Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP6957

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
458102 - HA ZA 10-1477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensbeheer met trust-constructie. Rekening en verantwoording. De wederpartij van degene wiens vermogen zal worden beheerd, brengt het vermogen in in een trust(achtige constructie). Dit ontslaat die wederpartij op zichzelf nog niet van de plicht tot het doen van rekening en verantwoording. Recht op rekening en verantwoording niet verwerkt en niet verjaard

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Burgerlijk Wetboek Boek 7 403
Burgerlijk Wetboek Boek 7 414
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2011/122
JE 2011/213
JOR 2011/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 458102 / HA ZA 10-1477

Vonnis van 23 februari 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. J.M. Schmidt te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [D],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagden,

advocaat mr. Y.E.J. Geradts te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en LDN c.s. (gedaagden afzonderlijk: LDN respectievelijk [D]) worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte houdende wijziging en vermindering van eis,

- het tussenvonnis van 4 augustus 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 29 november 2010 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. LDN werd van oudsher bestuurd door de heer [B] (hierna: [B]). Vanaf 14 december 1993 is [D] bestuurder van LDN – tezamen met [B] zo begrijpt de rechtbank. Einde 2002 is [B] overleden. Vanaf dat moment was [D] enig bestuurder van LDN.

2.2. In 1988 heeft ten kantore van LDN te Amsterdam een bespreking plaatsgevonden tussen [B] (in hoedanigheid van bestuurder van LDN), [A], de heer [E] (de toenmalige partner van [A]) en een vertegenwoordiger van de Theodoor Gilissen Bank (hierna: TGB). [A] en [E] waren beiden ingezetene van Zweden.

2.3. Tijdens de bespreking is een rechtsbetrekking tot stand gekomen tussen [A] en LDN (hierna: de Rechtsbetrekking). De Rechtsbetrekking hield ten minste in dat tegoeden van [A], ten bedrage van 2.000.000,-- SEK (Zweedse kronen), ten behoeve van [A] zouden worden beheerd, en voorts dat dit beheer inhield dat de tegoeden zouden worden belegd.

2.4. Als gevolg van de gemaakte afspraken zijn de tegoeden van [A] in het vermogen gebracht van de rechtspersoon naar buitenlands recht Economic Research Associates (Ireland) Limited, gevestigd te Dublin, Ierland (hierna ook te noemen: ERA).

2.5. Blijkens een akte gedateerd 11 november 1988 heeft ERA op die datum het volgende verklaard:

We, Economic Research Associates (Ireland) Limited

of 28, Harcourt Street, Dublin 2, Ireland

hereby acknowledge and declare that the shares, bonds and funds set out in the Schedule hereto standing in our name in the books of Theodoor Gilissen N.V. and Algemene Bank Nederland N.V. mentioned in the schedule have been purchased and deposited by us out of moneys belonging to [F] (rechtbank: bedoeld wordt [A]) (…) and are held by us UPON TRUST for the said [F] absolutely.

IN WITNESS whereof Economic Research Associates (Ireland) Ltd. has hereunto caused its Common Seal to be affixed this 11th day of November One thousand nine hundred and Eighty-eight

THE SCHEDULE above referred to

Theodoor Gilissen N.V. Acc.no 21.16.03.392 “Sub acc. SZ”

Nieuwe Doelenstr. 12-14 and all deposit accounts connected hereto

1012 CP Amsterdam

Algemene Bank Nederland N.V. Acc.no 54.02.18.502 “Sub acc. SZ”

Vijzelstraat 68-78 and all deposit accounts connected hereto

1017 HL Amsterdam

The Common Seal of

Economic Research Associates

(Ireland) Limited

was affixed hereto in the

presence of: (rechtbank: volgt handtekening)

Secretary

(rechtbank: volgt handtekening)

2.6. In het geding gebrachte gegevens, kennelijk afkomstig uit de Ierse equivalent van het handelsregister, melden voor zover van belang het volgende over de status van ERA:

(…)

Incorporated 15/07/1988

Company Status DISSOLVED (26/09/1995)

Date Dissolved 26/09/1995

(…)

Name [B]

Title SECRETARY

Address --,

--,

--.

Date of birth

Name [G]

Title DIRECTOR

Address --,

--.

Date of birth

(…)

Name [H]

Title DIRECTOR

Address --

--.

Date of birth

(…)

Liquidators Appointed: None Registered

Receivers Appointed: None Registered

2.7. In de notulen van een vergadering van 14 januari 2000, voorgezeten door [B] als secretary van ERA is het volgende opgenomen:

ECONOMIC RESEARCH ASSOCIATES (IRELAND) LTD

Minutes of a Meeting of the Company Secretary of the above-named Company held in Amsterdam, on the 14th day of January 2000

Present Mr. [B] (In the Chair)

Ms [D] (In attendance)

AMENDMENT OF SIGNATORIES TO THE COMPANY’S BANK ACCOUNT

IT WAS RESOLVED that [D], BE AND IS HEREBY

appointed additional signatory to the Company’s bank account no.

21.16.03.392 held with Theodoor Gilissen N.V.

IT WAS FURTHER RESOLVED that the said Bank be notified accordingly.

There being no further business the Meeting terminated.

(rechtbank: volgt handtekening)

Chairman

(Mr. [B]

Company Secretary)

2.8. Op enig moment in 2000 heeft [D] namens ERA een document ondertekend en dit aan TGB gezonden. In het document wordt aan TGB medegedeeld dat [B] en [D] gemachtigd zijn ten aanzien van de door ERA bij TGB aangehouden hoofdrekening met nummer 21.16.03.392 alsmede ten aanzien van de eventueel aan die hoofdrekening verbonden subrekeningen.

2.9. Einde 2002 is [B] overleden.

2.10. Bij brief van 24 mei 2005 heeft [A] onder meer het volgende aan LDN (ter attentie van [D]) bericht:

Dear [D],

Can you please contact me so we can discuss my portfolio investment.

I plan to go to Amsterdam to see you. What date will suit you best?

Questions concerning my investment portfolio:

Awaiting the latest portfolio composition. After August, 2004, which I have.

The Bonds from Nederland 7 % 1993-2003 expired in February 2003

And the Bonds from Rabobank 8 % 1995-2005 expired in January 2005.

What has happened since?

(…)

I have had my investment portfolio for 16 years now, from 1989 to 2005, and I have counted with a very good result of my invested money. From 1989 to 2000 the result turned out well. But after 2001 the result has turned out to be disasterous!

The total sum o the investment has up to today 2005 decreased more than half the amount since year 2000 (which showed the highest peak). It is hard to see the change of the result, going down all the time. Indeed I am very worried.

What will be your opinion, [D]? Can you please explain the reason for this?

I need to know.

Hope to hear from you soon, by letter.

(…)

2.11. In de periode na 24 mei 2005 is er tussen [A] en LDN (concreet: [D]) gecorrespondeerd over het verloop van de portefeuille. [A] bleek niet content met de door LDN gegeven uitleg over het verloop. Eind 2005 en in vakantieperiodes was LDN niet goed bereikbaar voor [A]. Uiteindelijk heeft in oktober 2006 een gesprek te Amsterdam plaatsgevonden tussen – voor zover hier van belang – [A] en [D]. Nadien hebben zij weer gecorrespondeerd. Uiteindelijk heeft [A] besloten om de tegoeden uit de invloedssfeer van LDN te halen.

2.12. Bij brief van 4 juni 2009 is zijdens [A] het volgende aan LDN bericht:

(…) we request you to transfer all assets currently held in trust for Mrs. [A] to bank account number (…)

2.13. Omstreeks 15 juli 2009 heeft LDN het ertoe geleid dat de aandelenportefeuille (waarde: € 108.000,--) die TGB op naam van ERA aanhield, werd overgeboekt naar een door [A] opgegeven rekening.

2.14. Bij e-mail van 31 augustus 2009 is zijdens [A], die aan TGB kenbaar had gemaakt dat zij inzage in de stukken van TGB wenste, het volgende aan TGB bericht:

(…)

(…) zend ik u bijgaand een online uittreksel van het “Companies Registration Office” waaruit blijkt dat Economic Research Associates (Ireland) Limited met ingang van 26 september 1995 is ontbonden.

Ik voeg ook de gegevens van solocheck bij. U kunt hieruit afleiden dat geen “liquidator” of “receiver” is benoemd. De reden van de ontbinding is ongetwijfeld het geen jaarrekeningen meer zijn opgesteld en geen aangiften vennootschapsbelasting meer zijn ingediend.

(…)

Zoals u bekend is, heeft Economic Research Associates (Ireland) Ltd gelden in trust aangehouden voor mevrouw [F] (thans [A]). Mevrouw [C] heeft daarover sinds 2002 het beheer gevoerd. U heeft mij in eerste instantie verzocht aan te tonen dat mevrouw [A] bevoegd is Economic Research Associated (Ireland) Limited te vertegenwoordigen. Daarover kan ik kort zijn. Dat is zij niet. (…)

(…)

2.15. Bij e-mail van 3 september 2009 is zijdens TGB als volgt gereageerd richting [A]:

(…)

Het is voor ons aannemelijk, dat uw cliënte gerechtigd is tot tegoeden van Economic Research Associates (Ireland) Limited. Althans, dat leiden wij –onder andere- af uit stukken die u aan ons heeft overlegd.

Nader onderzoek van ons dossier heeft echter niet uitgewezen dat uw cliënte bevoegd zou zijn om te beschikken over de rekening waarop het vermogen van Economic Research Associates (Ireland) Limited staat. Ook blijkt uit ons dossier niet dat zij gerechtigd is tot inzage.

Wij kunnen helaas dus geen gehoor geven (…), zonder dat u daartoe voorafgaand een rechterlijke machtiging overlegt.

(…)

2.16. Aan [A] zijn vanaf het aangaan van de Rechtsbetrekking ten minste jaarlijks vermogensoverzichten bekend gemaakt ter zake van de op naam van ERA bij TGB aangehouden rekening. Uit deze overzichten kon worden opgemaakt hoe de bij TGB aangehouden beleggingsportefeuille was samengesteld en wat deze waard was. De overzichten zijn opgesteld door TGB en verzonden ten name van ERA doch aan het kantooradres van LDN (eerst aan de -- te -- en later aan de -- te --). Op verzoek van [A] zijn er in de loop der tijd contanten aan haar uitgekeerd afkomstig van de bij TGB aangehouden rekening. Om die uitkeringen te bewerkstelligen was er steeds contact tussen LDN en TGB.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in elk geval

I) LDN en/of [D] veroordeelt tot het doen van rekening en verantwoording over de wijze waarop de tegoeden van [A] in de periode van 1 januari 2003 tot de dag der dagvaarding althans tot het einde van de Rechtsbetrekking in juli 2009 zijn beheerd, en hierbij bepaalt dat de rekening en verantwoording er ten minste uit zal bestaan dat het verloop van de portefeuille wordt gestaafd met relevante transactiegegevens, aankoop- en verkoopbewijzen van aandelen, effecten en/of overige financiële stukken en/of waardepapieren en rekeningafschriften ter zake van alle beheerde tegoeden, waaronder ten minste begrepen de transactiegegevens en bankafschriften op naam van ERA door LDN en/of [D] aangehouden bij TGB, zoals, maar niet beperkt tot, rekeningnummer 21.16.03.392 en alle daaraan verbonden depositorekeningen en/of andere beleggingsrekeningen, en (voor zover nodig) tevens bepaalt dat deze gegevens aan [A] (in afschrift) worden verstrekt binnen twee dagen na betekening van het vonnis, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag, voor iedere dag dat LDN en/of [D] na betekening van het vonnis in gebreke is/zijn deze rekening en verantwoording te doen,

II) beveelt dat, voor zover betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en LDN en/of [D] niet binnen de in dit vonnis bepaalde termijn aan [A] rekening en verantwoording heeft/hebben afgelegd, dit vonnis, voor zover het de transactiegegevens en bankafschriften betreft van (bank)rekeningen, die bij TGB worden aangehouden op naam van ERA, zoals, maar niet beperkt tot rekeningnummer 21.16.03.392 en alle daaraan verbonden depositorekeningen en/of andere beleggingsrekeningen, voor dit aspect in de plaats zal treden van de (door LDN en/of [D] nagelaten) verplichting tot het (tijdig) doen van rekening en verantwoording, zodat [A] met dit vonnis in de plaats van [D] (als tekengerechtigde van de ERA accounts bij TGB) de transactiegegevens en bankafschriften over de periode 1 januari 2003 tot en met 1 januari 2010 bij TGB mag opvragen ter zake van (bank)rekeningen, die bij die bancaire instelling worden aangehouden op naam van ERA en [A] aldus daartoe door de rechtbank wordt gemachtigd, middels het tonen van dit vonnis aan de betreffende bank een en ander op kosten van LDN en/of [D], alsmede

daarbij te bepalen dat de onder I) genoemde dwangsommen zullen worden verminderd vanaf de dag dat [A] de betreffende transactiegegevens en bankafschriften van TGB ontvangt en wel tot € 2.500,-- voor iedere dag dat LDN en/of [D] voor het overige in gebreke is/zijn tijdig rekening en verantwoording te doen nadat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden,

III) LDN en [D] hoofdelijk veroordeelt, in die zin dat als de een betaalt c.q. voldoet aan het vonnis de ander zal zijn bevrijd,

IV) LDN en/of [D] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 2.500,--,

V) LDN en/of [D] veroordeelt in de kosten en nakosten van het geding, alsmede in de beslagkosten,

tevens

primair

VI) a) voor recht verklaart dat LDN en/of [D] jegens [A] toerekenbaar is/zijn tekortgeschoten in de nakoming van haar/hun verplichtingen uit de Rechtsbetrekking en/of de uit de Rechtsbetrekking voortvloeiende zorgplicht jegens [A] heeft/hebben geschonden, en de dientengevolge door [A] geleden schade aan [A] dient/dienen te vergoeden,

of

b) voor recht verklaart dat LDN en/of [D] jegens [A] onrechtmatig heeft/hebben gehandeld, en de dientengevolge door [A] geleden schade aan [A] dient/dienen te vergoeden,

VII) in geval van toewijzing van de vordering(en) onder VIa) en/of VIb), bepaalt dat de schade nader zal worden opgemaakt bij staat,

VIII) in geval van toewijzing van de vordering(en) onder VIa) en/of VIb), LDN en/of [D] veroordeelt tot betaling van € 25.000,-- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 juli 2009, althans de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening als voorschot op de door [A] geleden schade,

subsidiair (in geval van afwijzing van het onder VIa) t/m VIII gevorderde)

IX) de Rechtsbetrekking vernietigt en LDN en/of [D] daarbij veroordeelt tot terugbetaling van het oorspronkelijk ingelegde bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 november 1988, althans de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.

3.2. [A] legt het volgende aan de vordering ten grondslag.

3.2.1. De Rechtsbetrekking hield in [A] een bedrag van SEK 2.000.000,-- verstrekte aan LDN en dat LDN dat bedrag beheerde, een en ander met de bedoeling om de inleg in waarde te doen stijgen door onder meer te beleggen in staatsobligaties/leningen (70% van de portefeuille), aandelen (7,35%) en storting van gelden op een depositorekening (22,65%). Als tegenprestatie voor het beheer was [A] provisie verschuldigd. Tot het overlijden van [B], einde 2002, is de portefeuille blijkens de door LDN toegezonden rapporten steeds in waarde gestegen, terwijl de portefeuille vanaf dat moment, begin 2003, jaarlijks in waarde is gedaald. De oorzaak van de waardedaling vanaf 2003 is door LDN nooit goed onderbouwd en [A] weet ook niet op welke wijze de tegoeden vanaf 2003 zijn belegd. LDN heeft de verplichting om jegens [A] rekening en verantwoording te doen, doch ondanks vele verzoeken zijdens [A] blijft LDN hiermee in gebreke. Het is voorts aannemelijk dat LDN haar zorgplicht jegens [A] heeft geschonden, omdat LDN waarschijnlijk van het overeengekomen risicoprofiel is afgeweken; LDN heeft in juli 2009 immers slechts een aandelenportefeuille ter waarde van € 108.000,-- overgedragen. Verder is LDN onder thans vigerende regelgeving verplicht om een risicoprofiel met haar cliënten te bespreken en overeen te komen en in voorkomend geval zich daaraan te houden. Voorts is LDN voor de werkzaamheden die zij ten behoeve van [A] verricht(te) sinds 1995 vergunningplichtig op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) en thans de Wet op het financieel toezicht (Wft), nu die werkzaamheden kunnen worden gekwalificeerd als vermogensbeheer. De Rechtsbetrekking is daarom vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW).

Indien LDN aldoor gespreid en niet al te risicovol had belegd, conform het uitgangspunt bij het aangaan van de Rechtsbetrekking, dan zou de portefeuille einde 2007 een waarde van ten minste € 1.018.277,51 bedragen, zo heeft [A] door een deskundige laten onderzoeken. Hoe de portefeuille zich tot juli 2009 zou hebben ontwikkeld, is onduidelijk, maar de waarde zou een veelvoud zijn van de aan [A] geretourneerde € 108.000,--. Bij gebrek aan inzicht in het verloop van de portefeuille, hetgeen te wijten is aan LDN, kunnen de daadwerkelijke cijfers niet worden vastgesteld. Verder zijn er waarschijnlijk tegoeden verduisterd.

3.2.2. Naast LDN is ook [D] (hoofdelijk) aansprakelijk, gelet op het navolgende. Ondanks vele verzoeken heeft LDN tot op heden geen rekening en verantwoording afgelegd. LDN c.s. is van mening dat het boek nu is gesloten, uit welke houding blijkt dat aan [A] niet vrijwillig rekening en verantwoording zal worden gedaan of zal worden betaald. Daarnaast is aannemelijk dat de rechtspersoon LDN wordt gebruikt om verhaal van schuldeisers of aansprakelijkheid wegens wanbeheer te ontlopen. De deurwaarder trof niemand aan op het adres van LDN en blijkens de laatst gedeponeerde jaarrekeningen heeft LDN een aanzienlijke schuldenlast en een negatief eigen vermogen van € 66.207,00. [D] is als enig verantwoordelijke binnen LDN dan ook persoonlijk aansprakelijk. [D] dient met LDN te worden vereenzelvigd, dan wel heeft zij persoonlijk in strijd met de zorgvuldigheidsnorm gehandeld aangezien zij persoonlijk feitelijk over de bij TGB gestorte tegoeden kon beschikken en heeft beschikt. [D] is verdere de enige die in staat kan worden geacht om rekening en verantwoording te doen, terwijl dit stelselmatig niet gebeurt. Verder is aannemelijk dat [D] een gedeelte van de tegoeden aan zichzelf ten goede heeft laten komen, en voorts dat zij LDN diensten heeft laten verrichten zonder dat LDN over de daartoe benodigde vergunning beschikte.

3.2.3. LDN, zo veronderstelt [A], heeft de vennootschap ERA opgricht in het kader van het beheer van de tegoeden van [A]. [A] heeft nimmer met ERA, doch slechts met LDN gecontracteerd. [A] heeft ook nooit contact met ERA gehad. Nu ERA bovendien ontbonden is, rest [A] geen andere mogelijkheid dan LDN c.s. aan te spreken. Hetgeen tussen [A] en LDN is overeengekomen vertoont veel gelijkenissen met de in common law voorkomende rechtsfiguur trust, hetgeen mede blijkt uit het Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts, terwijl uit dit Verdrag ook een plicht tot het doen van rekening en verantwoording kan worden afgeleid. Genoemd Verdrag is evenwel niet van toepassing omdat in casu geen sprake is van een trust die door een wilsuiting in het leven is geroepen waarvan blijkt bij geschrift; in casu is immers mondeling een overeenkomst met LDN gesloten. Voorts is van een echte trust in de zin van common law hier geen sprake. Overigens volgt de plicht tot het doen van rekening en verantwoording uit de aard van de rechtsbetrekking tussen [A] en LDN, zijnde een overeenkomst van opdracht, en voorts uit de eisen van redelijkheid en billijkheid. Opgemerkt wordt nog dat LDN c.s. de plicht tot het doen van rekening en verantwoording ook onderschrijft, nu LDN [A] jarenlang van het verloop van de portefeuille op de hoogte heeft gehouden.

3.3. LDN c.s. voert gemotiveerd verweer. Hierop zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4. De beoordeling

in de zaak tegen LDN en in de zaak tegen [D]

De aard van de Rechtsbetrekking en het toepasselijk recht

4.1. [A] heeft de tegoeden ten titel van beheer aan LDN verstrekt, zulks met het doel van belegging. Partijen besteden in hun conclusies nog aandacht aan het feit dat de heer [E] (de toenmalige partner van [A]) destijds betrokken was bij het aangaan van de Rechtsbetrekking, maar verbinden hieraan geen juridisch relevante consequenties. Als vaststaand wordt dan ook aangenomen dat de rol van de heer [E] voor de beslechting van het onderhavige geschil geen betekenis heeft. De verdere inkleding van de Rechtsbetrekking is destijds mondeling geschied en kan niet meer precies worden vastgesteld. Op grond van het door partijen gevoerde debat wordt wel als vaststaand aangenomen dat het LDN minst genomen vrijstond om de constructie met ERA in het leven te roepen, als gevolg van welke constructie de tegoeden in het vermogen van ERA werden gebracht. Immers, uit de stellingen van [A] zou weliswaar kunnen worden opgemaakt dat [A] er destijds geen weet van had dat ERA ten behoeve van het beheer van de tegoeden werd opgericht, maar [A] stelt niet dat LDN met het opzetten van de ERA-constructie – waarover hierna meer – haar bevoegdheden overschreed. Integendeel, ter comparitie is zijdens [A] bevestigd dat het juist de bedoeling was om de tegoeden buiten het vermogen van [A] te brengen teneinde fiscaal voordeel in Zweden te behalen. Voor zover [A] derhalve niet expliciet opdracht heeft gegeven om de ERA-constructie op te zetten, dan heeft LDN die opdracht als geïmpliceerd mogen beschouwen.

4.2. De ERA-constructie hield dus in dat de tegoeden van [A] uit haar vermogen en in het vermogen van ERA werden gebracht, waarna ERA de tegoeden op een beleggingsrekening bij – in elk geval – TGB parkeerde. ERA is weliswaar gerechtigd tot de tegoeden geworden, maar heeft zich aldoor gehouden geacht om de tegoeden uiteindelijk ten goede van [A] te laten komen, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat de rekening van ERA bij TGB was gesteld op naam van ‘ERA subaccount SZ’ terwijl in confesso is dat met ‘SZ’ wordt bedoeld: [A], destijds [F] geheten. Het blijkt ook uit het feit dat ERA heeft toegestaan dat er een aantal keren contanten aan [A] werden uitgekeerd. ERA beschouwde [A] derhalve als gerechtigde tot de tegoeden in economische zin.

Dit een en ander geeft de hier besproken constructie de trekken van een trust naar common law. Bevestiging hiervoor kan worden gevonden in de diverse onder de feiten aangehaalde stukken. Dat er sprake is van een trust is ook het standpunt van LDN c.s., waaraan LDN c.s. dan de consequentie verbindt dat [A] zich niet tot LDN maar tot ERA dient te wenden terwijl [A] jegens ERA niet meer dan een ‘blote verwachting’ heeft en geen recht op rekening en verantwoording. [A], zo moet worden geconstateerd, neemt een tegenstrijdig standpunt inzake de kwalificatie van de ERA-constructie, enerzijds aansluiting zoekend bij het begrip trust en de daaruit voortvloeiende plicht tot het doen van rekening en verantwoording, anderzijds ongemotiveerd ponerend dat er feitelijk geen sprake is van een trust. Op de kwalificatie van de ERA-constructie komt de rechtbank hierna onder 4.6. terug.

4.3. Het geheel overziend moet de Rechtsbetrekking – naar Nederlands recht – worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht, meer in het bijzonder van lastgeving, tussen [A] (lastgever) en LDN (lasthebber). De last van LDN hield in dat LDN diende te bewerkstelligen dat de tegoeden van [A] buiten haar vermogen werden gebracht, dat die tegoeden zouden worden belegd en dat die tegoeden (inclusief de te maken winsten, verliezen en kosten van vermogensbeheer) uiteindelijk ten goede zouden komen van [A].

4.4. De rechtbank ziet zich gezien de internationale aspecten van deze zaak voor de vraag gesteld welk recht op de Rechtsbetrekking van toepassing is. Om dit te kunnen bepalen dient op grond van Nederlands internationaal privaatrecht te worden uitgegaan van de kwalificatie van de Rechtsbetrekking naar de lex fori, zijnde Nederlands recht. Die kwalificatie komt neer op een lastgevingsovereenkomst, zoals reeds overwogen. Nu deze overeenkomst is aangegaan in 1988, is het verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst hier niet van toepassing. In artikel 17 van dat verdrag is immers bepaald dat het in een verdragsluitende staat van toepassing is op overeenkomsten die zijn gesloten nadat het voor deze staat in werking is getreden, terwijl het verdrag voor Nederland in 1991 in werking is getreden. Het Nederlands conflictenrecht inzake overeenkomsten, zoals dat gold vóór inwerkingtreding van genoemd verdrag, komt onder meer tot uiting in een tweetal arresten van de Hoge Raad van 27 oktober 1972 (NJ 1973, 121) respectievelijk 6 april 1973 (NJ 1973, 371), gewezen met betrekking tot gevallen waarin de desbetreffende partijen geen rechtskeuze hadden gedaan, zoals ook in casu het geval is. Uit deze arresten volgt dat in beginsel van toepassing is het recht van het land waar degene die de karakteristieke prestatie dient te verrichten, is gevestigd. De rechtbank komt gelet op een en ander tot het oordeel dat in casu Nederlands recht van toepassing is, daar LDN als de karakteristieke prestant is aan te merken en LDN in Nederland is gevestigd. [A] heeft mede een verklaring voor recht gevorderd dat LDN onrechtmatig heeft gehandeld. Ook voor deze vordering geldt dat zij met toepassing van Nederlands recht dient te worden beoordeeld. LDN heeft immers vanuit Nederland gehandeld, terwijl ook de gevolgen van het handelen in Nederland hebben plaatsgevonden, namelijk ter plaatse van de bank, TGB. De lex loci delicti en het recht van het zogenoemde ‘gevolgenland’ zijn dus beide Nederlands recht.

De vorderingen gericht tegen [D] vloeien voort uit de Rechtsbetrekking. Ook voor deze vorderingen geldt daarom dat zij naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld.

4.5. Inhoudelijk gezien is het ten eerste van belang om vast te stellen wat er in het kader van rekening en verantwoording heeft te gelden tussen [A] en LDN.

in de zaak tegen LDN

Rekening en verantwoording

4.6. Het feit dat [A] haar tegoeden ten titel van beheer aan LDN heeft verstrekt, betekent dat [A] in beginsel jegens LDN een recht op rekening en verantwoording heeft over het gevoerde beheer, zowel naar het destijds als naar het thans geldende recht bezien. Dat recht houdt in dat er rekening en verantwoording wordt afgelegd op gedetailleerde wijze, in de trant van de vordering van [A] sub I). [A] heeft van dat recht nooit afstand gedaan en heeft er ook nooit in bewilligd dat een andere partij dan LDN rekening en verantwoording aan haar zou doen. LDN heeft van haar kant ook nooit aan [A] voorgehouden dat de rekening en verantwoording niet (meer) door LDN zou geschieden. [A] heeft haar recht op rekening en verantwoording in even bedoelde zin jegens LDN dus behouden, behoudens voor zover het hieronder nog te behandelen beroep van LDN op artikel 6:89 BW en verjaring slaagt. Gelet op een en ander laat de rechtbank in het midden of er sprake is van een rechtsgeldige trust in termen van (Iers?) trust law. Immers, zelfs als er sprake is van een rechtsgeldige trust met ERA als trustee en [A] als beneficiary, dan maakt dat de plicht van LDN tot het doen van rekening en verantwoording jegens [A] nog niet ongedaan.

4.7. Over de gang van zaken met betrekking tot rekening en verantwoording met betrekking tot de verschillende actoren wordt het volgende overwogen.

4.7.1. Als vaststaand kan worden aangenomen dat TGB in beginsel slechts een plicht tot het doen van rekening en verantwoording heeft jegens haar rekeninghouder en contractspartij ERA.

4.7.2. Op basis van de stukken en het partijdebat kan verder het volgende worden vastgesteld. TGB heeft steeds feitelijk rekening aan LDN gedaan, waardoor LDN in staat werd gesteld om rekening en verantwoording aan [A] te doen. Kennelijk heeft LDN c.q. [B], eventueel in hoedanigheid van settlor van de trust, in zoverre een verbintenis van ERA jegens LDN afgedwongen ten behoeve van [A] (als eventuele beneficiary van de trust). Deze verbintenis kan worden omschreven als de verplichting van ERA om TGB op te dragen dat laatstgenoemde rekening (en verantwoording) zou doen aan/via LDN waarmee TGB dan meteen was gekweten van haar verplichtingen uit rekening en verantwoording jegens ERA. Gezien de feitelijke gang van zaken heeft ERA die opdracht ook daadwerkelijk aan TGB gegeven en heeft TGB die opdracht aanvaard: de vermogensoverzichten werden door TGB immers steeds naar het kantoor van LDN verzonden. Het antwoord op de vraag of ERA verplicht is om rekening (en verantwoording) te doen aan LDN of wellicht aan [A], kan dus verder in het midden blijven, nu TGB is gehouden om rechtstreeks aan LDN rekening (en verantwoording) te doen en LDN in het kader van haar plicht tot het doen van rekening en verantwoording jegens [A] dus niet afhankelijk is van ERA.

4.7.3. Wanneer [A] dan haar recht op rekening en verantwoording jegens LDN inroept, is LDN op haar beurt gehouden om TGB op te dragen rekening (en verantwoording) te doen.

4.7.4. Ter comparitie is nog aan de orde geweest dat ERA blijkens het Ierse handelsregister reeds in 1995 is ontbonden. Desgevraagd verklaarde LDN dat het vermogensrecht op de [A]-tegoeden ten tijde van de ontbinding van ERA in het vermogen is gebracht van de moedermaatschappij van ERA, zijnde de rechtspersoon naar buitenlands recht [B] IBERIA LTD., gevestigd te Gibraltar (hierna: Iberia). [A] verklaarde desgevraagd niet op de hoogte te zijn van deze gang van zaken en nimmer toestemming te hebben gegeven voor een vermogensverschuiving van ERA naar Iberia. Voorts merkte [A] op dat [D] in 2000 nog is gevolmachtigd om te tekenen namens ERA, terwijl ERA op dat moment al was ontbonden.

De rechtbank overweegt dat het op zichzelf bevreemdt dat [A] kennelijk nooit op de hoogte is gesteld van de overgang van ERA naar Iberia en dat ERA nog een volmacht afgaf toen zij reeds was ontbonden, doch wat hier ook van zij, het doet niet af aan de plicht van LDN om rekening en verantwoording te doen aan [A]. Verder is in dit kader van belang dat LDN ook feitelijk in staat moet worden geacht om rekening en verantwoording te doen over de periode nadat ERA was ontbonden en de vermogensverschuiving kennelijk had plaatsgevonden. Voor zover Iberia in de plaats van ERA is gekomen – wat bij gebreke van nadere informatie niet kan worden vastgesteld – moet Iberia worden geacht in dezelfde positie te verkeren als ERA waar het gaat om de relaties ERA-TGB, ERA-LDN en ERA-[A]. Het is immers [B] geweest, als bestuurder van LDN én van ERA, die de (gestelde) overgang naar Iberia feitelijk heeft bewerkstelligd, terwijl in dit geding namens LDN niet is gesteld dat de positie van Iberia verschilt van die van ERA. Voor TGB, kennelijk onwetend van de ontbinding van ERA en het in beeld komen van Iberia (zie de e-mail van 3 september 2009 onder 2.15.), geldt dat de Iberia-kwestie haar rechtspositie niet heeft veranderd. TGB heeft de tegoeden immers altijd op rekening van ERA laten staan, en mogen laten staan, en TGB is de vermogensoverzichten altijd aan LDN blijven zenden. TGB heeft zich dus altijd, terecht, bevoegd geacht om feitelijk rekening (en verantwoording) aan LDN te doen.

4.8. LDN is derhalve gehouden om aan [A] rekening en verantwoording te doen vanaf 1 januari 2003. De vraag is evenwel of LDN daaraan al dan niet reeds heeft voldaan en voorts of LDN daartoe, gezien het tijdsverloop, nog kan worden gehouden.

4.8.1. LDN voert in dit verband immers het volgende verweer. Vanaf het aangaan van de Rechtsbetrekking kwam [A] met haar toenmalige partner de heer [E] naar Amsterdam om de gang van zaken van de in de trust zittende tegoeden te bespreken met [B] en/of TGB. [A] ontving dan een vermogensoverzicht en inzicht in de administratie. In 1997 zijn [A] en haar partner uit elkaar gegaan, zodat slechts nog met [A] contact werd onderhouden. [A] gaf er de voorkeur aan om niet meer naar Amsterdam te komen om de portefeuille te bespreken. In plaats daarvan vroeg zij periodiek om een vermogensoverzicht. TGB stelde dan zo’n overzicht op. Deze overzichten werden door [B] aan [A] doorgeleid. Aldus ontving [A] ten minste jaarlijks een vermogensoverzicht waaruit ook de samenstelling van de portefeuille kon worden gekend. Het op deze wijze doen van rekening en verantwoording was derhalve conform haar eigen wensen en daarmee heeft LDN aan haar plicht voldaan. [A] heeft hieromtrent ook nimmer geklaagd, althans niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW. De thans gevorderde uitgebreide vorm van rekening en verantwoording is dan ook niet toewijsbaar. Het is wel zo dat LDN soms niet goed bereikbaar was, doch dat doet aan het vorenstaande niet af. Ten slotte geldt dat de vordering tot het doen van rekening en verantwoording is verjaard voor zover het gaat om de periode tot 20 januari 2005. Aldus steeds LDN.

4.8.2. [A] heeft van haar zijde erkend dat zij is ingelicht op de wijze zoals door LDN c.s. gesteld. Zij stelt evenwel dat de aan haar verstrekte vermogensoverzichten momentopnames zijn en dat uit die overzichten de wijze waarop de portefeuille in de loop der tijd is gemuteerd, niet kan worden gekend. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de tegoeden op een fatsoenlijke manier zijn beheerd. Anders dan LDN c.s. stelt, heeft [A] wel degelijk binnen bekwame tijd geklaagd, zo blijkt uit de brief van [A] van 24 mei 2005. Aldus steeds [A].

4.8.3. De rechtbank overweegt het volgende. In beginsel houdt het recht op rekening en verantwoording in casu in dat [A] recht heeft op inzicht in de mutaties die in de loop der tijd in de portefeuille zijn gepleegd. Het is juist, zoals LDN stelt, dat [A] er vanaf het begin genoegen mee heeft genomen dat rekening en verantwoording werd gedaan door middel van de vermogensoverzichten alsmede, in de periode tot 1997, door middel van de besprekingen te Amsterdam. Eerst door middel van de brief van 24 mei 2005 doet [A] een beroep op haar recht op nakoming van gedetailleerde rekening en verantwoording (hierna ook: nakoming in volle zin). Deze brief moet worden beschouwd als een schriftelijke aanmaning als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW. Met de brief werd dus de verjaring van de rechtsvordering, voor zover die betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2003, gestuit. Omstreeks 24 mei 2005 is een nieuwe, vijfjarige, verjaringstermijn gaan lopen, welke vervolgens op grond van artikel 3:316 BW is gestuit met de inleidende dagvaarding van 20 januari 2010. De vordering van [A] is derhalve niet verjaard. Het op 24 mei 2005 gedane beroep op nakoming in volle zin, impliceert dat de in het verleden gedane rekening en verantwoording in de ogen van [A] als gebrekkig moet worden beschouwd. Zoals reeds overwogen heeft [A] geen afstand gedaan van het recht op gedetailleerde rekening en verantwoording, doch [A] kan slechts een beroep doen op een gebrek in de prestatie van LDN indien zij heeft geprotesteerd binnen bekwame tijd nadat zij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken (artikel 6:89 BW). [A] verlangt blijkens haar brief kennelijk nakoming in volle zin vanaf 2002; zij schrijft immers dat het resultaat vanaf dat moment rampzalig was en vraagt aan LDN om daarover uitleg te verschaffen. Vanaf 2002 is er naar de mening van [A] dan ook sprake van een gebrekkige rekening en verantwoording. [A] is met de wijze van rekening en verantwoording sedert 2002 bekend geworden steeds op de momenten dat zij een vermogensoverzicht ontving, hetgeen ten minste jaarlijks geschiedde. Steeds omstreeks die momenten moet zij dus ook worden geacht gebreken in de rekening en verantwoording te hebben ontdekt. Gelet op de aard van de rechtsbetrekking, die in de kern kan worden gekwalificeerd als vermogensbeheer voor een particulier, moet ‘bekwame tijd’ in casu niet te eng worden uitgelegd. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval dat [A] met de brief van 24 mei 2005 tijdig heeft geprotesteerd wanneer het gaat om rekening en verantwoording vanaf 1 januari 2003. In de periode na 24 mei 2005 heeft [A] herhaaldelijk met LDN gecorrespondeerd over de ontwikkeling van de portefeuille en voorts heeft nog een gesprek in Nederland plaatsgehad tussen [A] en [D]. Verder was het zo dat LDN in deze periode niet altijd goed bereikbaar was, zoals LDN ook heeft toegegeven. Al met al kan niet worden gezegd dat [A] in de periode na 24 mei 2005 rechten heeft verwerkt in de zin van artikel 6:89 BW.

4.8.4. De conclusie is dat de rechtsvordering van [A] niet is verjaard en dat zij haar recht op gedetailleerde rekening en verantwoording vanaf 1 januari 2003 niet heeft verwerkt.

4.9. Het voorgaande betekent dat de vorderingen onder I) en II) toewijsbaar zijn jegens LDN, zulks op de onder de beslissing vermelde wijze. Deze veroordeling betekent concreet dat LDN in elk geval de desbetreffende gegevens bij TGB zal moeten opvragen teneinde rekening en verantwoording aan [A] te kunnen doen. Het betekent ook dat LDN rekening en verantwoording dient te doen over dat deel van de tegoeden dat – zoals [A] kennelijk vermoedt – destijds mogelijk niet bij TGB, maar elders is ondergebracht. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd. Voor het verbeuren van de dwangsommen is nog van belang dat TGB (of een eventuele andere betrokkene bij wie de tegoeden zijn ondergebracht) mogelijk niet meer alle relevante gegevens vanaf 1 januari 2003 voorhanden heeft. Indien TGB mededeelt dat bepaalde gegevens niet voorhanden zijn, bijvoorbeeld gezien het tijdsverloop in combinatie met de wettelijke bewaartermijnen, kan LDN in zoverre feitelijk niet worden gehouden aan haar plicht tot het doen van rekening en verantwoording, zodat in zoverre dan ook geen dwangsommen zullen worden verbeurd. Deze eventuele feitelijke onmogelijkheid heeft mogelijk wel juridische consequenties, zoals hierna onder 4.10.3. overwogen. Verder is nog denkbaar – hoewel de rechtbank hier niet vanuit gaat – dat TGB medewerking weigert; ook in dat geval zal LDN geen dwangsommen verbeuren.

De vordering op grond van wanprestatie c.q. onrechtmatige daad met schadevergoeding

4.10. Deze vorderingen zijn erop gebaseerd dat er is belegd in afwijking van het risicoprofiel van [A] en op het vermoeden dat er tegoeden zijn verduisterd.

4.10.1. LDN voert het verweer dat [A] geen rechten meer had op de tegoeden, die immers in de trust waren ondergebracht. [A] had met betrekking tot de tegoeden slechts een blote verwachting, aldus LDN. Voor zover LDN hiermee heeft willen betogen dat [A] geen vordering zoals zojuist beschreven kan instellen omdat zij dat vorderingsrecht met het aangaan van de ERA-constructie heeft prijsgegeven, wordt dit betoog niet gevolgd. Het is immers LDN geweest die als lasthebber de ERA-constructie in het leven heeft geroepen in het kader van de beleggingsafspraken tussen [A] en LDN. LDN diende er dan ook voor te zorgen dat de tegoeden zouden worden belegd zoals dat met [A] was besproken. En LDN heeft hieraan ook uitvoering gegeven. [B], bestuurder van LDN, heeft er immers voor gezorgd dat hij bestuurder was van de rechtspersoon tot wiens vermogen de tegoeden gingen behoren (ERA), terwijl [B] en later ook [D] tekeningsbevoegd waren voor de rekening van ERA bij TGB - [D] heeft ter comparitie verklaard altijd tekeningsbevoegd te zijn geweest zodat zij dit kennelijk ook voor Iberia was; LDN heeft dus altijd vinger aan de pols gehad met betrekking tot het bedienen van de tegoeden, waartoe zij uit hoofde van haar last ook was gehouden.

4.10.2. LDN is dus wel degelijk vatbaar voor aansprakelijkheid op grond van – kort gezegd – wanprestatie dan wel onrechtmatige daad. Meer concreet wordt over die aansprakelijkheid het volgende overwogen. Het kan zo zijn – dat wordt thans in het midden gelaten – dat bij het aangaan van de Rechtsbetrekking is overeengekomen dat er zou worden belegd in de door [A] gestelde verhouding: 70% van de tegoeden in obligaties, 7,35% in aandelen en 22,65% op een depositorekening. LDN voert evenwel als verweer dat [A] op enig moment zelf heeft gekozen voor beleggen in hoofdzakelijk aandelen, dat de portefeuille dienovereenkomstig is aangepast en dat de portefeuille nadien nauwelijks is gewijzigd. De juistheid van dit verweer lijkt te worden bevestigd in een overgelegd vermogensoverzicht uit 1999 (productie 1 LDN) in combinatie met het feit dat [A] erkent dat zij de vermogensoverzichten aldoor heeft ontvangen. Op grond van de feiten en omstandigheden zoals die tot heden aan de rechtbank zijn gebleken, moet voorlopig dan ook worden aangenomen dat de samenstelling van de portefeuille reeds lang geleden is gewijzigd in de door LDN bedoelde zin en dat dit is geschied met medeweten van [A] zonder dat zij daartegen heeft geageerd. Thans kan dan ook niet worden geoordeeld dat LDN is tekortgeschoten in haar verbintenis om de tegoeden te (doen) beleggen conform haar risicoprofiel of, ruimer gezegd, conform de gemaakte verdelingsafspraken. Ook kan op dit moment niet worden gezegd dat LDN is tekortgeschoten door tegoeden te verduisteren.

4.10.3. De hier besproken vorderingen op grond van wanprestatie zijn dus thans niet toewijsbaar, terwijl voor de vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad mutatis mutandis hetzelfde geldt. De vorderingen moet dus worden afgewezen. Dit laat onverlet dat de vorderingen (gedeeltelijk) gegrond kunnen blijken te zijn wanneer [A] te zijner tijd inzicht heeft verkregen in de mutaties in de portefeuille. Het staat haar vrij om de vorderingen te zijner tijd opnieuw in te stellen. Voor zover dan blijkt dat niet alle gegevens meer voorhanden zijn, moet worden bezien voor rekening van welke partij dit dient te komen.

De vordering tot vernietiging van de rechtsbetrekking tussen LDN en [A]

4.11. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat de Rechtsbetrekking op grond van artikel 3:40 lid 2 BW worde vernietigd wegens strijd met de wet, meer in het bijzonder artikel 7 van de toenmalige Wte 1995 (optreden als vermogensbeheerder zonder vergunning) en de opvolgende bepalingen van de latere Wft. Deze vordering zal worden afgewezen, reeds omdat de wetsbepalingen waarop de vernietigbaarheid van de Rechtsbetrekking wordt gebaseerd, niet de strekking hebben de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten (zie in deze zin rechtbank Amsterdam 28 juli 2010 LJN: BP0939 en gerechtshof Amsterdam 29 juni 2010 LJN: BN6937, beide gepubliceerd op rechtspraak.nl).

Buitengerechtelijke kosten

4.12. [A] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. LDN voert verweer tegen de omvang en tegen ‘het belopen’ van de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank zal de vordering conform het Rapport Voor-werk II toewijzen tot een bedrag van € 904,-- (2 punten, tarief II).

Het conservatoir beslag

4.13. LDN heeft bij conclusie van antwoord medegedeeld dat zij wil dat het beslag wordt opgeheven. Zij heeft hiertoe evenwel geen vordering ingesteld. Het beslag blijft dus liggen.

Proceskosten en beslagkosten

4.14. LDN zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van [A] begroot op:

€ 73,89 aan dagvaardingskosten

€ 904,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief II)

€ 977,89 TOTAAL, nog te vermeerderen met de nakosten zoals hierna vermeld onder de beslissing.

4.15. De vordering van beslagkosten zal worden afgewezen, gelet op de samenhang van het beslag met de thans afgewezen vordering tot schadevergoeding. De vordering van beslagkosten kan te zijner tijd eventueel opnieuw worden ingesteld, in lijn met het onder 4.10.3. overwogene.

in de zaak tegen [D]

4.16. De vordering van [A] om ook [D] te veroordelen tot – kort gezegd – het doen van rekening en verantwoording zal worden afgewezen. [A] heeft in dat kader slechts gesteld dat [D] de enige binnen LDN is die in staat kan worden geacht om rekening en verantwoording te doen, terwijl dit stelselmatig niet gebeurt. Dit is onvoldoende om persoonlijke aansprakelijkheid van [D] aan te nemen.

4.17. De jegens [D] ingestelde vordering op grond van wanprestatie c.q. onrechtmatige daad zal worden afgewezen op grond van het onder 4.10. overwogene. Ook de voorvraag, namelijk of er plaats is voor een hoofdelijke veroordeling van [D] naast LDN ingeval [A] te zijner tijd haar vordering op grond van wanprestatie c.q. onrechtmatige daad opnieuw en met succes jegens LDN instelt, kan thans niet worden beantwoord en wordt dus in het midden gelaten.

4.18. De vordering tot vernietiging van de Rechtsbetrekking (tussen [A] en LDN) is niet tegen [D] gericht.

4.19. Op grond van het voorgaande zal [D] niet worden veroordeeld in de beslagkosten, de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het geding.

inzake de rechtspositie van TGB

4.20. In het voorgaande heeft de rechtbank oordelen gegeven over de rechtspositie van TGB, ERA en Iberia. Voor TGB heeft dit concrete gevolgen, in die zin dat TGB als gevolg van dit vonnis zal worden geconfronteerd met een verzoek van LDN tot het verstrekken van gegevens, neerkomend op het doen van rekening jegens LDN, opdat LDN in staat wordt gesteld om rekening en verantwoording te doen jegens [A]. TGB is in dit geding geen partij en de hierna uitgesproken beslissingen werken dus niet ten laste van haar, zodat zij verzoeken die aan haar uit hoofde van dit vonnis worden gedaan door [A] of LDN in beginsel naast zich neer kan leggen. De rechtbank begrijpt uit de gedingstukken (zie de e-mail van TGB aangehaald onder 2.15.) en het verhandelde ter zitting echter dat TGB niet onbereidwillig is om medewerking te verlenen, maar – niet onbegrijpelijk – van mening is dat zij slechts bevoegd is om gegevens aan rekeninghouder ERA te verstrekken. TGB kan thans uit dit vonnis opmaken dat zij óók bevoegd is om rekening aan LDN te doen over de ten name van ERA aangehouden rekening(en) bij TGB. Voorts is zij bevoegd om rekening te doen aan [A] zelf, indien [A] gegevens bij haar opvraagt op de voet van de hierna onder 5.2. aan haar te verschaffen machtiging. Omgekeerd geldt hetzelfde: LDN (en ook [A] op grond van 5.2.) is bevoegd tot het verkrijgen van rekening van TGB met betrekking tot de ERA-rekening(en). De vraag of TGB ook is gehouden om rekening te doen aan LDN (dan wel aan [A] op grond van 5.2.), wordt door de rechtbank op basis van de haar in dit geding bekend geworden feiten en omstandigheden bevestigend beantwoord. De vraag of TGB is gehouden om verantwoording te doen aan LDN (dan wel aan [A] op grond van 5.2.) wordt op basis van de thans aan de rechtbank bekende feiten en omstandigheden ontkennend beantwoord. Een definitief oordeel dienaangaande kan echter eerst worden gegeven in een rechtsgeding waarin ook TGB partij is.

Tot slot wordt hier nog opgemerkt dat het voorgaande niet anders wordt indien namens ERA aan TGB wordt medegedeeld dat de rechten van ERA jegens TGB vanaf zeker moment worden of zijn overgedragen aan Iberia of een andere nieuwe partij; zo’n nieuwe partij moet immers in exact dezelfde positie worden geacht te verkeren als ERA, hetgeen betekent dat de relaties TGB-LDN en TGB-[A] met de komst van zo’n nieuwe partij niet veranderen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt LDN om binnen 6 (zegge: zes) weken na betekening van dit vonnis aan

[A] rekening en verantwoording te doen over de wijze waarop het in 1988 ten titel van

beheer aan LDN verstrekte bedrag van 2.000.000,-- SEK (zegge: twee miljoen Zweedse

kronen) is beheerd in de periode van 1 januari 2003 tot 20 januari 2010,

5.1.1. bepaalt dat het doen van rekening er ten minste uit zal bestaan dat de in de

tegoeden gepleegde mutaties zoveel mogelijk worden gestaafd met stukken,

5.1.2. bepaalt dat het doen van rekening en verantwoording in elk geval betrekking heeft

op de op naam van ERA aangehouden rekeningen bij TGB, waaronder in elk geval de op naam van ‘ERA subaccount SZ’ aangehouden rekening met nummer 21.16.03.392 en alle daaraan verbonden rekeningen,

5.2. machtigt [A] op de voet van artikel 3:299 BW om, in de plaats van LDN en op kosten van LDN, zelf de relevante gegevens en stukken bij TGB (bedoeld onder 5.1.2.) op te vragen teneinde te bewerkstelligen dat in zoverre wordt voldaan aan de plicht van LDN om rekening te doen, een en ander onder de voorwaarde dat LDN niet binnen 6 (zegge: zes) weken na betekening van dit vonnis rekening doet aan [A] zoals bedoeld onder 5.1.2.,

5.3. veroordeelt LDN tot betaling van een dwangsom aan [A] van € 1.000,--

(zegge: éénduizend euro) per dag dat LDN na afloop van zes weken nadat het vonnis is betekend, niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1., zulks tot de dag dat aan [A] op de voet van 5.1. of 5.2. rekening is gedaan als bedoeld onder 5.1.2., terwijl de dwangsom vanaf die dag wordt verminderd tot € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro) per dag dat LDN voor het overige niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1., en ten slotte met een maximum van € 250.000,-- (tweehonderdvijftigduizend euro) aan te verbeuren dwangsommen,

5.4. veroordeelt LDN tot betaling aan [A] van € 904,-- aan buitengerechtelijke kosten,

5.5. veroordeelt LDN in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] tot heden begroot op € 977,89,

5.6. veroordeelt LDN in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en LDN niet binnen zes weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vrakking en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.?