Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP5069

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
13/993055-10 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artt. 5:54, 5:56 en 5:57 Wet op het financieel toezicht. Delen van voorkennis. Geen sprake van uitoefenen ongeoorloofde druk door verbalisanten. Aanvankelijke verklaringen van verdachte betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/151
JONDR 2012/489

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993055-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 18 februari 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 februari 2011. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, officier van justitie. Verdachte liet zich bijstaan door mr. J.G.M. Stassen, advocaat te Enschede.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en kort samengevat weergegeven.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2007 tot 19

november 2007, te Enschede, althans in Nederland, terwijl zij uit hoofde van

haar werk, beroep of functie toegang had tot informatie als bedoeld in

artikel 5:53 lid 1 van de Wet op het financiële toezicht, en beschikte over

voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 Wet op het financiële

toezicht,

omtrent de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarvan de aandelen zijn

te beschouwen als financiele instrumenten als bedoeld in artikel 5:56, eerste

lid onder a, b, c of d,

anders dan in de normale uitoefening van haar werk, beroep of functie,

de informatie waarop haar voorwetenschap betrekking had,

heeft medegedeeld aan een derde, te weten [persoon 1],

waarbij de informatie bestond uit:

-dat er sprake was van een overname van of door Koninklijke Grolsch N.V. en/of

-dat Grolsch op korte termijn zou worden overgenomen (door SABMiller)

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment van mededelen aan

voornoemde [persoon 1] en waarvan openbaarmaking significante invloed

zou kunnen hebben op de koers van de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

(artikel 5:57 lid 1 onder a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 Wet op

de economische delicten)

2. Voorvragen

3. De feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit .

Aangifte AFM

3.1 Op 16 september 2008 doet de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) aangifte tegen [persoon 2] en [persoon 3] van overtreding van het verbod op handelen met voorkennis . De AFM heeft haar aangifte gebaseerd op onderzoek verricht naar aanlei-ding van meldingen van Rabobank Nederland gedaan op 30 november 2007 betreffende de na te bespreken aan- en verkopen in certificaten van aandelen in de onderneming Koninklijke Grolsch N.V. (hierna: Grolsch NV). Uit het op de aangifte verrichte onderzoek van de FI-OD/ECD blijkt het volgende.

Begrippen Wft

3.2 Grolsch NV is een naamloze vennootschap die blijkens de statuten tevens structuurven-nootschap is . De certificaten van aandelen in Grolsch NV zijn genoteerd op de effectenbeurs Euronext Amsterdam, gevestigd te Amsterdam . Euronext Amsterdam is houder van de ver-gunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Grolsch NV is daarmee een uitgevende instelling in de zin van de Wft .

Aan- en verkoop certificaten van aandelen in Grolsch N.V.

3.3 [persoon 2] koopt op 30 oktober 2007 1.130 certificaten van aandelen in Grolsch NV (hierna: certificaten Grolsch).

3.5 [persoon 2] verkoopt op 19 november 2007 zijn in oktober 2007 aangekochte certi-ficaten Grolsch .

3.6 [persoon 2] heeft bij de FIOD-ECD verklaard de aan- en verkoop van de certifica-ten Grolsch te hebben verricht.

Openbaarmaking overnamebod door Grolsch NV

3.7 Eveneens op 19 november 2007 maar vóór de hiervoor genoemde verkooptransacties maakt Grolsch NV openbaar dat zij voorwaardelijke overeenstemming heeft bereikt met SABMiller plc over een openbaar bod dat SABMiller voornemens is uit te brengen op de aan-delen in het kapitaal van Grolsch NV .

[verdachte] directiesecretaresse bij Grolsch

3.8 [verdachte] is vanaf 1 januari 2000 werkzaam bij Grolsch NV als directiesecreta-resse van een lid van de Raad van Bestuur . Regelmatig is zij schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat zij aangewezen werknemer is, te weten een werknemer die uit hoofde van haar werk of functie toegang heeft tot voorwetenschap . Zij wordt op 26 oktober 2007 in verband met het hiervoor genoemde overnamebod op een zogenaamde insiderlist geplaatst .

Familierelatie

3.9 [persoon 2] is de vader van [persoon 1]. [verdachte] is de partner van [persoon 1]. In de tenlastegelegde periode woonden zij samen in [woonplaats], samen met hun kind .

4. Het bewijs

4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het tenlastege-legde kan worden veroordeeld, op basis van de in haar requisitoir opgesomde bewijsmiddelen. Verdachte beschikte uit hoofde van haar functie over informatie betreffende de overname van Grolsch door SABMiller. Zij wist dat deze informatie koersgevoelig was. Het proces had daarbij natuurlijk ook niet voor niets een codenaam. Zij heeft verklaard haar partner over een overname te hebben verteld.

Aan de ontkenning ter terechtzitting wordt weinig waarde toegekend. Immers, verdachte alsook de medeverdachten hebben voorafgaand aan hun verklaring bij de FIOD kunnen over-leggen met hun advocaat. Vervolgens hebben zij een verklaring afgelegd en deze onderte-kend. Mogelijk is deze verklaring op onderdelen niet precies in hun eigen bewoordingen in het proces-verbaal weergegeven, maar dat deze verklaringen zouden zijn verdraaid of aange-dikt is niet aannemelijk. Daarbij komt dat voorafgaand aan de zitting er van de zijde van de verdediging nooit een brief is gekomen hieromtrent of om getuigen is gevraagd. Het is ook opmerkelijk dat de onderdelen van de verklaringen bij de FIOD die wel juist zouden zijn vol-gens verdachte, niet belastend zijn en dat de onderdelen die niet zouden kloppen overeenko-men met onderdelen in de verklaringen van de medeverdachten die zij op hun beurt weer be-twisten.

Uit de persmap blijkt niet van berichtgeving tussen 1 augustus 2007 en 17 november 2007 van een overname van Grolsch (door Budweiser). Van opvallende koersverlopen of omzetontwik-kelingen met betrekking tot de certificaten Grolsch is geen sprake geweest. Daarnaast zijn er geen positieve adviezen van aandelenanalisten geweest met betrekking tot de aankoop van de certificaten.

4.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich bij pleidooi op het standpunt gesteld dat verdachte geen voorkennis heeft gedeeld. In de eerste plaats kwam verdachte pas op zijn vroegst op de hoogte van het feit dat er iets gaande was bij Grolsch toen zij voor het eerst kon vernemen dat zij op de insi-derslist was geplaatst op 29 oktober 2007. Daar komt bij dat in oktober 2007 door Grolsch bij monde van bestuurder [persoon 4] wel degelijk in de pers uitlatingen zijn gedaan over een mogelij-ke overname. Verdachte heeft verklaard pas later in november 2007 te hebben vernomen wat daadwerkelijk gaande was.

Verdachte heeft in de periode voorafgaand aan de overname meer en onregelmatig moeten werken. Dit bracht met zich dat zij moest regelen dat er op haar zoontje gepast werd. Hiervoor heeft zij haar schoonouders ingeschakeld. Dit heeft mogelijk tot gevolg gehad dat anderen hier conclusies uit hebben getrokken. Dit betekent echter niet dat zij informatie heeft gedeeld.

Aan haar partner heeft zij slechts, noodgedwongen, verteld dat de situatie op haar werk met zich bracht dat zij vaker moest werken. Het woord overname heeft zij hierbij niet gebruikt. Dat kon ook niet, want zij was niet van een overname op de hoogte.

Hetgeen verdachte aan het eind van het verhoor bij de FIOD heeft verklaard is niet juist maar moet worden toegeschreven aan de schok van de aanhouding, de lange dag van verhoren, de deelinformatie uit andere verhoren en de wens om naar huis te gaan.

Hetgeen staat geverbaliseerd over de advocaat, dat hij ’s middags niet bereikbaar zou zijn kan niet juist zijn.

Verdachte is voorafgaand aan de verhoren niet gewezen op het verschoningsrecht.

4.3. Oordeel van de rechtbank

Transacties, financiële instrumenten en gereglementeerde markt

De rechtbank stelt vast, gelet op rubriek 3.2, dat certificaten van aandelen zijn aan te merken als financiële instrumenten in de zin van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en dat deze certificaten zijn toegelaten tot de handel op Euronext Amsterdam. Laatstgenoemde effecten-handel betreft een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht is verleend. Het voorgaande is ter terechtzit-ting niet betwist.

Voorwetenschap

De rechtbank stelt voorts vast dat bekendheid met de informatie dat sprake was van een voor-genomen overname van Grolsch NV, zoals ten laste gelegd, voor de openbare bekendmaking daarvan, op 19 november 2007, voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 van de Wft ople-vert, aangezien deze informatie concreet is en niet openbaar is gemaakt, terwijl openbaarma-king ervan significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumen-ten. Dit voorgaande is evenmin ter terechtzitting betwist.

Verschoningsrecht en ongeoorloofde druk

Vooraleer de rechtbank toekomt aan beantwoording van de vraag of verdachte bedoelde voorwetenschap heeft gehad, ligt de vraag voor of de verklaringen die verdachte bij de FIOD-ECD heeft afgelegd gebezigd kunnen worden voor het bewijs.

Daaraan staat niet in de weg dat verdachte voor haar verhoor niet is gewezen op het verscho-ningsrecht, aangezien een dergelijke verplichting niet uit de wet noch uit de jurisprudentie volgt. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook geen sprake.

Ter terechtzitting heeft verdachte haar verklaringen bij de FIOD-ECD herroepen. Zij heeft aangevoerd dat zij de aanhouding ’s ochtends door verbalisanten van de FIOD-ECD, met haar zoontje huilend op de trap, als zeer intimiderend heeft ervaren. Zij is vervolgens verschillende keren verhoord en tussen die verhoren door terug in de cel geplaatst. Tijdens de verhoren zou zij door de verbalisanten onder druk zijn gezet door een repeterende vraagstelling en intimide-rende opmerkingen over een langer verblijf in de cel. De verbalisanten hebben de woorden van verdachte verdraaid en er dingen uitgepikt, aldus verdachte, waardoor zij in een valse werkelijkheid verzeild is geraakt. Op het eind van de verhoren had verdachte slechts nog de wens naar huis terug te keren.

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een door verdachte ervaren druk tijdens de verhoren. Met deze vaststelling is nog niet gegeven dat deze druk is uitgeoefend door de ver-horende verbalisanten en zo ja, dat deze druk ongeoorloofd is geweest. Van de laatstbedoelde situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

De situatie waarin de verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd, als onrechtmatig verkregen moeten worden aangemerkt en uit dien hoofde reeds moeten worden uitgesloten van het be-wijs, is daarmee niet aan de orde.

Dit laat onverlet dat de rechtbank zich een oordeel moet vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte.

Daarbij neemt de rechtbank onder meer de inhoud van de verklaringen in ogenschouw.

Verklaringen verdachte

In haar eerste verhoor bij de FIOD-ECD verklaart verdachte dat zij voor 19 november 2007 wist dat er dingen gaande waren bij Grolsch. Er werden codenamen gebruikt voor afspraken in de agenda van haar baas. Zij vermoedde dat er iets gaande was. Dit kon een overname van Grolsch zijn maar ook dat Grolsch een bedrijf overnam.

Waarschijnlijk is zij op de insiderslist geplaatst omdat zij veel afspraken moest verzetten van haar baas, de heer [persoon 4].

Zij heeft nooit geweten dat haar schoonvader [persoon 2] certificaten Grolsch heeft gekocht.

Aan de hand van het verzetten van de agenda van [persoon 4] en het tegenkomen van de codenamen is verdachte zelf tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een overname van of door Grolsch .

In haar tweede verhoor verklaart verdachte dat zij toegeeft dat zij wel aan haar partner heeft verteld dat er sprake was van een overname bij Grolsch. Hoe dit precies is gegaan weet zij niet meer. Ze heeft hem niet letterlijk verteld dat Grolsch bezig was met overnamegesprekken, maar ze kan zich wel voorstellen dat hij uit verschillende gesprekken met haar op de dagen dat zij daar druk mee was, op heeft kunnen maken dat er sprake was van een overname bij Grolsch. Zij was druk in de week van 22 oktober 2007, de week daarvoor en daarna tot 19 november 2007. Ze heeft wel informatie met haar partner gedeeld maar zij is er altijd vanuit gegaan dat dit veilig zou zijn bij hem.

Verdachte wist dat [ ] een codenaam was voor de overnamegesprekken welke op dat moment aan de gang waren .

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij in werkelijkheid niet gesproken heeft met haar partner over een overname. Wel heeft zij vanwege die drukte met hem gesproken over praktische zaken, met name in verband met de opvang voor hun kind.

Verdachte wist dat er iets gaande was op haar werk waarvoor codenamen werden gebruikt. Verder wist verdachte niets. Er speelden wel vaker dingen op haar werk, dus dat er iets gaan-de was is op zich niet bijzonder. Codenamen waren ook niet veelzeggend, projecten konden immers op niets uitdraaien.

Op vrijdag 26 oktober 2007 werkte verdachte niet. Zij kan dus op zijn vroegst op de 29e van de insiderslist op de hoogte zijn gesteld.

Verdachte heeft niet tegen haar partner gezegd dat zij wel dacht dat er iets van een overname gaande was bij Grolsch. Zij heeft slechts gezegd dat zij druk was op haar werk. Daar is verder nauwelijks over gesproken. Misschien heeft zij er nog bij gezegd dat er iets gaande was, maar dat was vaker en daarom niet bijzonder. Haar partner zou in een dergelijk geval ook niet vra-gen wat er dan gaande was, want dat doet hij niet en dat is ook niet van belang .

Betrouwbaarheid verklaringen verdachte zoals opgenomen door de FIOD-ECD

Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt.

In de eerste plaats is verdachte, alvorens zij is verhoord door de verbalisanten van de FIOD-ECD, bezocht door haar raadsvrouw met wie zij overleg heeft kunnen voeren.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van verdachte bij de FIOD-ECD uitgebreid en gedetailleerd zijn. Daaruit komt niet het beeld naar voren dat verdachte, onder de indruk van de situatie, vanaf een bepaald moment ‘geknakt’ is en klakkeloos al hetgeen de verbali-santen haar hebben voorgehouden heeft bevestigd, maar veeleer dat zij de vragen heeft be-antwoord en daarbij uit eigen beweging aanvullingen heeft gegeven, die gedetailleerd en over-tuigend zijn.

Wat dat laatste betreft, geldt dat de inhoud van de verklaringen van verdachte steun vinden in de verklaring van medeverdachte [persoon 1]. Deze heeft verklaard dat zijn partner wist dat er gesprekken bezig waren bij Grolsch. Deze informatie is ook bij [persoon 1] terecht gekomen tijdens de gesprekken bij het eten .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van verdachte bij de FIOD-ECD betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dat verdachte ter terechtzitting haar eer-dere verklaringen op onderdelen heeft herroepen acht de rechtbank dan ook louter ingegeven door de wens om zichzelf en de medeverdachten te ontlasten, temeer omdat verdachte slechts op belastende onderdelen wijzigingen heeft aangebracht.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar stelling dat haar partner de week voor de aankoop de voorwetenschap niet met zijn vader kan hebben gedeeld, omdat verdachte op dat moment die wetenschap zelf nog niet kan hebben gehad. De rechtbank overweegt daartoe dat zij het moment waarop verdachte op de hoogte is geraakt van het feit dat zij op de insiderlist is geplaatst niet beslissend acht. Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank immers aannemelijk geworden dat zij de voorwetenschap al voor dat moment had opgedaan, op basis van haar eigen verklaring hieromtrent .

Mededelen van voorwetenschap

De rechtbank komt op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat verdachte terwijl zij de bedoelde voorwetenschap had, deze heeft medegedeeld aan haar partner, zoals ten laste gelegd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte

in de periode van 1 oktober 2007 tot 30 oktober 2007, te Enschede, terwijl zij uit hoofde van haar werk of functie toegang had tot informatie als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 van de Wet op het financiële toezicht, en beschikte over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 Wet op het financiële toezicht, omtrent de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarvan de aandelen zijn te beschouwen als financiële instrumenten als bedoeld in artikel 5:56, eerste lid onder a, b, c of d, anders dan in de normale uitoefening van haar werk of functie, de informatie waarop haar voorwetenschap betrekking had, heeft medegedeeld aan een derde, te weten [persoon 1], waarbij de informatie bestond uit:

-dat er sprake was van een overname van Koninklijke Grolsch N.V.,

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment van mededelen aan voornoemde [persoon 1] en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

De rechtbank heeft haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan, gegrond op de hiervoor onder rubriek 3 en 4.3 in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstan-digheden, zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Waar de tenlastelegging taalkundig is verbeterd, is verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewe-zen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van 1.500 euro te vervangen door 30 dagen vervangende hechtenis.

Ter motivering van haar eis heeft de officier van justitie gewezen op de omstandigheid dat marktintegriteit van groot belang is voor het goed kunnen functioneren van de effectenmarkt en de bescherming van beleggers. Door voorwetenschap te delen met anderen of door gebruik te maken van voorwetenschap wordt het vertrouwen in de effectenmarkt geschaad en wordt het bereiken van een transparante markt een utopie. In het voordeel van verdachte speelt dat zij first offender is en dat zij haar baan is kwijtgeraakt ten gevolge van deze zaak en in feite het slachtoffer is geworden van het handelen van anderen. Bovendien is het delen van infor-matie in huiselijke kring weliswaar strafbaar maar enigszins begrijpelijk.

8.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft naast het betoog voor integrale vrijspraak volstaan met op te merken dat verdachte ten gevolge van dit voorval haar baan is verloren.

8.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de keuze voor de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ‘lekken’ van voorwetenschap. Daarmee heeft verdachte zich bloot gesteld aan het risico dat van die voorwetenschap gebruik zou worden gemaakt door derden, welk risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Hierdoor is een inbreuk gemaakt op de integriteit en transparantie van de effectenmarkt. De effectenmarkt vervult een sleutelrol in het economisch proces aangezien daar vraag en aanbod van kapitaal bij elkaar komen. De aanbieders van kapitaal moeten erop kunnen vertrouwen dat zij allen de beschikking hebben over dezelfde relevante informatie. Door deze voorkennis te delen of hiervan gebruik te maken wordt dit vertrouwen geschaad.

Het belang van dat vertrouwen en die transparantie wordt ook in Europees verband in toenemende mate onderkend. Zo zijn de lidstaten overeengekomen dat het vertrouwen van beleggers door het stellen van strenge normen moet worden bevorderd.

Ten voordele van verdachte geldt dat zij een blanco strafblad heeft. De rechtbank acht het gevaar voor herhaling verwaarloosbaar.

Ook hecht de rechtbank gewicht aan het feit dat deze strafzaak voor verdachte al zware repercussies heeft gehad, blijkens het ontslag bij Grolsch, terwijl deze veroordeling het verkrijgen van een baan in de financiele sector zal bemoeilijken. Daar komt bij dat verdachte het feit heeft gepleegd in de huiselijke sfeer en in feite het slachtoffer van het handelen van familie is geworden.

Gelet op al het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan met het opleggen van na te noemen voorwaardelijke geldboete.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 5:54, 5:56 en 5:57 van de Wet op het financieel toezicht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geach-te.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:57 van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

Beveelt dat deze geldboete niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proef-tijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. W.C.J. Robert en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2011.

De jongste rechter is buiten staat te ondertekenen.