Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP8386

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
449509 / HA ZA 10-322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaringsincidenten en incidentele vordering tot het overleggen van bescheiden ex artikel 843a Rv.

Toewijzing van incident tot oproeping in vrijwaring verzekeraars. Door het overleggen van verzekeringspolissen door [eiseres in incident] is haar belang bij en de gegrondheid van haar incidentele vordering gegeven, nu op het eerste gezicht daadwerkelijk sprake is van verzekeringsdekking – het betreft wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen voor bedrijven (WAB) – voor een bedrag aan schadevergoeding dat eiseres krachtens rechterlijke uitspraak gehouden is aan derden te betalen.

Toewijzing van incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring. Door [eiseres in incident] is een verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat door [de vennootschap Holding B.V.] een garantie is afgegeven aan [eiseres een incident] voor verplichtingen van [eiseres in incident] in de “koopovereenkomst betreffende de verkoop van alle aandelen [rechtsvoorganger eiseres in incident]”. Die verplichtingen vloeien voort uit de door [eiseres in incident] ten gunste van [verweerder in incident] afgegeven garantie. Gelet hierop is het belang van [eiseres in incident] bij en de gegrondheid van haar incidentele vordering gegeven.

Afwijzing van vordering ex 843a Rv. Artikel 843a Rv ziet op de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar zij het niet in haar bezit heeft, terwijl zij het betreffende stuk bij voorbeeld in een procedure zou willen betrekken. Er is niet voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorganger partij is. Nu [eiseres in incident] niet op de hoogte is van de inhoud van de koopovereenkomst, leidt inzage in de koopovereenkomst tot een ‘fishing expedition’ naar nader bewijs. Daarvoor is artikel 843a Rv niet bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 449509 / HA ZA 10-322

Vonnis in incident van 16 maart 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

BANK INSINGER DE BEAUFORT N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten tot vrijwaring,

eiseres in het incident ex art. 843a Rv;

advocaat mr. B.L.P. van Reeken te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CENTRIC FINANCIAL SOLUTIONS & SERVICES B.V.,

voorheen geheten Ordina BPO B.V.,

gevestigd te Gouda,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. H. Struik te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

ORDINA N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het vrijwaringsincident,

gedaagde in het incident ex art. 843a Rv,

advocaat mr. M.H.R.N.Y. Cordewener te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Insinger de Beaufort, Centric en Ordina genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in de vrijwaringsincidenten van Centric en Ordina van 25 augustus 2010 (hierna: het tussenvonnis);

- de akte in het incident van de zijde van Centric;

- de akte in het incident in vrijwaring van de zijde van Ordina;

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van de zijde van Centric;

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van de zijde van Ordina;

- de antwoordakte in het incident van Insinger de Beaufort;

- de incidentele vordering ex art. 843a Rv van de zijde van Insinger de Beaufort;

- de conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv van de zijde van Ordina.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2. De verdere beoordeling in de vrijwaringsincidenten

De incidentele vordering van Centric

2.1. De rechtbank heeft Centric bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld haar stellingen aannemelijk te maken door het overleggen van de betreffende verzekeringspolissen. De rechtbank heeft daarbij in rechtsoverweging 3.5 opgemerkt dat, indien op het eerste gezicht daadwerkelijk sprake is van verzekeringsdekking van het bedrag aan schadevergoeding dat Centric krachtens een rechterlijke uitspraak gehouden is aan derden te betalen, zoals Centric stelt, het belang van Centric bij en de gegrondheid van haar incidentele vordering gegeven is.

2.2. Centric heeft bij akte in incident d.d. 8 september 2010 fotokopieën overgelegd van drie polissen van verzekeringsovereenkomsten gesloten in 2008 met Ordina BPO B.V. (hierna: de polissen). Insinger de Beaufort heeft bij antwoordakte d.d. 3 november 2010 gereageerd op de akte in het incident.

2.3. Het betreft wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen voor bedrijven (WAB), waaronder de aansprakelijkheid van Centric kan vallen. De vraag of de betrokken polissen in het onderhavige geval dekking zullen bieden, zal in de vrijwaringsprocedure aan de orde komen. Met de overlegging van de polisbladen is de stelling van Centric voldoende onderbouwd.

2.4. Het incident tot oproeping in vrijwaring van de Verzekeraars zal derhalve worden toegewezen. De beslissing omtrent de op dit incident gevallen kosten wordt aangehouden tot aan de in de hoofdzaak te geven eindbeslissing.

De incidentele vordering van Ordina

2.5. Ordina stelt dat Centric Holding B.V. zich op grond van de koopovereenkomst tussen Ordina en Centric Software Engineering Holding B.V. heeft verplicht Ordina schadeloos te stellen voor alle bedragen die Ordina uit hoofde van enige door haar ten behoeve van bepaalde derden afgegeven moedergarantie (waaronder de ten gunste van Insinger de Beaufort afgegeven garantie) heeft betaald of dient te betalen. De rechtbank heeft Ordina bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld haar stellingen aannemelijk te maken door het overleggen van de betreffende garantiestelling. De rechtbank heeft daarbij in rechtsoverweging 3.10 opgemerkt dat indien daadwerkelijk sprake is van een garantstelling door Centric Holding B.V., zoals Ordina stelt, haar belang bij en de gegrondheid van haar incidentele vordering gegeven is.

2.6. Ordina heeft bij akte in incident d.d. 8 september 2010 een verklaring overgelegd van Centric Holding B.V. Insinger de Beaufort heeft bij antwoordakte d.d. 3 november 2010 gereageerd op de akte in het incident.

2.7. Uit de overgelegde verklaring blijkt dat door Centric Holding B.V. in de koopovereenkomst betreffende de verkoop van alle aandelen Ordina BPO B.V. aan Ordina N.V. een vrijwaring is afgegeven voor verplichtingen van Ordina N.V. voortvloeiende uit de door Ordina N.V. ten gunste van Insinger de Beaufort afgegeven garantie. Nu de vordering gebaseerd op genoemde koopovereenkomst blijkens de incidentele vordering tegen Centric Holding N.V. zal worden ingesteld, doet het geval van artikel 85 Rv zich in dit stadium niet voor.

2.8. Gelet hierop is het belang van Ordina bij en de gegrondheid van haar incidentele vordering gegeven. De rechtbank wijst de gevorderde vrijwaring toe en houdt de beslissing omtrent de in het incident gevallen kosten aan tot de in de hoofdzaak te geven eindbeslissing.

3. De incidentele vordering ex. artikel 843a Rv subsidiair ex artikel 22 Rv

3.1. Insinger de Beaufort vordert in incident:

dat de rechtbank, voor zover mogelijk (a) Ordina zal veroordelen een kopie over te leggen van de koopovereenkomst, waarop zij zich in het vrijwaringsincident beroept, op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag, dat Ordina in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen; (b) Ordina zal veroordelen in de kosten van dit incident.

3.2. Insinger de Beaufort stelt hiertoe dat zij behoefte heeft aan en belang heeft bij een afschrift van de kopie van de koopovereenkomst tussen Ordina en Centric Holding B.V., enerzijds omdat die overeenkomst diverse stellingen van Insinger de Beaufort (verder) kan onderbouwen en stellingen van Ordina en Centric kan ontzenuwen, anderzijds omdat de inhoud van die overeenkomst medebepalend is, althans kan zijn, voor de omvang van de vordering die Insinger de Beaufort op Centric en Ordina heeft. Er is volgens Insinger de Beaufort geen sprake van een zogenaamde ‘fishing expedition’.

3.3. Ordina weigert tot op heden een kopie van de koopovereenkomst over te leggen en

voert gemotiveerd verweer tegen het incident. Samengevat voert zij aan dat het verzoek niet aan de in artikel 843a Rv gestelde cumulatieve vereisten voldoet en de gevraagde overlegging van de koopovereenkomst een ongeoorloofde ‘fishing expidition’ van Insinger de Beaufort betreft, zodat het incidenteel gevorderde niet toewijsbaar is.

3.4. Het recht op inzage als door Insinger de Beaufort gevorderd, dient te worden beoordeeld op grond van artikel 843a Rv. Het recht hiervan kennis te nemen vloeit immers, anders dan Insinger de Beaufort subsidiair stelt, niet voort uit artikel 22 en 85 Rv. De rechtbank ziet in deze stand van de procedure geen aanleiding een bevel ex. art. 22 Rv tot overlegging van de betrokken koopovereenkomst te geven. Voor toewijzing op grond van artikel 843a Rv moet aan drie cumulatieve voorwaarden worden voldaan. Eiser dient een rechtmatig belang te hebben bij afgifte van de gevraagde bescheiden, het moet gaan om bepaalde bescheiden en het moet gaan om bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorganger partij is. Verder bepaalt lid 4 van genoemd wetsartikel dat men niet is gehouden aan een vordering tot inzage te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

3.5. De rechtbank acht het gevorderde niet toewijsbaar, nu niet is voldaan aan het derde vereiste, te weten dat het moet gaan om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorganger partij is. Het onderhavige gevorderde stuk betreft een koopovereenkomst waarin Ordina en Centric Holding B.V. partij zijn. Insinger de Beaufort kan niet worden aangemerkt als partij in die rechtsbetrekking.

Uit de aangevoerde stellingen kan voorts niet worden opgemaakt welke gegevens de koopovereenkomst concreet zou bevatten ter onderbouwing van de stellingen van Insinger de Beaufort. Ordina heeft in dit kader terecht opgemerkt dat artikel 843a Rv ziet op de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft, terwijl zij het desbetreffende stuk bij voorbeeld in een procedure zou willen betrekken. Nu Insinger de Beaufort niet op de hoogte is van de inhoud van de koopovereenkomst, leidt inzage in de koopovereenkomst tot een fishing expedition naar nader bewijs. Daarvoor is artikel 843a Rv niet bedoeld.

3.6. Gelet op het hiervoor overwogene zal het verzoek om Ordina te veroordelen een kopie over te leggen van de koopovereenkomst, waarop deze zich in het vrijwaringsincident beroept, worden afgewezen. Insinger de Beaufort zal, als de in dit incident in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

4. In de hoofdzaak

4.1. Gedaagden hebben op 6 oktober 2010 voor conclusie van antwoord gediend. Gelet op de complexiteit van deze zaak, wordt partijen gelegenheid gegeven tot het nemen van conclusies van repliek en dupliek. De zaak zal op de rol worden geplaatst voor conclusie van repliek aan de zijde van Insinger de Beaufort.

4.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in de vrijwaringsincidenten

5.1. vergunt Centric om Liberty Mutual Insurance Europe Ltd, onder meer gevestigd te ’s-Gravenhage, Zurich Insurance Public Limeted Company, onder meer gevestigd te ‘s-Gravenhage en CNA Insurance Company Ltd, onder meer gevestigd te Amsterdam, in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van deze rechtbank op een nader te bepalen datum en houdt de beslissing omtrent de op het incident gevallen kosten aan tot de in de hoofdzaak te geven eindbeslissing;

5.2. vergunt Ordina om Centric Holding B.V., gevestigd te Gouda, in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van deze rechtbank op een nader te bepalen datum en houdt de beslissing omtrent de op het incident gevallen kosten aan tot de in de hoofdzaak te geven eindbeslissing;

in het incident ex artikel 843a en 22 Rv

5.3. wijst de incidentele vordering van Insinger de Beaufort af;

5.4. veroordeeld Insinger de Beaufort in de proceskosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Ordina begroot op EUR 3.211,- aan salaris advocaat.

in de hoofdzaak

5.5. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 13 april 2011 voor conclusie van repliek aan de zijde van Insinger de Beaufort;

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.?