Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9454

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
AWB 09/4565 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag na verstrijken proeftijd. Minder terughoudende toetsing: relevante tekortkomingen in functioneren aannemelijk gemaakt en reële kans geboden om zich waar te maken in de proeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4565 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres,

gemachtigde mr. W.M. Boer,

en

Het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Slotervaart/Overtoomseveld, thans: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw West,

verweerder,

gemachtigde mr. C. Achthoven.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 april 2009 ontslag verleend.

Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2010.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. P.G. Mulder. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [naam 1], voormalig leidinggevende van eiseres.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is met ingang van 1 april 2008 aangesteld als Beleidsadviseur C in tijdelijke dienst voor de duur van een jaar. Op 18 juni 2008 is eiseres voor de eerste keer beoordeeld. Zij scoorde daarbij op vijf onderdelen van de functie een C (=voldeed nog niet aan de eisen), te weten op het gebied van Kennis, Begrip inzicht en vindingrijkheid, Beslissingen nemen, Organisatie van eigen werk en Tempo.

1.2. In september 2008 heeft de leidinggevende van eiseres, [naam 1], voorgesteld om eenmaal per twee weken een “bila” (bilateraal gesprek) te hebben. Zij had de indruk dat de functie niet helemaal bij eiseres paste en dat zij beter op haar plek zou zijn in een uitvoerende functie. Op 6 oktober 2008 heeft eiseres zich ziek gemeld. Op 13 oktober 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden over de mate waarin haar ziekteverzuim werkgerelateerd is.

1.3. Op 14 januari 2009 heeft de tweede beoordeling plaatsgevonden. Het functioneren van eiseres was toen verslechterd. Op het onderdeel Begrip inzicht en vindingrijkheid scoorde zij een A (= schoot duidelijk tekort). Voor de overige vier onderdelen die bij de vorige beoordeling een B opleverden kreeg eiseres opnieuw een B. Ook voor het onderdeel Schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid heeft ze een B gekregen. Uit het bijbehorend verslag blijkt dat eiseres geen hoofd- en bijzaken van elkaar kan onderscheiden. Haar tempo is veel te laag. Ze heeft geen grote opdrachten zelfstandig hoeven uitvoeren. Zij blijft hangen in het stellen van vragen en komt niet met oplossingen. Dit zijn volgens verweerder basisvaardigheden. Na haar uitval in oktober 2008 is afgesproken dat zij haar taken geleidelijk weer zou opbouwen. Ondanks de zeer beperkte werkbelasting is er geen vooruitgang geboekt. In dit gesprek is ook aangekondigd dat het dienstverband niet zal worden verlengd.

1.4. Bij primair besluit van 19 februari 2009 heeft verweerder eiseres ontslag verleend op grond van artikel 12.4 van het Nieuwe Rechtspositiereglement van de gemeente Amsterdam (NRGA). Hierbij is een aanzeggingstermijn van vijf weken in acht genomen. Eiseres is hierna in aanmerking gebracht voor een coachingstraject.

2. het bestreden besluit

2.1 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres voldoende kans heeft gekregen om zich de functie eigen te maken. Er hebben regelmatig gesprekken plaatsgevonden en er is duidelijk aangegeven wat de verbeterpunten waren. Van een medewerker in schaal 10 op HBO-niveau wordt wel verwacht dat zij zich binnen redelijke tijd enigszins zelfstandig kan inwerken. Verweerder ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen, omdat het onwaarschijnlijk is dat er een ander oordeel uit zal komen.

3. oordeel van de rechtbank

3.1 Verweerder heeft eiseres ontslag verleend op grond van artikel 12.4, eerste lid, van het NRGA. In dit artikel is bepaald dat de ambtenaar die na een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef niet in vaste of tijdelijke wordt aangesteld, geacht wordt te zijn ontslagen zodra de tijd waarvoor hij is aangesteld is verstreken. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het doel van een tijdelijke aanstelling altijd het verlenen van een vaste aanstelling is na het verstrijken van de proeftijd, tenzij duidelijk is geworden dat de ambtenaar in kwestie onvoldoende functioneert. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van (on)voldoende functioneren dient er een formele beoordeling plaats te vinden. Het NRGA bevat in hoofdstuk 6, paragraaf 2 voorschriften waarin de gang van zaken bij een beoordeling van een ambtenaar in tijdelijke dienst is geregeld. De mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een beoordeling bestaat eerst aan het einde van het traject, aldus verweerder.

3.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt ten aanzien van een ontslag bij het van rechtswege aflopen van de proeftijd en de weigering deze proeftijd te verlengen een lichte toets aangelegd. Deze toets behelst uitsluitend de vraag of het bestuursorgaan in redelijkerwijs tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ambtenaar niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan (zie de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2004, LJN AO 7610).

3.3 Waar het hier gaat om een aanstelling op proef, die wordt ingekaderd door de bepalingen van het NRGA met betrekking tot de beoordeling van het functioneren tijdens de proeftijd, ziet de rechtbank aanleiding om het onderhavige ontslag minder terughoudend te toetsen. De rechtbank zoekt aansluiting bij de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2010 (LJN: BL2821) en overweegt in navolging van deze uitspraak dat de toetsing zich moet toespitsen op de beantwoording van de vraag of de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van eiseres aannemelijk is gemaakt en of eiseres een reële kans heeft gekregen om zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd. Daarbij spelen de opgemaakte beoordelingen een rol.

3.4 Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij geen redelijke kans heeft gehad om zich waar te maken in de functie. Ter ondersteuning van die stelling heeft zij allereerst aangevoerd dat zij nadelige gevolgen heeft ondervonden van de reorganisatie die op het moment dat zij aantrad in werking was getreden. Verweerder heeft betwist dat dit voor eiseres nadelig zou zijn geweest, hoewel er inderdaad sprake was van een organisatie in verandering. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het niet aannemelijk is gemaakt dat de reorganisatie het functioneren van eiseres rechtstreeks negatief heeft beïnvloed. Na aanvankelijke signalen van de OR dat de reorganisatie uitstroom van kennis tot gevolg had, heeft de OR later een ander standpunt ingenomen.

3.5 Verweerder heeft eiseres tegengeworpen dat zij tekortschoot op het gebied van initiatief nemen, werktempo en kennis en inzicht in het werk. Daarbij zijn geen concrete voorbeelden genoemd. Eiseres heeft deze verwijten gemotiveerd betwist. Eiseres heeft daartoe ter zitting aangevoerd dat zij de door haar leidinggevende gegeven huiswerkopdracht goed heeft uitgevoerd. Zij heeft daarvoor de benodigde gesprekken met schooldirecteuren gepland en ook daadwerkelijk gevoerd, ondanks het feit dat ze daarbij gehinderd werd door het ontbreken van dossiers en een gebrek aan medewerking van haar collega’s. Dit laatste punt is in lijn met hetgeen aan de orde is geweest tijdens het eerste beoordelingsgesprek in juni 2008, waar is vastgesteld dat eiseres een moeilijke start heeft gehad en dat er niemand was op wie zij kon terugvallen.

3.6. Verweerder heeft ter zitting geen inhoudelijke reactie gegeven op deze stellingen van eiseres. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet concreet duidelijk gemaakt waar het gebrek aan initiatief van eiseres uit bestond. Evenmin heeft verweerder op andere wijze aangetoond dat het functioneren van eiseres op dit punt onder de maat is gebleven. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gestelde tekortkoming niet aannemelijk is gemaakt door verweerder

3.7 Hetzelfde geldt voor het oordeel van verweerder dat het werktempo van eiseres niet voldoende zou zijn. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat zij twee opdrachten had gekregen, één van 24 uur per week en één van 36 uur per week, terwijl zij 36 uur per week werkte. Omdat dit te veel was, is zij begin oktober 2008 uitgevallen, waarna één van de taken bij haar is weggehaald, aldus eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat tegen deze achtergrond bezien de stelling van verweerder dat eiseres niet volledig belast is geweest, op zijn minst een nadere onderbouwing behoeft. Die ontbreekt echter. In het verlengde daarvan acht de rechtbank verweerders (evenmin met concrete voorbeelden onderbouwde) oordeel dat sprake was van een (aan eiseres toe te schrijven) te laag werktempo, onvoldoende gemotiveerd.

3.8 Het oordeel van verweerder over de vaardigheden van eiseres op het gebied van planning komt de rechtbank evenmin begrijpelijk voor. Eiseres heeft deze stelling ter zitting betwist en gewezen naar haar activiteiten met betrekking tot de huiswerkopdracht, waarin planning en coördinatie een grote rol speelden. Verweerder heeft ook hier niet inhoudelijk op gereageerd.

3.9 De hiervóór geconstateerde motiveringsgebreken klemmen te meer in het licht van het feit dat de leidinggevende van eiseres haar oordeel over het functioneren van eiseres al in een vroeg stadium had gevormd. Reeds bij het eerste beoordelingsgesprek in juni 2008 deelde zij eiseres mede dat zij haar niet geschikt vond voor de functie; terwijl toen tevens is vastgesteld dat eiseres een moeilijke start heeft gehad en dat er niemand was op wie zij terug kon vallen. Ook blijkt uit het dossier dat eiseres in een vroeg stadium heeft gevraagd om voorbeelden van haar beweerde tekortschieten.

3.10 De rechtbank tekent verder nog aan dat het oordeel van de bezwarencommissie dat eiseres niet om hulp heeft gevraagd of heeft aangegeven dat haar begeleiding tekortschoot, haar onbegrijpelijk voorkomt. Uit diverse verslagen blijkt immers dat eiseres van meet af aan heeft gemeld dat zij niet goed werd ingewerkt. Eiseres heeft voorts ter zitting onweersproken gesteld dat zij bij vele collega’s langs ging om hulp te vragen, maar dat zij overal nul op het rekest kreeg.

3.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er relevante tekortkomingen in het functioneren van eiseres waren. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres een reële kans heeft gekregen om zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd. Dat betekent dat het bestreden besluit als onvoldoende gemotiveerd voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiseres wordt om die reden dan ook gegrond verklaard.

3.12 Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij, na een tijdje werkloos te zijn geweest, een nieuwe baan heeft gevonden waarmee zij tevreden is. Eiseres heeft ook geen verzoek ingediend om schadevergoeding, maar wil rehabilitatie van verweerder krijgen.

3.13. De rechtbank stelt vast dat hetgeen hiervóór onder 3.5 tot en met 3.11 is overwogen, feitelijk de door eiseres gezochte rehabilitatie verschaft. Voorts staat vast dat terugkeer van eiseres in haar functie bij verweerder wat eiseres betreft niet (meer) aan de orde is.

Onder die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om het geschil definitief te beslechten door de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten waar het betreft het verleende ontslag.

De rechtbank zal voorts zelf in de zaak voorzien door de door verweerder over eiseres opgemaakte beoordelingen te herroepen.

3.14 De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter grootte van € 874,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven voorzover het betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het ontslag;

- herroept de door verweerder over eiseres opgemaakte beoordelingen;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 150,-vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- (achthonderdvierenzeventig euro) te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter,

in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.

de griffier de rechter

De griffier is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB