Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP6121

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
483904 / KG ZA 11-327 Pee/PV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter wijst het verzoek van de Partij voor de Dieren om te mogen deelnemen aan het televisiedebat van dinsdag 1 maart af. De rechtbank is van oordeel dat het op grond van haar journalistieke vrijheid in beginsel aan de NOS is om te bepalen op welke manier en met deelname van wie zij het verkiezingsdebat op 1 maart wenst te organiseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter,

zaaknummer / rolnummer: 483904 / KG ZA 11-327 Pee/PV

Vonnis in kort geding van 28 februari 2011

in de zaak van

de vereniging

PARTIJ VOOR DE DIEREN,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 25 februari 2011,

advocaat mr. A.C. Siemons te Amsterdam,

tegen

de stichting

NEDERLANDSE OMROEP STICHTING,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. de Kemp te Amsterdam.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 28 februari 2011 heeft eiseres, verder te noemen Partij voor de Dieren, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder te noemen NOS, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Aan de zijde van Partij voor de Dieren waren ter terechtzitting, voor zover van belang, aanwezig: [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3] en mr. Siemons. Aan de zijde van NOS waren, voor zover van belang, aanwezig: [persoon 4], [persoon 5], [persoon 6] en mr. De Kemp. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Partij voor de Dieren is een politieke partij die zich in het bijzonder inzet voor een respectvolle omgang met dieren en natuur. De partij is met twee zetels vertegenwoordigd in de Tweede Kamer en met één zetel in de Eerste Kamer. [persoon 1], voornoemd, is partijleider en fractieleider van deze partij in de Tweede Kamer.

2.2. De NOS is een landelijke publieke media-instelling in de zin van de Mediawet 2008 (hierna: de Mediawet).

2.3. Woensdag 2 maart 2011 zullen er verkiezingen plaatsvinden voor de Provinciale Staten. In het kader daarvan heeft NOS besloten om drie debatten en een zogenoemde uitslagenavond te organiseren, te weten:

1. een radiodebat op Radio 1 op zondag 13 februari 2011.

2. een televisiedebat op maandag 14 februari 2011,

3. een televisiedebat op dinsdag 1 maart 2011, en een

4. uitslagenavond op 2 maart 2011.

2.4. Op 15 december 2010 heeft NOS voor de debatten een uitnodiging verzonden aan de voorlichters van de in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen, waaronder Partij voor de Dieren. Daarbij zijn voor het radiodebat de partijleiders van alle in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen uitgenodigd. Voor het tv-debat op 14 februari 2011 zijn de lijsttrekkers voor de Eerste Kamer van VVD, PvdA, PVV, CDA, SP, Groen Links, D66 en de Christen Unie uitgenodigd. Voor het

tv-debat op 1 maart 2011 zijn de partijleiders van de acht grootste fracties van de partijen in de Tweede Kamer uitgenodigd, te weten: VVD, PvdA, PVV, CDA, SP, Groen Links, D66 en de Christen Unie. NOS heeft de SGP en Partij voor de Dieren voor beide tv-debatten niet uitgenodigd.

2.5. Bij e-mail van 16 december 2010 heeft [persoon 7] van de SGP aan NOS gevraagd of het debat op 1 maart 2011 verbreed kan worden met de SGP en Partij voor de Dieren.

2.6. Bij e-mail van 21 februari 2011 heeft [persoon 2], directeur partijbureau bij Partij voor de Dieren, NOS verzocht om [persoon 1] deel te laten nemen aan het tv-debat op 1 maart 2011. NOS heeft dat verzoek afgewezen.

3. Het geschil

3.1. Partij voor de Dieren vordert samengevat - NOS, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen om de voorzitter van de fractie van Partij voor de Dieren in de Tweede Kamer uit te nodigen en toe te laten tot het televisiedebat op 1 maart 2011.

3.2. Partij voor de Dieren stelt daartoe, samengevat, dat televisiedebatten een belangrijk onderdeel zijn voor de verkiezingen van de provinciale staten. Die verkiezingen zijn ditmaal des te belangrijker in verband met het te verwachten effect ervan op de samenstelling van de Eerste Kamer, meer in het bijzonder voor de vraag of de huidige regeringspartijen samen met partijen die de huidige regering gedogen, daar een meerderheid zullen verkrijgen. Dit achterliggende belang is er zonder twijfel de reden voor dat NOS de samenstelling van de Tweede Kamer als uitgangspunt heeft genomen voor de debatten, hoewel het niet om verkiezingen voor de Tweede Kamer gaat. Door Partij voor de Dieren en de SGP niet voor de televisiedebatten uit te nodigen handelt NOS in strijd met artikel 2.1. van de Mediawet. Dat artikel schrijft voor dat het aanbod van de publieke mediadiensten, zoals NOS, evenwichtig en pluriform dient te zijn en aandacht dient te geven aan kleine doelgroepen. Door het stelselmatig uitsluiten van de kleinste in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen voldoet NOS niet aan die verplichting. NOS handelt aldus onzorgvuldig en daarom onrechtmatig jegens Partij voor de Dieren en Partij voor de Dieren lijdt daardoor schade. Zij kan zich immers niet in het televisiedebat aan de vooravond van de verkiezingen doen gelden, welk debat van grote invloed kan zijn op de uitslag van de verkiezingen. (De partijleider van) Partij voor de Dieren dient daarom tot dat debat te worden toegelaten, aldus Partij voor de Dieren.

3.3. NOS stelt tot haar verweer dat de opzet en invulling van de verkiezingsdebatten het resultaat is van zorgvuldige, neutrale en transparante journalistieke keuzes. De ervaring heeft volgens NOS geleerd dat acht deelnemers in een debat het absolute maximum is. Aan geen van de afgelopen verkiezingsdebatten op televisie hebben dan ook meer dan acht partijen deelgenomen. Ook in de huidige opzet, waarbij de partijleiders wisselend plenair of in kwartetten over vragen van het publiek debatteren, is zodoende weer besloten om het aantal deelnemers tot acht te beperken. Dit om het debat gestructureerd en voor de kijker hanteerbaar te kunnen houden binnen de beperkte tijd. Daarbij is een te rechtvaardigen neutrale maatstaf genomen, die aansluit bij de volgorde die verleden jaar bij de Tweede Kamer verkiezingen door de kiezer is bepaald, te weten de acht grootste partijen. Toewijzing van de vordering van Partij voor de Dieren zou een ontoelaatbaar grote inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en redactionele vrijheid van NOS met zich brengen. Daarnaast zou het toewijzen van de vordering het organiseren van een verkiezingsdebat in de toekomst haast onmogelijk maken, omdat iedereen die zich verkiesbaar heeft gesteld, vervolgens deelname aan het debat zou kunnen afdwingen, aldus NOS.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet binnen vier weken betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van eiseres bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. In geschil is de vraag of NOS dient te worden veroordeeld om Partij voor de Dieren toe te laten tot het televisiedebat op 1 maart 2011. Overwogen wordt dat NOS met haar televisiedebatten een vorm van journalistiek bedrijft. Met die debatten beoogt zij immers door de partijleiders op bepaalde thema’s te bevragen en tegenover elkaar te zetten het publiek aan de vooravond van de verkiezingen voor te lichten over standpunten van de diverse aan de verkiezingen deelnemende partijen.

4.3. Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat de onafhankelijkheid van de journalistiek in een democratische samenleving een fundamenteel beginsel is. Toewijzing van de vordering van Partij voor de Dieren houdt dan ook een beperking in van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van NOS op gebruik van haar vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer NOS jegens Partij voor de Dieren onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) handelt. Voor het antwoord op de vraag of hiervan sprake is dient het belang van NOS bij de zo min mogelijk beperkte uitoefening van haar journalistieke taak te worden afgewogen tegen het belang van Partij voor de Dieren om haar politieke boodschap zo breed mogelijk en gelijktijdig met politieke concurrenten te kunnen uiten. Wat zwaarder weegt, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

4.4. Aan NOS komt in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en binnen het kader van de Mediawet een ruime mate van vrijheid toe met betrekking tot de onderwerpen waaraan zij in haar radio- en televisieprogramma’s aandacht wenst te geven en de wijze waarop zij dat wenst te doen. NOS handelt pas onrechtmatig als zij daarbij keuzes maakt die in redelijkheid niet gemaakt hadden kunnen worden en daardoor misbruik maakt van die vrijheid.

4.5. Aannemelijk is dat Partij voor de Dieren, vertegenwoordigd in de Tweede en in de Eerste Kamer, er een groot bij belang bij heeft dat zij haar politieke stellingen op de vooravond van de Provinciale Statenverkiezingen gelijktijdig met andere partijen die voor dat debat zijn uitgenodigd onder de aandacht van het publiek kan brengen, te meer nu tussen de partijen in dit geding niet in geschil is dat de aanstaande Provinciale Statenverkiezingen, vanwege de minderheid van de huidige regeringspartijen in de Tweede Kamer, meer dan in andere verkiezingsjaren van belang zijn voor de machtsverhoudingen tussen die regeringspartijen, gesteund door één of meer partijen die het huidige kabinet gedogen, en de oppositie. Aannemelijk is dat deelname aan het debat en de presentatie en prestatie daarin ook invloed heeft op de keuze van een aantal kiezers in de zin dat zij alsnog besluiten op een bepaalde partij te stemmen of alsnog besluiten juist niet op een bepaalde partij te stemmen. Daarmee is het belang bij deelname daaraan voor de Partij voor de Dieren gegeven.

Dit betekent echter nog niet dat NOS met de onderhavige weigering om Partij voor de Dieren tot dat televisiedebat toe laten onrechtmatig jegens Partij voor de Dieren handelt.

Het is op grond van haar journalistieke vrijheid in beginsel aan NOS te bepalen op welke manier en met deelname van wie zij het politieke debat wenst te organiseren. Tijd, plaats en thema van het debat eisen begrenzing van het aantal deelnemers daaraan. Het is niet aan de rechter in de plaats te treden van de programmamaker en deze voor te schrijven hoe hij het voorgenomen journalistieke product (beter) dient uit te voeren. Slechts indien in een situatie als deze zou kunnen worden vastgesteld dat NOS met de door haar gemaakte keuze invloed uitoefent of tracht uit te oefenen op het resultaat van de verkiezingen door zonder goede gronden de ene partij wel voor het debat uit te nodigen en de ander niet en daardoor misbruik maakt van haar journalistieke vrijheid kan er sprake zijn van onrechtmatig handelen. Het door NOS gehanteerde criterium voor deelname aan het televisiedebat, te weten de partijleiders van de acht grootste fracties van de partijen in de Tweede Kamer, is echter voldoende duidelijk en neutraal. Voorshands overtreedt NOS aldus dan ook niet de in artikel 2.1 van de Mediawet neergelegde opdracht om evenwichtige en pluriforme mediadiensten te verzorgen. Die opdracht betekent naar voorlopig oordeel niet dat NOS alle politieke partijen, althans alle reeds in de Staten-Generaal vertegenwoordigde partijen, tot het televisiedebat dient toe te laten. Verder is aannemelijk dat NOS binnen de 60 a 70 minuten dat het televisiedebat duurt en binnen het format van het programma, keuzes moet maken ten aanzien van het aantal deelnemende partijleiders. Niet kan worden gezegd dat NOS onder voormelde omstandigheden met de uitsluiting van de partijleider van Partij voor de Dieren niet in redelijkheid de door haar gemaakte keuze heeft kunnen maken. De vordering van Partij voor de Dieren zal daarom worden afgewezen.

4.6. Partij voor de Dieren zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NOS worden begroot op:

- griffierecht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorziening,

5.2. veroordeelt Partij voor de Dieren in de proceskosten, aan de zijde van NOS tot op heden begroot op EUR 1.384,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2011.