Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP8070

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
482139 / KG ZA 11-197 P/MV van
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad heeft in de kwestie Yukos/Promneftstroy op 7 januari 2011 een arrest gewezen. In het arrest is bepaald dat een eerder op vordering van Promnefstroy toegewezen "freezing order" op de banktegoeden van Yukos moet worden opgeheven. Thans vordert Promneftstroy in kort geding opnieuw het opleggen van een freezing order. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft overwogen dat het oordeel van de Hoge Raad niet kan worden herzien. Evenmin is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan opnieuw een freezing order zou kunnen worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 17 maart 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 482139 / KG ZA 11-197 P/MV van

de rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie

OOO PROMNEFTSTROY,

gevestigd te Moskou,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 7 februari 2011,

verweerster in reconventie,

advocaten mr. R.S. Meijer te Den Haag en mr. J.F. Ouwehand te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

YUKOS INTERNATIONAL UK B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

4. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR YUKOS INTERNATIONAL,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaten mrs. B.F.H. Rumora-Scheltema en R.J. van Galen te Amsterdam,

en tegen

5. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. E.E.U. Vroom en J. Spijksma te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 482996 / KG ZA 11-267 P/MV van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

YUKOS INTERNATIONAL UK B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij concept-dagvaarding,

advocaten mrs. B.F.H. Rumora-Scheltema en R.J. van Galen te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

advocaten mrs. E.E.U. Vroom en J. Spijksma te Amsterdam.

In de zaak met rolnummer KG 11-197 (hierna zaak 1) zal eiseres Promneftstroy worden genoemd. Gedaagden sub 1 tot en met 4 zullen gezamenlijk (in enkelvoud) Yukos worden genoemd en afzonderlijk Yukos International, [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Stichting Administratiekantoor. Gedaagde sub 5 zal ABN AMRO worden genoemd.

In de zaak met rolnummer KG 11-267 (hierna zaak 2) zal eiseres Yukos of Yukos International worden genoemd en gedaagde ABN AMRO.

1. De procedure

In zaak 1 heeft Promneftstroy ter terechtzitting van 2 maart 2011 gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat zij haar eis heeft verminderd zoals hierna onder (1) van 3.1 te melden. Yukos heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening; ABN AMRO heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Yukos heeft vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. Promneftstroy heeft de vordering in reconventie bestreden.

Zaak 1 is gelijktijdig behandeld met zaak 2. In deze laatste zaak heeft Yukos gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte concept-dagvaarding. ABN AMRO heeft verweer gevoerd met conclusie tot (gedeeltelijke) weigering van de gevraagde voorziening.

Alle partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig:

Aan de zijde van Promneftstroy: [persoon 1] en [persoon 2] met mrs. Meijer en Ouwehand.

Aan de zijde van Yukos: mrs. Rumora-Scheltema en Van Galen.

Aan de zijde van ABN AMRO: [persoon 3] en [persoon 4] met mrs. Vroom en Spijksma.

Verder waren twee fluistertolken Nederlands-Engels aanwezig ([persoon 5] en

[persoon 6]).

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten in beide zaken

2.1. OAO Yukos Oil Company (hierna Yukos Oil), een Russische vennootschap, hield alle aandelen in Yukos Finance B.V. (hierna Yukos Finance), die op haar beurt alle aandelen hield in Yukos International. Bij een reorganisatie in 2005 zijn de aandelen van Yukos Finance in Yukos International aan de Stichting Administratiekantoor overgedragen.

2.2. Yukos Oil is op 1 augustus 2006 in Rusland failliet verklaard. E.K. Rebgun (hierna Rebgun) is benoemd tot curator. Rebgun heeft de bestuurders van Yukos Finance ([gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]) ontslagen en twee nieuwe bestuurders benoemd. Op 15 augustus 2007 heeft Rebgun de aandelen van Yukos Oil in Yukos Finance op een in Rusland gehouden veiling verkocht aan Promneftstroy. De koopprijs van de aandelen bedroeg USD 307.000.000. De aandelen zijn op 10 september 2007 geleverd.

2.3. In een bodemvonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2007 waarin Yukos Finance, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als eisers optraden en Rebgun en de twee door hem benoemde bestuurders als gedaagden is – kort gezegd – geoordeeld dat het Russische faillissement van Yukos Oil strijdig is met de Nederlandse openbare orde en dat het Russische faillissementsvonnis om die reden niet in Nederland kan worden erkend.

2.4. Tegen het vonnis van 31 oktober 2007 is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. In die procedure is Promneftstroy als tussenkomende partij opgetreden. Bij arrest van 19 oktober 2010 heeft het hof voor recht verklaard dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden. De motivering die het hof aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd komt er – kort gezegd – op neer dat het Russische faillissementsvonnis territoriale werking heeft, in die zin dat het faillissementsbeslag op het vermogen van Yukos Oil zich niet uitstrekt tot haar in Nederland aanwezige baten en in die zin dat de rechtsgevolgen die naar Russisch recht aan het faillissement zijn verbonden in Nederland niet kunnen worden ingeroepen, voor zover dit ertoe zou leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van (het voormalige) Yukos Oil (zie rechtsoverweging 3.3.3 van het arrest). Het hof heeft voor het oordeel of het faillissement strijdig is met de Nederlandse openbare orde de zaak aangehouden totdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak zal hebben gedaan in een zaak tussen Yukos Oil en de Russische Federatie, welke zaak verband houdt met de zaak bij het gerechtshof Amsterdam.

2.5. (Onder meer) Promneftstroy heeft cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2010. In deze zaak heeft de Hoge Raad nog geen arrest gewezen.

2.6. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op vordering van Promneftstroy op 6 maart 2008 vonnis gewezen. Dit vonnis komt er – kort gezegd – op neer dat Yukos International, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is bevolen de verkoopopbrengst van een tweetal transacties op een afzonderlijke bankrekening ten name van Yukos International te storten en te houden en daarover niet te beschikken, totdat daarover bij een in kracht van gewijsde gegaan of uitvoerbaar bij voorraad gedane uitspraak van een Nederlandse rechterlijke instantie anders is beslist. De verkoopopbrengst is gestort op een rekening bij Fortisbank (thans ABN AMRO).

2.7. Tegen het kort gedingvonnis van 6 maart 2008 is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Het gerechtshof heeft bij arrest van 24 februari 2009 een – voor zover hier van belang – gelijke veroordeling uitgesproken jegens Yukos International, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]. De motivering van zowel de voorzieningenrechter als het gerechtshof komt er – kort gezegd – op neer dat partijen strijden over de vraag wie als aandeelhouder van Yukos Finance kan worden aangemerkt en dat het vermogen van Yukos Finance onaangetast dient te blijven totdat op deze vraag definitief is beslist (“freezing order”).

2.8. Tegen het arrest van 24 februari 2009 is cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Op 7 januari 2011 heeft de Hoge Raad arrest gewezen. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof alsmede het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en heeft opnieuw rechtdoende de door Promneftstroy gevraagde voorziening geweigerd. De Hoge Raad heeft zijn arrest gemotiveerd met een verwijzing naar de zogenoemde afstemmingsregel die inhoudt dat een rechter die in kort geding moet beslissen over het geven van een voorlopige voorziening nadat een bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, (behoudens uitzonderingen) zijn oordeel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. Onder 3.4.3. van het arrest van de Hoge Raad is opgenomen:

Deze afstemmingsregel geldt ook in het zich hier voordoende geval dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat een in het buitenland uitgesproken faillissement hier te lande niet kan worden erkend omdat het tot stand gekomen is op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde, terwijl vervolgens in een kort geding de vraag moet worden beantwoord of de curator in het faillissement hier te lande rechtsgeldig rechtshandelingen, in dit geval: levering van de aandelen Yukos Finance aan Promneftstroy, heeft kunnen verrichten.

De Hoge Raad heeft onder 3.1 van zijn arrest de feiten vermeld waarvan in cassatie is uitgegaan. Onder (xi) verwijst de Hoge Raad naar het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2007 (zie 2.3). Onder (xi) wordt onder meer gemeld wie partij waren in het geschil dat tot dit vonnis heeft geleid.

2.9. Bij verzoekschrift van 11 februari 2011 heeft Promneftstroy de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van Yukos International onder de ABN AMRO. In het verzoekschrift heeft Promneftstroy gesteld onder meer een vordering te hebben van USD 338.030.000,- (inclusief rente en kosten) in het geval geoordeeld wordt dat zij de aandelen in Yukos Finance niet heeft verkregen. Zij heeft dan een vordering op het voormalige Yukos Oil op grond van onverschuldigde betaling ter hoogte van de koopsom van de aandelen. Promneftstroy dient zich in die situatie te kunnen verhalen op de hier te lande nog aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil, die in ieder geval bestaan uit het tegoed op de ABN AMRO-rekening die onder beheer staat van Yukos International. Promneftstroy heeft belang bij een conservatoir beslag omdat de Hoge Raad in zijn arrest van 7 januari 2011 de freezing order heeft opgeheven, aldus het verzoekschrift van Promneftstroy. Voor deze vordering heeft de voorzieningenrechter op 14 februari 2011 beslagverlof verleend. Op 15 februari 2011 is het beslag onder de ABN AMRO gelegd.

3. Het geschil in conventie in zaak 1

3.1. Promneftstroy vordert – kort gezegd – het volgende:

(1) Yukos te gebieden het tegoed op de rekening van ABN AMRO dat op 28 januari 2011 USD 637.980.079,29 bedroeg op die rekening te (doen) houden en daarover niet op enigerlei wijze te beschikken, tot daarover bij in kracht van gewijsde gegaan of uitvoerbaar bij voorraad gedane uitspraak van een Nederlandse rechter anders is beslist, danwel bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak van een Nederlandse rechter is verklaard dat Promneftstroy geen rechthebbende is op de aandelen in Yukos Finance (ter zitting heeft Promneftstroy haar eis verminderd omdat is gebleken dat het tegoed op de ABN AMRO-rekening thans USD 570.654.940,14 bedraagt);

(2) ABN AMRO te verbieden op enigerlei wijze mee te werken aan enig handelen van Yukos, waardoor direct of indirect het tegoed op de ABN AMRO-rekening afneemt of tot zekerheid gaat dienen tegenover derden, totdat onherroepelijk in rechte is beslist dat Promneftstroy geen aandeelhouder van Yukos Finance is geworden;

(3) Yukos te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000.000,- voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder (1) bedoelde bevel;

(4) Yukos te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Promneftstroy heeft hiertoe – samengevat weergegeven – gesteld dat de Hoge Raad op 7 januari 2011 de uitspraken heeft vernietigd van de voorzieningenrechter van 6 maart 2008 en van het gerechtshof van 24 februari 2009 waarin aan Yukos een freezing order was opgelegd. Omdat het arrest van de Hoge Raad op een tweetal kennelijke misslagen berust, kan in dit kort geding een nieuwe freezing order worden gevorderd en opgelegd. De eerste kennelijke misslag is erin gelegen dat Promneftstroy geen partij was in het geschil dat tot het bodemvonnis van 31 oktober 2007 heeft geleid, zodat de Hoge Raad ten onrechte de afstemmingsregel heeft toegepast. De afstemmingsregel ziet slechts op gedingen tussen dezelfde partijen. De stelling dat Promneftstroy geen partij was, is ongemotiveerd door de Hoge Raad gepasseerd. De afstemmingsregel is bovendien ten onrechte toegepast – en dit is de tweede misslag – omdat op grond van het karakter van een freezing order, dat goed is te vergelijken met een conservatoir beslag, de zogenoemde afwegingsregel had moeten worden toegepast. Volgens de afwegingsregel, die geldt bij beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag, moeten alle relevante belangen worden meegewogen en kan het belang van een beslaglegger zwaarder wegen dan dat van de beslagene, ook indien de vordering van de beslaglegger (in eerste aanleg) in een bodemzaak is afgewezen. Ook hieraan heeft de Hoge Raad geen woord gewijd.

Naast de twee misslagen in het arrest van de Hoge Raad beroept Promneftstroy zich op een aantal nieuwe feiten en ontwikkelingen die het opnieuw opleggen van een freezing order rechtvaardigen. Allereerst heeft het gerechtshof te Amsterdam op 19 oktober 2010 een (tussen)arrest gewezen in het hoger beroep tegen het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2007. In dit arrest heeft het gerechtshof het aandeelhouderschap van Promneftstroy afgewezen omdat op grond van het territorialiteitsbeginsel een buitenlandse curator geen beschikkingshandelingen kan verrichten met betrekking tot zich in Nederland bevindende goederen van de buitenlandse failliet, voor zover dit ertoe zou leiden dat schuldeisers zich niet langer op die goederen zouden kunnen verhalen. Dit oordeel van het gerechtshof vormt een kennelijke misslag, omdat een curator hoe dan ook beschikkingshandelingen mag verrichten en er daardoor de facto een situatie kan ontstaan dat bepaalde activa niet meer vatbaar zijn voor verhaal door schuldeisers. Vanwege deze misslag behoeft de voorzieningenrechter in dit kort geding haar oordeel niet op het gerechtshof af te stemmen. Evenmin behoeft zij haar oordeel af te stemmen op het vonnis van 31 oktober 2007 omdat – zoals hiervoor reeds aangevoerd – Promneftstroy in die zaak geen partij was. Overigens geldt ook in dit kort geding het primaat van de afwegingsleer boven de afstemmingsleer. Het arrest van het gerechtshof bevat ten slotte nog een viertal andere kennelijke misslagen, aldus Promneftstroy (zie punt 4.3.7 van haar dagvaarding).

Een tweede nieuwe ontwikkeling is een brief van 24 januari 2011 van mr. Van Galen waarin namens Yukos is aangekondigd dat het saldo van de ABN AMRO-rekening zal worden overgeboekt, tenzij Promneftstroy binnen 14 dagen een kort geding aanhangig maakt tegen Yukos en ABN AMRO. Dit is in strijd met eerder door Yukos gedane toezeggingen dat de assets van Yukos Finance in tact blijven totdat onherroepelijk in rechte vaststaat dat Promneftstroy geen aandeelhouder is van Yukos Finance.

Promneftstroy heeft een spoedeisend belang bij een opnieuw op te leggen freezing order. Mocht uiteindelijk in rechte worden geoordeeld dat zij eigenaar is geworden van de aandelen in Yukos Finance, dan zal dit een Pyrrusoverwinning blijken te zijn als Yukos het tegoed bij ABN AMRO heeft weggesluisd. De belangen van Yukos die hiertegenover staan, wegen minder zwaar. Yukos drijft geen onderneming en kan met het uitkeren van de tegoeden aan haar stakeholders wachten tot het eindoordeel van de Nederlandse rechter. Promneftstroy is bovendien bereid aan verantwoord cash management mee te werken.

Tegen ABN AMRO wordt voor alle duidelijkheid een verbod gevorderd om te voorkomen dat het aan Yukos te geven bevel wordt ondermijnd. ABN AMRO heeft zich steeds neutraal opgesteld in deze kwestie, zodat Promneftstroy verwacht dat zij zich zal refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Promneftstroy vordert daarom geen dwangsom en kostenveroordeling jegens ABN AMRO.

3.3. Op de standpunten van Yukos en ABN AMRO zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. Het geschil in reconventie in zaak 1

4.1. Yukos vordert – kort gezegd – het volgende:

A. Promneftstroy op straffe van een dwangsom van € 100.000.000,- per overtreding te gebieden te gehengen en gedogen dat Yukos International beschikt over de gelden op de bankrekening bij ABN AMRO;

B. Promneftstroy te veroordelen aan Yukos International een schadevergoeding te betalen van USD 50.097.062,92;

C. Promneftstroy te veroordelen aan Yukos International € 100.000,- te betalen, zijnde de juridische kosten van Yukos International en ABN AMRO;

D. opheffing van het onder 2.9 genoemde door Promneftstroy ten laste van Yukos International onder ABN AMRO gelegde conservatoire beslag;

E. Promneftstroy op straffe van een dwangsom van € 100.000.000,- per overtreding te verbieden opnieuw conservatoire beslagen te leggen ten laste van Yukos International, althans Promneftstroy te gebieden bij ieder verzoek tot het leggen van conservatoir beslag een kopie van dit vonnis over te leggen;

F. Promneftstroy op straffe van een dwangsom van € 100.000.000,- per overtreding te verbieden om, zolang niet door de Nederlandse rechter in een bodemvonnis is vastgesteld dat Promneftstroy aandeelhouder van Yukos Finance is geworden, enige procedure in te stellen, in of buiten Nederland, in kort geding, in een bodemprocedure of anderszins tegen Yukos, anders dan de procedures die op 7 februari 2011 reeds aanhangig waren, althans in goede justitie een zodanige maatregel te nemen als nodig is om Promneftstroy te verhinderen de Yukos-entiteiten alsmede hun bestuurders te blijven achtervolgen met nodeloze en belastende procedures.

4.2. Yukos stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat zij een (spoedeisend) belang heeft bij de vordering onder A omdat Promneftstroy ABN AMRO intimideert en steeds probeert te verhinderen dat zij uitvoering geeft aan betalingsopdrachten van Yukos International. Dit is onrechtmatig jegens Yukos.

Over vordering B stelt Yukos het volgende. Aangezien uit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2011 volgt dat Promneftstroy Yukos ten onrechte en onder dreiging van dwangsommen aan de freezing order heeft gehouden, is Promneftstroy aansprakelijk voor de schade die hieruit is voortgevloeid. De schade is begroot op de wettelijke rente, met dien verstande dat de op de rekening bij de ABN AMRO genoten creditrente hiervan moet worden afgetrokken. De vordering is spoedeisend omdat Promneftstroy als een special purpose vehicle wordt gehanteerd met als enige doel het managen van de investering in Yukos Finance. Wanneer Promneftstroy de bodemprocedure definitief verliest, valt er niets meer op haar te verhalen.

Vordering C ziet op het betalen van een schadevergoeding voor juridische kosten van zowel Yukos als ABN AMRO. Op grond van een overeenkomst is Yukos International gehouden de juridische kosten van ABN AMRO die samenhangen met de bankrekening te vergoeden. Promneftstroy maakt misbruik van recht door in weerwil van het arrest van de Hoge Raad zaak 1 te starten en Yukos is om die reden gedwongen zaak 2 starten. Zowel Yukos als ABN AMRO worden hierdoor op kosten gejaagd.

De vordering tot opheffing van het door Promneftstroy gelegde beslag (vordering D) moet worden toegewezen. De vordering waarvoor beslag is gelegd is summierlijk ondeugdelijk. Het gaat immers om een vordering van Promneftstroy die zij stelt te hebben op Yukos Oil en daaruit kan geen vordering op Yukos International worden afgeleid. Yukos Oil en Yukos International kunnen niet worden vereenzelvigd. Bovendien heeft Promneftstroy hooguit een vordering op Rebgun. Dat sprake is van onverschuldigde betaling is tot slot onjuist. Promneftstroy heeft met de koop van de aandelen (voor een fractie van de intrinsieke waarde) een gok genomen (en verloren). Promneftstroy is met open ogen in een ongewisse transactie gestapt. Een vergelijkbaar verzoek tot het leggen van beslag is reeds eerder (op 8 maart 2008) door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen.

Omdat Promneftstroy geen vordering heeft op Yukos Oil en evenmin op Yukos International is ook vordering E toewijsbaar.

Tot slot is ook vordering F toewijsbaar, aldus Yukos. Yukos wordt bestookt met kansloze door Promneftstroy aangespannen procedures, waardoor sprake is van misbruik van recht. Hieraan dient een eind te komen. Met het gevraagde verbod wordt niet beoogd Promneftstroy te verhinderen om (in lopende procedures) in rechte vastgesteld te krijgen dat zij aandeelhouder van Yukos Finance is geworden. Het verbod is derhalve niet strijdig met artikel 6 EVRM of met artikel 17 Grondwet

4.3. Op de standpunten van Promneftstroy zal hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Het geschil in zaak 2

5.1. In zaak 2 vordert Yukos – kort gezegd – ABN AMRO te bevelen om uitvoering te geven aan betalings- en beleggingsopdrachten van Yukos International ten laste van de bankrekening bij ABN AMRO als bedoeld onder punt 21 van de dagvaarding, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van dit geding.

5.2. Yukos stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat zij er recht op heeft dat ABN AMRO haar betalingsopdrachten uitvoert. Het enkel afwijzen van de vordering van Promneftstroy jegens ABN AMRO in zaak 1 zal in de praktijk onvoldoende blijken te zijn. Promneftstroy bestookt ABN AMRO immers met dreigementen en aansprakelijkstellingen indien ABN AMRO de tegoeden van Yukos overboekt. Yukos heeft daarom een (spoedeisend) belang bij de jegens ABN AMRO gevraagde voorziening.

Onder punt 21 van de dagvaarding van Yukos is het volgende opgenomen:

Yukos International wil de mogelijkheid hebben om verantwoord cash management te plegen met de gelden op de Bankrekening. Daartoe wil zij de mogelijkheid hebben om de gelden op een andere rekening, met gunstiger voorwaarden, te plaatsen, dan wel te investeren in laag risico obligaties. De betalings- en/of beleggingsopdracht waar het hier om gaat zou derhalve betreffen een opdracht tot overboeking van de gelden naar een andere rekening ten name van Yukos International, dan wel een opdracht tot het investeren van (een deel van) de gelden in (naar het oordeel van het bestuur van Yukos International) veilige obligaties.

5.3. Op het standpunt van ABN AMRO zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

6. De beoordeling in conventie in zaak 1

6.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hetgeen hier is overwogen geldt eveneens in reconventie en in zaak 2.

6.2. Promneftstroy vordert in dit kort geding het opleggen van een freezing order ten laste van Yukos. Over de freezing order is in drie instanties geprocedeerd. Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan elk juridisch geschil een einde dient te komen en dat de Hoge Raad hierbij het laatste woord heeft. In zijn arrest van 7 januari 2011 heeft de Hoge Raad – kort gezegd – bepaald dat de freezing order aan Promneftstroy dient te worden ontzegd op grond van de zogenoemde afstemmingsregel. Die regel houdt in dat een rechter in kort geding zijn oordeel dient af te stemmen op dat van de bodemrechter. In dit geval had de kort gedingrechter, aldus de Hoge Raad, zijn oordeel moeten afstemmen op het bodemvonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2007 waarin is geoordeeld dat het Russische faillissement van Yukos Oil strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Volgens de Hoge Raad had derhalve uitgangspunt moeten zijn dat de curator in dat faillissement de levering van de aandelen in Yukos Finance aan Promneftstroy niet had kunnen verrichten. Volgens Promneftstroy berust het hiervoor weergegeven oordeel van de Hoge Raad op twee kennelijke misslagen en onder meer op die grondslag vordert zij opnieuw een freezing order.

6.3. Afgezien van beantwoording van de ter zitting door Yukos opgeworpen vraag van rechtsfilosofische aard of de Hoge Raad wel misslagen kan begaan, is de voorzieningenrechter het volgende van oordeel. De Hoge Raad heeft in dit geval de afstemmingsregel toegepast terwijl Promneftstroy geen partij was in het geschil dat heeft geleid tot het bodemvonnis van 31 oktober 2007. Zoals Yukos terecht heeft aangevoerd houdt de afstemmingsregel niet in dat het vonnis van 31 oktober 2007 voor Promneftstroy bindende kracht heeft als bedoeld in artikel 236 Rv, doch dat de kort gedingrechter dat bodemvonnis als richtsnoer dient te nemen bij de vraag of een voorlopige voorziening al dan niet moet worden verleend. Van schending van artikel 19 Rv en/of van artikel 6 EVRM is dus geen sprake. In de feiten die in het arrest van de Hoge Raad zijn opgenomen, is tevens opgenomen wie partij waren bij het geschil dat tot het bodemvonnis heeft geleid. Bij de Hoge Raad is uitgebreid aan de orde geweest dat Promneftstroy geen partij was. Hieruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad de afstemmingsregel tevens van toepassing acht in een geval dat een partij geen partij was in de bodemzaak, doch wel in de kort gedingzaak, ervan uitgaande dat beide zaken (zoals in dit geval) materieel over dezelfde kwestie gaan. Dit oordeel van de Hoge Raad kan niet door de kort gedingrechter worden herzien of gewijzigd.

6.4. Hetzelfde geldt voor de tweede door Promneftstroy beweerde kennelijke misslag, te weten het oordeel van de Hoge Raad dat in dit geval niet de afwegingsregel (die volgens vaste jurisprudentie geldt in een kort geding waarin opheffing van een conservatoir beslag wordt gevorderd), doch de afstemmingsregel van toepassing is. Promneftstroy is het met dit oordeel kennelijk niet eens, maar ook hier geldt dat het in ons rechtssysteem niet aan de voorzieningenrechter is dit oordeel te herzien.

6.5. De tweede grondslag voor de vordering van Promneftstroy is erin gelegen dat volgens haar sprake is van twee nieuwe feiten die alsnog een freezing order rechtvaardigen. Het eerste nieuwe feit is, aldus Promneftstroy, het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2010. Het gerechtshof heeft in dit arrest het vonnis van de rechtbank van 31 oktober 2007 niet vernietigd, waardoor het arrest naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als een nieuw feit kan worden aangemerkt. Integendeel, het gerechtshof heeft onder 3.5.1 van zijn arrest overwogen dat de rechtbank in het vonnis van 31 oktober 2007 het toetsingskader heeft gevolgd dat het hof juist acht. Het gerechtshof heeft vervolgens voor recht verklaard dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen Yukos Finance is geworden. Derhalve valt voorshands niet in te zien hoe een beroep van Promneftstroy op dit arrest haar kan baten. Dit wordt niet anders indien Promneftstroy zou worden gevolgd in haar standpunt dat het arrest van het hof kennelijke misslagen bevat. (Promneftstroy heeft in dit verband uitgebreid betoogd dat het oordeel van het hof dat – kort gezegd – het territorialiteitsbeginsel eraan in de weg staat dat Promneftstroy de aandelen heeft verkregen, als een dergelijke misslag moet worden aangemerkt.) In die situatie zou de voorzieningenrechter in dit kort geding immers haar oordeel dienen af te stemmen op het bodemvonnis van 31 oktober 2007, wat, zoals de Hoge Raad al heeft beslist, ertoe leidt dat aan Promneftstroy een freezing order moet worden ontzegd.

6.6. Het tweede door Promneftstroy naar voren gebrachte nieuwe feit dat thans een freezing order zou rechtvaardigen is de brief van 24 januari 2011 van mr. Van Galen, de advocaat van Yukos, waarin hij aankondigt dat het saldo van de ABN AMRO-rekening zal worden overgeboekt, tenzij Promneftstroy hiertegen een kort geding aanhangig zal maken. Nu Yukos niet kenbaar wil maken waar het saldo naartoe overgeboekt zal worden, is dit strijdig met eerdere toezeggingen van Yukos dat niets zal worden gedaan totdat onherroepelijk in rechte vaststaat dat Promneftstroy geen aandeelhouder van Yukos Finance is, aldus Promneftstroy. Promneftstroy heeft een aantal stukken in het geding gebracht waaruit die toezeggingen van Yukos zouden blijken. De freezing order is volgens Promneftstroy toewijsbaar op grond van deze toezeggingen. De voorzieningenrechter zal Promneftstroy hierin niet volgen. Immers, in alle procedures heeft Yukos zich tegen het voortduren van de freezing order verzet. Uit de door Promneftstroy aangehaalde passages uit de gedingstukken blijkt dan ook niet van een andere of verdergaande toezegging van Yukos dan dat zij niet tot een uitkering of betaling over zal gaan, die het vermogen van Yukos Finance zou aantasten. Ook nu heeft Yukos aangevoerd dat het niet haar bedoeling is om tot zo’n uitkering of betaling over te gaan. Zij wil slechts zonder inmenging van Promneftstroy het door haar gewenste cash management kunnen voeren. Door de freezing order zou zij opnieuw voor iedere wijziging in het beleggen afhankelijk zijn van de toestemming van Promneftstroy. Dit standpunt is geheel in lijn met het standpunt dat Yukos in de bedoelde processtukken heeft ingenomen. Ook deze stelling van Promneftstroy kan derhalve niet tot toewijzing van de gevraagde freezing order leiden.

6.7. De conclusie tot zover is dat de vorderingen in conventie in zaak 1 jegens Yukos niet kunnen worden toegewezen. Hieruit vloeit voort dat de vordering van Promneftstroy jegens ABN AMRO evenmin kan worden toegewezen.

6.8. Promneftstroy zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding gevallen aan de zijde van Yukos en ABN AMRO. Deze kosten worden (per gedaagde partij) begroot op € 568,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat.

7. De beoordeling in reconventie in zaak 1

7.1. Vordering A in reconventie kan worden aangemerkt als het spiegelbeeld van de vordering van Promneftstroy in conventie. Nu deze vordering in conventie wordt afgewezen, ligt de vordering in reconventie voor toewijzing gereed. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2011 dient Yukos in beginsel vrijelijk te kunnen beschikken over het tegoed op de ABN AMRO-rekening, mits dit geschiedt binnen de door haarzelf gestelde grenzen (zie punt 41 van de pleitnota van haar raadslieden), te weten dat het bestuur van Yukos International dient te handelen in het belang van de vennootschap en haar uiteindelijke aandeelhouders, ongeacht wie dat zijn. Dat Yukos International op korte termijn over het tegoed wil en/of moet kunnen beschikken in het kader van cash management is voldoende aannemelijk. Promneftstroy heeft de bank waar het tegoed berust meerdere keren aangeschreven. Zo heeft zij in haar brief van 7 januari 2011 (productie 6 van Yukos), die is geschreven nadat zij van het arrest van de Hoge Raad van diezelfde datum had kennisgenomen, uitdrukkelijk al haar rechten voorbehouden om op te treden tegen any party that assists in the improper dissipation (“ het verdwijnen”) of assets. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het (spoedeisend) belang van Yukos bij toewijzing van de vordering voldoende aangetoond. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

7.2. Vordering B strekt tot betaling van een geldsom, te weten betaling van

USD 50.097.062,92 bij wijze van voorschot op de schadevergoeding. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Promneftstroy heeft tegen deze vordering onder meer het verweer gevoerd dat de beweerde schade op een lager bedrag (of op nihil) had kunnen worden vastgesteld indien Yukos was ingegaan op het aanbod van Promneftstroy om gedurende de periode dat de freezing order van kracht was mee te werken aan cash management. Dit verweer staat aan toewijzing van de vordering in dit kort geding – dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten – in de weg. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft Yukos bovendien geen spoedeisend belang bij toewijzing van haar vordering. Yukos heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij het gevorderde bedrag (dringend) nodig heeft voor haar bedrijfsvoering of voor het betalen van juridische kosten. Daarnaast ontbreekt het spoedeisend belang omdat Yukos ter zitting het antwoord is schuldig gebleven op de vraag op welke vermogensbestanddelen van Promneftstroy (Promneftstroy treedt thans slechts op als special purpose vehicle) zij denkt de vordering te kunnen verhalen.

7.3. De vordering onder C (betaling van € 100.000,- als voorschot op de juridische kosten) treft hetzelfde lot als de vordering onder B. Omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van de gebruikelijke proceskostenveroordeling (van artikel 237 juncto 239 Rv) zijn gesteld noch gebleken. Op voorhand kan niet worden gezegd dat Promneftstroy misbruik van haar recht heeft gemaakt door dit kort geding aanhangig te maken. Aan een beroep op misbruik van recht dienen in zijn algemeenheid hoge eisen te worden gesteld. Dat Yukos International op grond van een overeenkomst met ABN AMRO de juridische kosten van ABN AMRO voor haar rekening dient te nemen, is onvoldoende om in dit kort geding te kunnen oordelen dat deze kosten een op een moeten worden doorbelast aan Promneftstroy.

7.4. Ten aanzien van vordering D geldt dat een conservatoir beslag onder meer kan worden opgeheven indien summierlijk blijkt dat de vordering (of: het recht) ter verzekering waarvan het is gelegd ondeugdelijk is. Onder punt 38 van het beslagrekest van Promneftstroy en onder punt 7 van de pleitnota van haar raadsman (mr. Ouwehand) is opgenomen dat – mocht komen vast te staan dat Promneftstroy de aandelen niet rechtsgeldig heeft verkregen – zij een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling heeft op het voormalige Yukos Oil ter waarde van de koopsom van die aandelen (USD 307.000.000). Promneftstroy wil zich in die situatie kunnen verhalen op het hier te lande nog aanwezige vermogensbestanddeel van Yukos Oil, te weten het tegoed op de ABN AMRO-rekening, dat onder beheer staat van Yukos International. Het beslag is gelegd ten laste van Yukos International. Ook volgens het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2010 moeten onvoldane crediteuren van Yukos Oil zich op dit tegoed kunnen verhalen, aldus Promneftstroy.

7.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van Promneftstroy op Yukos International gebleken. Niet valt in te zien hoe een mogelijke vordering op Yukos Oil, welke vennootschap niet meer bestaat, op Yukos International zou kunnen worden verhaald. Niet gebleken is dat de aan de curator betaalde koopsom aan Yukos International ten goede is gekomen. Of de koopsom van de aandelen ten goede is gekomen aan de boedel van Yukos Oil of dat die koopsom op een andere manier is aangewend, kan in dit geding niet worden vastgesteld. In ieder geval staat vast dat die koopsom niet ten goede is gekomen aan Yukos Finance. Mocht Promneftstroy een vordering hebben uit onverschuldigde betaling (hetgeen overigens naar alle waarschijnlijkheid in Rusland naar Russisch recht beoordeeld dient te worden), dan richt die vordering zich tegen Yukos Oil of tegen de curator, die de aandelen kennelijk heeft verkocht zonder daarover te kunnen beschikken. Dat het tegoed van Yukos International bestemd zou zijn om erkende crediteuren van Yukos Oil te voldoen, maakt het voorgaande niet anders. Het tegoed is van Yukos International, niet van Yukos Oil (onjuist is de stelling van Promneftstroy dat het tegoed onder beheer staat van Yukos International) en vereenzelviging van beide vennootschappen kan niet zonder meer worden aangenomen. De conclusie is dan ook dat het beslag zal worden opgeheven. Gezien de ondeugdelijkheid van de vordering van Promneftstroy kan een belangenafweging niet tot een ander oordeel leiden.

7.6. Vordering E van Yukos om Promneftstroy te verbieden opnieuw conservatoire beslagen ten laste van Yukos te leggen is niet toewijsbaar omdat de voorzieningenrechter niet in de toekomst kan kijken. Mogelijk kunnen nieuwe feiten en/of omstandigheden een nieuw beslag rechtvaardigen. De subsidiaire vordering (Promneftstroy te gebieden bij ieder beslagrekest een kopie van dit vonnis te overleggen) is – mede in het licht van artikel 21 Rv (“de waarheidsplicht”) – toewijsbaar omdat op 6 maart 2008 een vergelijkbaar verzoek van Promneftstroy tot het leggen van beslag ten laste van Yukos is afgewezen (productie 8 van Yukos) en omdat in dit vonnis het op 15 februari 2011 gelegde beslag wordt opgeheven. De dwangsom zal worden gematigd als na te melden.

7.7. Vordering F (een procesverbod) is evenmin toewijsbaar omdat de voorzieningenrechter niet in de toekomst kan kijken. Yukos heeft zich in dit verband beroepen op misbruik van (proces)recht aan de zijde van Promneftstroy, maar ook hier geldt dat aan een dergelijk beroep hoge eisen moeten worden gesteld. Aan die eisen is in dit geval niet voldaan. Niet kan worden gezegd dat Promneftstroy procedures aanhangig maakt tegen Yukos met geen ander doel dan Yukos te schaden (zie artikel 3.13 BW). Toewijzing van een (algemeen geformuleerd) procesverbod zou bovendien strijdig kunnen zijn met artikel 6 EVRM dat het recht op onbelemmerde toegang tot de rechter waarborgt.

7.8. Omdat partijen in reconventie over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

8. De beoordeling in zaak 2

8.1. ABN AMRO heeft aangevoerd dat zij met Yukos International een contractuele relatie onderhoudt, een account agreement, waarbij Promneftstroy geen partij is. Omdat echter, aldus ABN AMRO, niet kan worden uitgesloten dat Promneftstroy haar aansprakelijk houdt indien zij aan een verzoek van Yukos tot overboeking van het tegoed gehoor geeft, heeft ABN AMRO ter zitting het belang van Yukos erkend bij toewijzing van haar vordering in zaak 2 en heeft zij tevens erkend dat het in haar eigen belang is dat in zaak 2 uitspraak wordt gedaan. Mede gezien de afwijzing van de freezing order in zaak 1, ligt de vordering van Yukos in zaak 2 dan ook voor toewijzing gereed. Wel dient ABN AMRO te worden gevolgd in haar verweer dat het saldo op de rekening, ingevolge een door haar in het geding gebrachte supplementary account agreement van 17 april 2009, niet minder mag bedragen dan USD 240.000.000. Deze overeenkomst is gesloten tussen drie partijen (Yukos International, de rechtsvoorganger van ABN AMRO en de republiek Slowakije) en uit de overeenkomst kan – kort gezegd – worden afgeleid dat ABN AMRO bij wijze van zekerheid jegens de republiek Slowakije verplicht is het genoemde bedrag van USD 240.000.000 op de rekening te laten staan. Gesteld noch gebleken is dat ABN AMRO deze verplichting niet na zou hoeven komen. De vordering van Yukos zal dan ook worden toegewezen met inachtneming van deze verplichting.

8.2. Omdat ABN AMRO voorafgaand aan deze procedure en ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat zij belang heeft bij een uitspraak in dit kort geding en omdat de door Yukos gevraagde voorziening wordt toegewezen, dient ABN AMRO in de kosten van dit geding te worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op

€ 568,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat.

9. De beslissing

De voorzieningenrechter

In zaak 1 in conventie:

9.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

9.2. veroordeelt Promneftstroy in de kosten van dit geding aan de zijde van Yukos begroot op € 568,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat en aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 568,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat,

9.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In zaak 1 in reconventie:

9.4. gebiedt Promneftstroy te gehengen en te gedogen dat Yukos International beschikt over de gelden op de bankrekening bij ABN AMRO, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000.000,- voor iedere overtreding van dit gebod en voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van

€ 100.000.000,-,

9.5. heft op het conservatoire beslag van Promneftstroy ten laste van Yukos International onder ABN AMRO,

9.6. gebiedt Promneftstroy bij ieder verzoek tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van Yukos International een kopie van dit vonnis aan de voorzieningenrechter te overleggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000.000,- voor iedere overtreding van dit gebod,

9.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

9.8. compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

9.9. wijst het meer of anders gevorderde af,

In zaak 2:

9.10. beveelt ABN AMRO om uitvoering te geven aan betalings- en beleggingsopdrachten voor Yukos International als bedoeld onder punt 21 van de dagvaarding ten laste van de ABN AMRO-rekening, doch slechts voor zover het saldo op de ABN AMRO-rekening hierdoor niet minder zal bedragen dan

USD 240.000.000,

9.11. veroordeelt ABN AMRO in de kosten van dit geding aan de zijde van Yukos tot op heden begroot op € 568,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat,

9.12. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

9.13. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2011.