor een pleeggezin. Ondanks aandringen van de kinderrechter is een PGB-plaatsing voor het BJAA, ook na bespreking in de commissie complexe casuïstiek, een gepasseerd station. Volgens het BJAA is er na zes jaar begeleiding geen stabiliteit of verbetering gekomen in moeders psychisch welbevinden, biedt het pleeggezin de stabiliteit, veiligheid en structuur die zij nodig hebben en zal een eventuele PGB plaatsing schadelijk zijn voor de kinderen.

De kinderrechter handhaaft ondanks de tegenargumenten van het BJAA zijn standpunt dat in het belang van de kinderen de mogelijkheid van een PGB plaatsing bij de Bascule moet worden onderzocht middels een intakeprocedure bij de Bascule. Dit standpunt is gebaseerd op het navolgende:

Eind 2008 is door FORA het volgende advies uitgebracht: “Gezien de zorgelijke gezinssituatie wordt ene terugplaatsing bij moeder niet in het belang van de kinderen geacht, anders dan via een gezamenlijke plaatsing van moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsbehandelingssetting. Binnen deze setting kan hulpverlening aan moeder vorm krijgen

en kan ook aan de kinderen de voor hen benodigde begeleiding geboden worden. Mocht blijken dat deze vorm van hulpverlening niet haalbaar is, doordat moeder niet haar medewerking wil verlenen of er onvoldoende van kan profiteren, dan zal een plaatsing van de kinderen in een pleeggezin onvermijdelijk zijn, aangezien een meer gestructureerde, ondersteunende opvoedingsomgeving in hun belang wordt geacht. Het heeft dan de voorkeur beide kinderen in één gezin te plaatsen. “

Dit advies van FORA is begin 2009 aanvankelijk ook opgevolgd door het BJAA. BJAA heeft moeder aangemeld voor een PGB plaatsing in de Bascule. In maart 2009 is de moeder echter gedetineerd geraakt. In het plan van aanpak behorende bij het verzoekschrift wordt door het BJAA vermeld dat er op dat moment een plek vrijkwam bij de PGB van de Bascule. Ter zitting is gebleken dat deze informatie waarschijnlijk niet juist is. Alhoewel de feitelijke gang van zaken nog steeds onduidelijk is, is door de vertegenwoordigers van het BJAA ter zitting aangegeven dat er in 2009 geen intake heeft plaatsgevonden tengevolge van de detentie van moeder. Vooralsnog gaat de kinderrechter er van uit dat de detentie van moeder er toe heeft geleid dat er geen intake heeft plaatsgevonden.

De detentie van moeder heeft betrekkelijk kort geduurd. De moeder heeft betwist dat zij contact heeft afgehouden waardoor het BJAA geen zicht heeft gehad op de duur van de detentie. Het BJAA heeft niet aannemelijk kunnen maken dat moeder ook daadwerkelijk contact heeft afgehouden.

De kinderen zijn op 6 juli 2009 geplaatst bij een pleegmoeder. Op zich is dat te begrijpen als tijdelijke plaatsing, doch niet te begrijpen is waarom het BJAA na de korte detentie van moeder de intake bij de Bascule niet heeft doorgezet. Immers het is in het belang van de kinderen dat er allereerst uitsluitsel komt of de Bascule de mogelijkheid ziet voor een PGB plaatsing. Als deze mogelijkheid er niet is, dan is dat voor iedereen duidelijk en zal moeder het FORA advies moeten aanvaarden dat de kinderen in dat geval zullen opgroeien in een pleeggezin. Het moet voor het BJAA duidelijk zijn dat de moeder zonder gedegen onderzoek naar de in het FORA rapport aangegeven mogelijkheid van thuisplaatsing met begeleiding zal blijven strijden voor terugkeer van de kinderen en dat de kinderen door deze strijd permanent in een loyaliteitsconflict zullen opgroeien. Indien een PGB plaatsing wel mogelijk is, zal op basis van deze plaatsing moeten worden beoordeeld of moeder in staat zal zijn om met begeleiding te kinderen op te voeden. Indien de conclusie van de PGB plaatsing is dat dit niet mogelijk is dan zal ook in dat geval moeder de plaatsing in een pleeggezin moet accepteren.

Het BJAA heeft aangevoerd dat bij een PGB plaatsing de band met de pleegmoeder wordt verbroken hetgeen schadelijk zou zijn voor de kinderen. Dit argument miskent dat de PGB plaatsing tijdelijk is. Indien de uitkomst van het PGB onderzoek is dat de kinderen niet terug kunnen naar moeder kunnen de kinderen weer terug naar de pleegmoeder. Voor zover de kinderen al schade ondervinden van een tijdelijk verblijf bij de bascule dan weegt dit nadeel op de korte termijn niet op tegen het voordeel op de langere termijn dat of de kinderen met begeleiding weer bij moeder kunnen wonen of dat moeder op basis van de uitkomsten van de PGB plaatsing haar verzet zal moeten staken. In beide gevallen komt er een einde aan het loyaliteitsconflict.

Nu het BJAA, na nogmaals daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, volhardt in haar weigering om het gezin aan te melden bij de Bascule, zal de kinderrechter het verzoek voor een kortere periode toewijzen dan is gevraagd en voor het overige afwijzen. De periode tot 26 juli 2011 is primair bedoeld om te zorgen voor een goede overgang en subsidiair om het BJAA in de gelegenheid te stellen in hoger beroep een nadere beslissing te vragen. Indien het BJAA alsnog besluit om de intake bij de Bascule aan te vragen, kan het BJAA verzoeken om een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing na 26 juli 2011.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING:

De kinderrechter:

- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen voor verblijf bij een pleegouder met ingang van 26 januari 2011 tot 26 juli 2011;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat deze machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien een daarop betrekking hebbend indicatiebesluit strekt tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen;

- wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2011, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Koning, griffier..