Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP8045

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
447771 / HA ZA 10-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

psychische decompensatie van verkeersslachtoffer. Onzekerheid over de vraag of die psychische decompensatie als ongevalsgerelateerd is aan te merken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 447771 / HA ZA 10-72

Vonnis van 16 maart 2011

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VALUTA SPEELAUTOMATEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. G.C. Endedijk,

tegen

[A],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. E.G.M. van den Heuvel.

Partijen zullen hierna London c.s. en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 december 2009, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie,

- het tussenvonnis van 10 november 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 18 augustus 2010 en daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] (geboren op --) is op 28 februari 2006 als bestuurder van een auto voor een stoplicht bij de afslag Bos en Lommer bij de A10 te Amsterdam achterop aangereden door een bedrijfsauto, eigendom van Valuta Speelautomaten B.V.

2.2. London Verzekeringen N.V. is de WAM-verzekeraar van Valuta Speelautomaten B.V. London Verzekeringen N.V. heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.3. Tussen London c.s. en [A] is afgesproken dat medische expertise zou worden ingewonnen bij dr. [B], neuroloog/psychiater, om de ongevalsgevolgen in kaart te brengen. Dr. [B] heeft op 2 februari 2007 rapport uitgebracht.

2.4. Dr. [C] heeft op verzoek van [A] psychiatrische onderzoek bij hem verricht en heeft daarover op 7 februari 2008 rapport uitgebracht.

2.5. London c.s. heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig deskundigenbericht. Bij beschikking van 14 augustus 2008 is prof. dr. M. Kuilman, psychiater, door de rechtbank als deskundige benoemd. Prof. dr. Kuilman heeft op 1 november 2009 gerapporteerd.

2.6. [A] heeft in vier kort gedingprocedures gevorderd London c.s. bij wijze van voorlopige voorziening te veroordelen tot betaling van voorschotten op de schade die hij stelt te lijden als gevolg van het ongeval. Mede op grond van de in die kort gedingprocedures uitgesproken betalingsveroordelingen heeft London c.s. in totaal

€ 65.001,72 aan [A] betaald.

3. De vordering in conventie

3.1. London c.s. vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [A] te veroordelen tot terugbetaling van de reeds door London Verzekeringen N.V. aan [A] betaalde voorschotten ad € 65.001,72, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure.

3.2. London c.s. stelt daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende. London c.s. bestrijdt dat [A] als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen. Uit de medische informatie blijkt niet dat er ongevalsletsel is, en zo ja welk letsel. De door [A] aangevoerde ernstige klachten kunnen niet worden verklaard door de ernst van het ongeval. De voorschotten van € 65.001,72 zijn onverschuldigd aan [A] betaald en hij is gehouden tot terugbetaling daarvan. Aldus London c.s.

3.3. [A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. [A] vordert London c.s. bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan hem van:

- € 500.439,14;

- de kosten van fysiotherapie vanaf 1 januari 2008 tot en met 1 juli 2009;

- de kosten van de door [A] ingeschakelde deskundige, waarmee met name te denken valt aan Groot Expertise en de medisch adviseur;

- de kosten van rechtsbijstand, voor zover deze niet betrekking hebben op één van de gevoerde procedures;

- de wettelijke rente over € 380.439,14 vanaf 23 mei 2008, zijnde de datum van dagvaarding in een gevoerd kort geding;

- de wettelijke rente over de overige schadeposten vanaf de datum van het instellen van de eis in reconventie, 31 maart 2010, tot aan de dag der algehele voldoening;

en verder:

vooruitlopend op een veroordeling ter zake de vergoeding van de schade één of meer medisch deskundige(n) te benoemen, die zich een mening moet(en) vormen over de vraag welke lichamelijke en geestelijke klachten [A] ondervindt en of dat deze geheel of ten dele toegeschreven kunnen worden aan het ongeval van 28 februari 2006;

alsmede:

London c.s. te veroordelen in de in deze procedure niet aan de orde gekomen schadeposten, waaronder de toekomstige schade, in materiële en immateriële zin, aan [A] te voldoen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

en London c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2. [A] stelt daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende. Hij heeft als gevolg van het ongeval whiplashletsel en ernstig blijvend hersenletsel. [A] is daardoor niet meer in staat om loonvormende arbeid te verrichten. Tot aan het ongeval verrichtte hij probleemloos zijn werk als kapper in de door hem geëxploiteerde kapperszaak en verrichtte hij werkzaamheden als beheerder van een aantal gokkasten. Als gevolg van het letsel behoeft [A] zeer intensieve dagelijkse (ver)zorg(ing) en begeleiding. [A] vordert vergoeding van geleden en nog te lijden schade wegens verlies van arbeidsvermogen, verzorgings- en opvangkosten, kosten van deskundigen, fysiotherapie en medisch advies.

4.3. London c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1. Het geschil spitst zich vooralsnog toe op de vraag of [A] letsel heeft en of dat letsel als ongevalsgerelateerd is aan te merken. Ten einde daarover duidelijkheid te verkrijgen zijn de hiervoor genoemde rapportages van dr. [B],

dr. [C] en dr. Kuilman vervaardigd.

5.2. Partijen strijden over de bruikbaarheid van die rapportages. Volgens [A] is het rapport van dr. [B] niet bruikbaar omdat daaraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Het rapport is tot stand gekomen op basis van een gesprek over [A] dat een medewerkster van dr. [B] gedurende één uur heeft gevoerd met de heer [D]. De heer [D] is een vriend van [A] die hem de dag van het onderzoek begeleidde. [A] zelf is zeer summier door dr. [B] onderzocht. Aldus [A]. London c.s. voert aan dat de rapportage van dr. [C] niet bruikbaar is omdat het op eenzijdig verzoek van [A] is vervaardigd en London c.s. op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de rapportage van dr. [C].

5.3. Met betrekking tot de rapportage van dr. Kuilman heeft te gelden dat deze in het onderhavige geval op grond van artikel 207 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dezelfde bewijskracht heeft als die, welke op de gewone wijze in een aanhangig geding heeft plaatsgehad.

5.4. Uit de rapportage van dr. Kuilman en de aan hem ter beschikking gestelde stukken blijkt het volgende. [A] is geboren in Irak en is met zijn ouders naar Israel geëmigreerd. Hij huwde met een Nederlandse echtgenote en kocht in 1980 een kapsalon in Amsterdam. In de periode 2000 – 2003 is hij getroffen door twee hartinfarcten en is hij tweemaal slachtoffer geweest van roofovervallen op zijn kapperszaak. Hij is in 2004 gescheiden van zijn echtgenote. Met haar en de twee dochters die uit het huwelijk zijn geboren heeft [A] sedertdien geen contact. [A] stond enkele jaren onder behandeling van een psychiater toen het ongeval hem in februari 2006 overkwam.

Het rapport van dr. Kuilman houdt verder – onder meer en voorzover hier van belang – het volgende in:

(…) Samenvatting:

Op grond van de toestand van betrokkene en zijn minimale verbale respons, is de rapporteur niet in staat geweest tot het afnemen van een ongevals-anamnese, een algemene medische, psychiatrische en een biografische anamnese. Daartoe zullen we een beroep moeten doen op de informatie ontleend aan derden, (…) zoals verkregen uit het dossier en aanvullende informatie. De heer [D] bij wie betrokkene sedert het ongeval in huis is, verschaft enige feitelijke informatie met betrekking tot de voorgeschiedenis. Daaronder bevinden zich geen feiten en gebeurtenissen die niet óók te vinden zijn in de informatie die zich in het toegezonden dossier bevindt. Met uitzondering van het feit dat blijkens de mededelingen van de heer [D] de toestand van betrokkene in de loop van de tijd zodanig is verslechterd, dat hij thans 24 uur per etmaal thuiszorg nodig heeft en in hoge mate ADL-zorgbehoeftig is. Ook tussen hem en betrokkene komt het nauwelijks tot verbale communicatie. Onderzochte wordt (door de heer [D]) beschreven als buitengewoon inactief en passief, zonder veel belangstelling voor wat er om hem heen plaatsvindt. De heer [D] signaleert een contrast tussen dit gedrag sedert het ongeluk en de situatie zoals hij onderzochte kent uit de periode ervoor: actief, in het verbale contact zonder beperkingen, met een grote belangstelling en betrokkenheid bij zijn werkzaamheden en voor de sportbeoefening.

Psychiatrisch onderzoek: vanwege de zeer geringe verbale communicatie is een beoordeling bijzonder moeilijk. Gelet op het feit dat betrokkene op sommige momenten direct en alert reageert, is er geen sprake van een toestand van bewustzijnsverlaging, cq. sufheid. Wel zijn er aanwijzingen voor een bewustzijnsvernauwing, waarbij betrokkene zich lijkt af te sluiten voor wat er van buiten op hem afkomt, als ook voor wat er aan indrukken van binnenuit naar boven zou moeten komen. Het informatieve gehalte van wat onderzochte heeft te brengen, is minimaal. Hij valt op door zijn passieve en regressieve houding. Hij sluit zich af, imponeert als afwijzend en zonder inzet. Nu en dan maakt hij ook een actief afwerende indruk. Onderzochte lijkt zich ongelukkig te voelen, af en toe imponeert hij als gekweld, maar overigens is het moeilijk om een beeld te krijgen van zijn stemming, terwijl hij – een enkele reactie buiten beschouwing gelaten – geen blijkt geeft van affectieve/emotionele responsen in het positieve of negatieve deel van het spectrum. De oriëntatie in tijd en plaats zijn gestoord, maar het is moeilijk uit te maken of dit nu berust op desinteresse/gebrek aan inzet, dan wel op cognitieve manco’s. Het verbale contact was ontoereikend om een beeld te krijgen van het denkvermogen, de waarneming en het verstandelijk potentieel. De reactie van betrokkene op vragen die beogen het cognitief functioneren te testen, tonen een niveau dat men slechts bij een ernstig intelligentieverval, cq. een zeer ernstige hersenbeschadiging of bij verregaande regressie tegenkomt. Onderzochte blijft veelvuldig het antwoord schuldig en/of sluit zich af en geeft er geen blijk van zich veel inspanning te getroosten.

(…)

(…) Conclusies:

* Een onbevredigend onderzoek, in de eerste plaats omdat het niet mogelijk is een (auto)anamnese af te nemen, terwijl de ontvangen en alsnog verkregen informatie op een aantal punten te summier en bovendien tegenstrijdig is. Dat geldt voor de gegevens zowel met betrekking tot feiten, gebeurtenissen en omstandigheden na het ongeval, als daarvoor.

* Met betrekking tot de mechanische impact van het ongeval, is de informatie evenmin eensluidend, maar alles bij elkaar genomen is er hoogst waarschijnlijk sprake geweest van een commotio cerebri.

Duidelijke aanwijzingen voor een ernstiger of andersoortig posttraumatisch hersenletsel ontbreken. Daar komt nog bij dat het ziekte- beloop niet past bij posttraumatische (hersen)organische veranderingen.

* Bij psychiatrisch onderzoek wordt de rapporteur geconfronteerd met een buitengewoon regressief gedrag, meer geprononceerd nog dan vorige onderzoekers hebben kunnen constateren en in veel sterkere mate aanwezig dan in de eerste jaren na het ongeval werd gesignaleerd.

* Voor zover de informatie dit toelaat vast te stellen, geen aanknopingspunten voor een

posttraumatische stress-stoornis.

* Informatie over de pretraumatische situatieve context is onduidelijk en onvolledig. De behandelend psychiater spreekt zichzelf in dat opzicht tegen (…). Het lijkt aannemelijk dat betrokkene toen het ongeluk hem trof, in een kwetsbare positie verkeerde, bij een anamnese met twee roofovervallen, twee hartinfarcten en een echtscheiding. Er zijn aanwijzingen dat betrokkene met een geforceerde ontkenning van zijn problemen en beperkingen zich tot aan het ongeval krampachtig probeerde staande te houden. En het is de vraag of hij zich aldus had weten te redden zonder grote aanpassingsmoeilijkheden als het ongeluk hem niet had getroffen. Het ontbreekt de rapporteur echter aan voldoende gedetailleerde informatie, ontleend uit betrouwbare bronnen om een en ander verder overtuigend uit te werken.

* De verslechtering van onderzochte’s toestand in de loop der jaren na het ongeluk, is vanuit psychiatrisch gezichtspunt in relatie tot (de verwerking van) het ongeval niet te verklaren.

In antwoord op vragen en opmerkingen van de (medisch adviseur van de) advocaat van [A] rapporteert dr. Kuilman:

(…)

Dat onderzochte tot op de dag van het ongeval nog gewoon zijn werk heeft verricht in zijn

kapsalon, is een juiste constatering, maar dat betekent nog niet dat hij zich in een optimimale situatie bevond. Zie in dat verband wat reeds eerder is opgemerkt in mijn commentaar hierboven (…) naar aanleiding van de berichtgeving van de behandelend psychiater, wiens beschrijving de kwalificatie “marginaal” ten aanzien van de psychische toestand van betrokkene rechtvaardigt. Ondergetekende acht het niet uitgesloten dat hij zich tot aan het ongeval wist staande te houden dankzij het feit dat hij zijn werk nog kon doen en aldus iets had waar hij zich aan kon vastklampen. Het ongeval en de zich eruit ontwikkelende klachten en symptomen/beperkingen kunnen in dat verband een ernstige bedreiging zijn geweest voor zijn bestaanszekerheid en aldus de reactiebasis hebben gevormd voor de verregaande regressie en somatisering waarmee de rapporteur thans wordt geconfronteerd. Wellicht is in dat verband ook nog het feit van belang dat vanuit de professionele- en niet-professionele omgeving (…) de nadruk is gelegd op de aanwezigheid van een onherstelbaar ernstig (hersen)letsel, veronderstellingen waarvoor naar het oordeel van ondergetekende geen aanknopingspunten bestaan.

(…) Op basis van voorgaande constateringen en overwegingen, in aanmerking genomen het atypische en bizarre karakter van het huidige toestandsbeeld met zijn buitensporige regressie/fixatie en het progressieve beloop, bij een pretraumatisch verre van optimale levenssituatie met onder meer een scheidingsprocedure en verwikkelingen rond de gokautomaten die betrokkene had aangeschaft – persisteert de rapporteur bij zijn mening dat het geenszins vaststaat dat het ongeval en de gevolgen ervan aanleiding zijn geweest tot de huidige psychische toestand van betrokkene. In tegendeel: het huidig onderzoek en de toegezonden/alsnog verkregen informatie bieden voldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat factoren en omstandigheden die met het ongeval niet van doen hebben op zijn minst een belangrijk aandeel leveren tot de ontwikkeling van het geschetste beeld. Er is echter meer informatie nodig om op dit punt tot overtuigende uitspraken te komen.

(…)

De reactie van dr. Kuilman op nadere vragen van de advocaat van London c.s. luidt als volgt:

(…)

Ten aanzien van de somatische gevolgen van het ongeval is ondergetekende, op grond van de anamnese, de beschikbare informatie, de aard van de klachten en het ziektebeloop van opvatting dat er geen sprake kan zijn geweest van een ongevalsgerelateerde ernstige hersenbeschadiging waarvan de gevolgen zich nog steeds manifesteren. Andersluidende veronderstellingen van andere specialisten missen iedere grond.

(…)

(…)

Dit betekent dat voor het voortduren/intensiveren van de klachten en de indrukwekkende

uitwaaiering en intensivering ervan tot het beeld waarmee we thans worden geconfronteerd, met een verregaande regressie, niet (meer) uit de directe lichamelijke gevolgen van het ongeval zijn te verklaren en evenmin uit de psychotraumatische impact ervan. Dat geldt evenzeer voor de verwerkingsmodus bij een beeld dat in de loop van de tijd steeds meer bizarre en extreem regressieve trekken is gaan vertonen. Dit betekent dat andere factoren en omstandigheden dan het ongeval verantwoordelijk zijn voor het beeld waarmee we thans worden geconfronteerd. Een nadere specificering van die factoren is op grond van het gebrekkige contact met betrokkene niet mogelijk geweest, al heeft de rapporteur wel aanwijzingen voor een belastende pretraumatische situatieve context (…).

In antwoord op de voorgelegde vraagstelling rapporteert dr. Kuilman:

(…)

Wat is de diagnose op uw vakgebied (…)

Antwoord: Betrokkene vertoont een extreem regressief gedrag dat nog het best is te plaatsen in de rubriek van de aanpassingsstoornissen. Bij gebrek aan informatie is het niet mogelijk gebleken om gedetailleerd nader in te gaan op determinanten.

(…)

Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig

moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen?

Antwoord: Dankzij de toestand van betrokkene, de vrijwel ontbrekende auto-anamnese en de

lacunaire informatie, valt deze vraag niet overtuigend te beantwoorden. Wel is op grond van

de beschikbare informatie aannemelijk te maken dat betrokkene, toen het ongeval hem

overkwam, in een kwestbare situatie verkeerde en waarschijnlijk marginaal functioneerde,

met een risico op decompenseren in enigerlei vorm, ook wanneer het ongeluk hem niet was

overkomen.

(…) Voor zover u de vorige vraag bevestigend beantwoordt (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

Antwoord: Gelet op de reeds eerder gegeven overwegingen een nauwelijks te beantwoorden vraag.

Volstaan wordt met de verwachting dat betrokkene waarschijnlijk te eniger tijd ook wel zou zijn gedecompenseerd, in aanmerking genomen de pretraumatische situatieve context en het feit dat hij buitensporig op het ongeval heeft gereageerd (wat niet aan de mechanische- of psychotraumatische impact kan worden toegeschreven).

5.5. In het rapport van dr. Kuilman is geen bevestiging te vinden voor de stelling van [A] dat hij als gevolg van het ongeval hersenletsel heeft en dat zijn klachten en beperkingen daar het gevolg van zijn. Blijkens het rapport kan op grond van anamnese, beschikbare informatie uit het medisch dossier, aard van de klachten en het ziektebeloop geen sprake zijn geweest van een ongevalsgerelateerde hersenbeschadiging. Dr. Kuilman komt tot de conclusie dat er hoogst waarschijnlijk sprake is geweest van een hersenschudding en dat duidelijke aanwijzingen voor een ernstiger of andersoortig posttraumatisch hersenletsel ontbreken. Het eenzijdig in opdracht van [A] opgestelde rapport van dr. [C] en de andersluidende veronderstellingen van behandelaars van [A] leggen tegenover het rapport van dr. Kuilman onvoldoende gewicht in de schaal. De stelling van [A] dat het ongeval hersenletsel tot gevolg heeft gehad en dat zijn klachten en beperkingen daaruit voortkomen, is niet gegrond.

5.6. Weliswaar kan dus niet uitgegaan worden van hersenletsel, maar London c.s. bestrijdt – terecht – niet dat bij [A] sprake is van ernstige psychische problemen. Dr. Kuilman rapporteert dat aannemelijk is dat [A] toen het ongeval hem trof, in een kwetsbare positie verkeerde, bij een anamnese met twee roofovervallen, twee hartinfarcten en een echtscheiding. [A] had zich in verband daarmee ook onder behandeling gesteld van een psychiater. Blijkens het rapport van dr. Kuilman zijn er aanwijzingen dat [A] zich vóór het ongeval met een geforceerde ontkenning van zijn problemen en beperkingen krampachtig probeerde staande te houden. De kwalificatie door de behandelend psychiater van de psychische toestand van [A] vóór het ongeval als “marginaal” wordt door dr. Kuilman als gerechtvaardigd aangemerkt. Dr. Kuilman acht het niet uitgesloten dat [A] zich in die marginale psychische toestand tot aan het ongeval desondanks staande wist te houden dankzij het feit dat hij zijn werk nog kon doen – de rechtbank laat hier in het midden in welke mate [A] zijn werk nog verrichtte – en aldus iets had waar hij zich aan kon vastklampen. Uit het rapport van dr. Kuilman blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat reeds vóór het ongeval sprake was van psychische problematiek. Het beeld dat [A] schetst van zijn situatie vóór het ongeval, namelijk dat hij toen tot alles in staat was en dat hij geheel probleemloos door het leven ging, spoort niet met de bevindingen en conclusies van dr. Kuilman en wordt terzijde gesteld.

5.7. De reeds vóór het ongeval aanwezige marginale psychische toestand van [A] is na het ongeval verslechterd. London c.s. voert aan dat die huidige problematiek van [A] vanwege de marginale psychische toestand vóór het ongeval als pre-existent moet worden aangemerkt. Volgens London c.s. bestaat er geen causaal verband tussen de huidige psychische problematiek van [A] en het ongeval.

5.8. London c.s. voert daartoe aan dat volgens dr. Kuilman geenszins vaststaat dat het ongeval en de gevolgen ervan aanleiding zijn geweest tot de huidige psychologische toestand van [A]. Verder schrijft dr. Kuilman in zijn rapport dat het ongeval niet, maar andere factoren en omstandigheden wél verantwoordelijk zijn voor de psychische decompensatie van [A]. Ook daaraan ontleent London c.s. argument voor haar standpunt dat de psychische problematiek van [A] niet in causaal verband staat tot het ongeval. London c.s. gaat er evenwel aan voorbij dat dr. Kuilman aan het een en ander nadere invulling en nuancering heeft gegeven. De andere factoren en omstandigheden die wél verantwoordelijk zijn voor de psychische decompensatie van [A] zijn er blijkens het rapport namelijk in gelegen dat het ongeval en de zich eruit ontwikkelende klachten, symptomen en beperkingen een ernstige bedreiging kunnen zijn geweest voor de bestaanszekerheid van [A] en aldus de reactiebasis hebben gevormd voor de verregaande regressie en somatisering. Met andere woorden: [A] balanceerde waarschijnlijk al op de rand, maar hield zich tot op zekere hoogte nog staande en het ongeval kan [A] volgens dr. Kuilman van de rand hebben doen vallen. In zoverre kan er volgens het rapport van dr. Kuilman dus sprake zijn van causaal verband tussen het ongeval en de psychische decompensatie van [A].

5.9. Naast de mogelijkheid dat de psychische decompensatie van [A] door het ongeval is geluxeerd, vermeldt dr. Kuilman dat de vraag of de klachten en afwijkingen er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval [A] niet was overkomen niet overtuigend valt te beantwoorden. Hij acht aannemelijk dat [A], gegeven zijn kwetsbare situatie en marginaal functioneren, een risico had op decompenseren in enigerlei vorm, ook wanneer het ongeluk hem niet was overkomen. Een indicatie over de mate van waarschijnlijkheid, de termijn en omvang waarin de klachten en afwijkingen ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan is volgens dr. Kuilman echter nauwelijks te geven.

5.10. Het kan dus zijn dat het ongeval, vanwege de predispositie van [A], heeft geleid tot zijn psychische decompensatie. Indien zich bij [A] als gevolg van het ongeval psychische klachten hebben gemanifesteerd die bij een ander niet zouden zijn opgetreden omdat die klachten hun basis vinden in de marginale psychische toestand waarin [A] vóór het ongeval al verkeerde, maakt dat niet dat London c.s. niet voor die psychische klachten aansprakelijk is. London c.s. heeft [A] te nemen zoals deze is, met diens beperkingen en eigenschappen. Maar ook is dus echter mogelijk dat de psychische decompensatie in enigerlei vorm zou zijn opgetreden zonder ongeval en dat het ongeval daaraan niet heeft bijgedragen omdat de psychische decompensatie geheel het gevolg is van de pre-exististente marginale psychische toestand van [A].

5.11. Enig verder houvast voor een oordeel met betrekking tot het causaal verband tussen het ongeval en de psychische decompensatie van [A] en de aanwezige causaliteitsonzekerheid is volgens het rapport van dr. Kuilman niet te verkrijgen.

In het onderhavig geval, waarin de vergelijkingshypothese tussen de situatie met en zonder ongeval niet met zekerheid is te maken, behoort die bestaande onzekerheid niet geheel en onverkort in het nadeel van [A] te werken. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die [A] de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn geschied. Of de hier bedoelde onzekerheid nu beschouwd wordt als probleem bij vaststelling van het causaal verband (in de zin van conditio sine qua non) of bij vaststelling van de schade is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant omdat causaal verband en schade in dat opzicht in feite uitwisselbaar zijn.

5.12. Om te bewerkstelligen dat de causaliteitsonzekerheid niet geheel en onverkort in het nadeel van [A] werkt, dient een inschatting te worden gemaakt van de hypothetische situatie waarin [A] zou hebben verkeerd zonder ongeval. Voor het maken van een dergelijke inschatting is ook reden omdat de aansprakelijkheid vaststaat, sprake is van schade als gevolg van letsel en – zoals hierna blijkt – niet slechts een zeer kleine kans aanwezig is dat het letsel het gevolg is van het ongeval.

De rechtbank betrekt bij het maken van de inschatting de aard van de door dr. Kuilman beschreven problematiek die reeds vóór het ongeval aanwezig was. Verder is van belang dat die problematiek reeds een zodanig marginale psychische toestand teweeg had gebracht dat [A] ook door een relatief gering ernstig ongeval in vergaande mate psychisch kon decompenseren. Dat maakt de kans dat [A] ook zonder ongeval in vergelijkbare omstandigheden zou zijn komen te verkeren groot. Dit alles brengt de rechtbank tot de slotsom dat [A] aanspraak heeft op vergoeding van één derde deel van de schade.

5.13. London c.s. heeft de door [A] gevorderde schade betwist. Naar aanleiding van hetgeen door London c.s. is aangevoerd, heeft [A] erkend dat bij de berekening van de arbeidsvermogensschade de “winst voor belasting” is aangeduid als “netto winst”. Naar aanleiding van het debat daarover en over de verdere schade-omvang, zal [A] in de gelegenheid worden gesteld te reageren op hetgeen door London c.s. naar voren is gebracht en een nadere opstelling en onderbouwing van zijn schade dienen te verstrekken. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte.

5.14. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

in conventie en in reconventie

De rechtbank:

6.1. verwijst de zaak naar de rol van 13 april 2011 voor het nemen van een akte aan de

zijde van [A];

6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.?