Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP5060

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
13/993054-10 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artt. 5:54 en 5:56 Wet op het financieel toezicht. Handelen met voorkennis. Geen sprake van uitoefenen ongeoorloofde druk door verbalisanten. Aanvankelijke verklaringen van verdachte betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993054-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 18 februari 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 februari 2011. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, officier van justitie. Verdachte liet zich bijstaan door mr. R.J. Leijsen, advocaat te Enschede.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en kort samengevat weergegeven.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 30 oktober 2007 te Enschede en/of Amsterdam, althans in

Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden te beschikken

over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 Wet op het financieel

toezicht, gebruik heeft gemaakt van die voorwetenschap

door een transactie te verrichten en/of te bewerkstelligen in (certificaten

van ) aandelen Koninklijke Grolsch N.V., zijnde financiële instrumenten die

zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een

vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel

toezicht is verleend, te weten Euronext Amsterdam,

immers heeft verdachte op 30 oktober 2007 1130 certificaten van aandelen

Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht,

terwijl hij bekend was met niet openbaar gemaakt, concrete informatie die

rechtstreeks, althans middellijk betrekking had op Koninklijke Grolsch N.V.,

te weten

-dat er sprake was van een overname van of door Koninklijke Grolsch N.V. en/of

-dat Grolsch op korte termijn zou worden overgenomen (door SABMiller)

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment dat genoemde

transactie is verricht/bewerkstelligd en waarvan de openbaarmaking

significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen Koninklijke

Grolsch N.V.

(Artikel 5:56 Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 Wet op de

economische delicten)

2. Voorvragen

3. De feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit .

Aangifte AFM

3.1 Op 16 september 2008 doet de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) aangifte tegen [verdachte] en [persoon 1] van overtreding van het verbod op handelen met voorkennis . De AFM heeft haar aangifte gebaseerd op onderzoek verricht naar aanlei-ding van meldingen van Rabobank Nederland gedaan op 30 november 2007 betreffende de na te bespreken aan- en verkopen in certificaten van aandelen in de onderneming Koninklijke Grolsch N.V. (hierna: Grolsch NV). Uit het op de aangifte verrichte onderzoek van de FI-OD/ECD blijkt het volgende.

Begrippen Wft

3.2 Grolsch NV is een naamloze vennootschap die blijkens de statuten tevens structuurven-nootschap is . De certificaten van aandelen in Grolsch NV zijn genoteerd op de effectenbeurs Euronext Amsterdam, gevestigd te Amsterdam . Euronext Amsterdam is houder van de ver-gunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Grolsch NV is daarmee een uitgevende instelling in de zin van de Wft .

Aan- en verkoop certificaten van aandelen in Grolsch N.V.

3.3 [verdachte] koopt op 30 oktober 2007 1.130 certificaten van aandelen in Grolsch NV (hierna: certificaten Grolsch).

3.5 [verdachte] verkoopt op 19 november 2007 zijn in oktober 2007 aangekochte certi-ficaten Grolsch .

3.6 [verdachte] heeft zowel bij de FIOD-ECD als ter terechtzitting verklaard de aan- en verkoop van de certificaten Grolsch te hebben verricht .

Openbaarmaking overnamebod door Grolsch NV

3.7 Eveneens op 19 november 2007 maar vóór de hiervoor genoemde verkooptransacties maakt Grolsch NV openbaar dat zij voorwaardelijke overeenstemming heeft bereikt met SABMiller plc over een openbaar bod dat SABMiller voornemens is uit te brengen op de aan-delen in het kapitaal van Grolsch NV .

[persoon 2] directiesecretaresse bij Grolsch

3.8 [persoon 2] is vanaf 1 januari 2000 werkzaam bij Grolsch NV als directiesecreta-resse van een lid van de Raad van Bestuur . Regelmatig is zij schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat zij aangewezen werknemer is, te weten een werknemer die uit hoofde van haar werk of functie toegang heeft tot voorwetenschap . Zij wordt op 26 oktober 2007 in verband met het hiervoor genoemde overnamebod op een zogenaamde insiderlist geplaatst .

Familierelatie

3.9 [verdachte] is de vader van [persoon 3]. [persoon 2] is de partner van [persoon 3]. In de tenlastegelegde periode woonden zij samen in [woonplaats], samen met hun kind .

4. Het bewijs

4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het tenlastegelegde kan worden veroordeeld, op basis van de in haar requisitoir opgesomde bewijsmiddelen. Verdachte werd door zijn zoon op de hoogte gebracht van de overname van Grolsch door SABMiller. Hij wist dat hij daarmee over voorwetenschap beschikte, zo blijkt uit zijn verkla-ring, inhoudende dat hij begreep dat door de overname een koersstijging te verwachten was. Aan de ontkenning ter terechtzitting wordt weinig waarde toegekend. Verdachte alsook de medeverdachten hebben voorafgaand aan hun verklaringen bij de FIOD kunnen overleggen met hun advocaat. Vervolgens hebben zij verklaringen afgelegd en deze ondertekend. Mogelijk zijn deze verklaringen op onderdelen niet precies in hun eigen bewoordingen in het procesverbaal weergegeven, maar dat deze verklaringen zouden zijn verdraaid of aangedikt is niet aannemelijk. Daarbij komt dat voorafgaand de zitting er van de zijde van de verdediging nooit een brief is gekomen hieromtrent, er nooit om getuigen is gevraagd. Het is ook opmerkelijk dat de onderdelen van de verklaringen bij de FIOD die wel juist zouden volgens ver-dachte, niet belastend zijn en dat de onderdelen die niet zouden kloppen overeenkomen met onderdelen in de verklaringen van de medeverdachten die zij op hun beurt weer betwisten.

Het handelen van verdachte is ook zonder de informatie van zijn zoon opmerkelijk. De berichten in de media waren negatief over Grolsch NV. Eerst belde verdachte dat hij zijn geld wilde vastzetten. Twee weken later belt hij zelf met de wens om certificaten Grolsch NV aan te kopen en legt hij een advies van zijn adviseur voor het eerst naast zich neer.

Uit de persmap blijkt niet van berichtgeving tussen 1 augustus 2007 en 17 november 2007 van een overname van Grolsch (door Budweiser). Van opvallende koersverlopen of omzetontwik-kelingen met betrekking tot de certificaten Grolsch is geen sprake geweest. Daarnaast zijn er geen positieve adviezen van aandelenanalisten geweest met betrekking tot de aankoop van de certificaten.

4.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlast-gelegde dient te worden vrijgesproken. De verhoren door de FIOD waren in hoge mate over-donderend en traumatiserend voor verdachte en de vraagstelling en gedragswijze van verho-rende verbalisanten waren op niets anders gericht dan het verkrijgen van bevestiging dat er sprake zou zijn van voorwetenschap. Daar komt bij dat verdachte herstellende was van zeer zware operaties. Moegestreden aan het eind van de verhoordag heeft verdachte uiteindelijk maar getekend wat de politie wilde. Maar ten tijde van het gesprek tussen verdachte en zijn zoon, kon mevrouw [persoon 2] nog geen voorwetenschap hebben en kon zij die wetenschap dus ook nog niet gedeeld hebben met haar partner. Verdachte heeft niet meer gedaan dan uit het overwerken van [persoon 2] concluderen dat er iets aan de hand was bij Grolsch en ver-volgens dit aan zijn zoon gevraagd, die heeft geantwoord: “er is daar iets aan de hand”.

Ook blijkt niet uit het dossier dat medeverdachte [persoon 2], vanaf het moment dat zij ver-nam dat zij op een insiderslist geplaatst was, wist dat het om een mogelijke overname ging. De groep die daar wel van wist binnen Grolsch was zeer beperkt.

Verdachte had toen hij de certificaten kocht dan ook geen voorwetenschap en heeft hier dan ook geen gebruik van kunnen maken.

De FIOD heeft gedacht: “deze omstandigheden zijn te verdacht”. Het hele onderzoek is er louter op gericht geweest om de verdenking waar te maken.

4.3. Oordeel van de rechtbank

Transacties, financiële instrumenten en gereglementeerde markt

Verdachte heeft erkend de in de tenlastelegging genoemde transacties in de certificaten Grolsch te hebben verricht. De rechtbank stelt vast, gelet op rubriek 3.2, dat certificaten van aandelen zijn aan te merken als financiële instrumenten in de zin van de Wft en dat deze certificaten zijn toegelaten tot de handel op Euronext Amsterdam. Laatstgenoemde effectenhandel betreft een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht is verleend. Het voorgaande is ter terechtzitting niet betwist.

Voorwetenschap

De rechtbank stelt voorts vast dat bekendheid met de informatie dat er sprake was van een voorgenomen overname van Grolsch NV, zoals ten laste gelegd, voor de openbare bekend-making daarvan, op 19 november 2007, voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 van de Wft oplevert, aangezien deze informatie concreet is en niet openbaar is gemaakt, terwijl openbaarmaking ervan significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten. Dit voorgaande is evenmin ter terechtzitting betwist.

Geen ongeoorloofde druk

Vooraleer de rechtbank toekomt aan beantwoording van de vraag of verdachte bedoelde voorwetenschap heeft gehad, ligt de vraag voor of de verklaringen die verdachte bij de FIOD-ECD heeft afgelegd gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Ter terechtzitting heeft verdachte immers zijn verklaringen bij de FIOD-ECD deels herroepen. Hij heeft verklaard de aanhouding door verbalisanten van de FIOD-ECD als zeer intimiderend te hebben ervaren en de verklaringen onder grote druk te hebben afgelegd. Daarbij heeft hij gewezen op de omstandigheid dat hij -nog niet eerder met de politie in aanraking gekomen ’s ochtends vroeg thuis is opgehaald en vervolgens gedurende de dag met onderbrekingen is verhoord, terwijl hij fysiek herstellende was. Daarbij werden intimiderende opmerkingen door de verbalisanten gemaakt over de vermeende winst die verdachte met de certificaten zou hebben behaald, over een langer verblijf op het bureau en over het feit dat de baan van zijn schoondochter in gevaar was gekomen.

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een door verdachte ervaren druk tijdens de verhoren. Met deze vaststelling is nog niet gegeven dat deze druk is uitgeoefend door de verhorende verbalisanten en zo ja, dat deze druk ongeoorloofd is geweest. Van de laatstbedoelde situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

De situatie waarin de verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd, als onrechtmatig verkregen moeten worden aangemerkt en uit dien hoofde reeds moeten worden uitgesloten van het bewijs is daarmee niet aan de orde.

Dit laat onverlet dat de rechtbank zich een oordeel moet vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte.Daarbij neemt de rechtbank onder meer de inhoud van de ver-klaringen in ogenschouw.

Verklaringen van verdachte

In het tweede verhoor bij de FIOD-ECD verklaart verdachte, voorzover hier relevant, dat hij, omdat hij merkte dat er bij Grolsch iets speelde omdat zijn schoondochter [persoon 2] heel druk was en veel moest overwerken, zijn zoon [persoon 3] heeft gebeld met de vraag wat er aan de hand was bij Grolsch. Verdachte vroeg aan zijn zoon of er bij Grolsch gesprekken werden gevoerd inzake een overname. Voor zijn zoon het besefte zei deze: “Ja”.

Verdachte had de indruk dat zijn zoon schrok van de informatie die hij aan hem had gegeven. Zijn zoon heeft hem uitdrukkelijk verzocht om niets met de informatie te doen. Verdachte heeft dat toen toegezegd.

Met de informatie van zijn zoon voorzag verdachte een koersstijging van de certificaten Grolsch. Hij had wel zoveel verstand van aandelen dat hij wist dat er door een overname een koersstijging te verwachten was en dat is ook uitgekomen.

Ondanks het verzoek van zijn zoon om niets te doen met de informatie, heeft verdachte toch gemeend om een klein pakket certificaten Grolsch te kopen. Hiertoe heeft hij de heer [persoon 4] gebeld en deze de opdracht gegeven om tot de koop over te gaan.

Na de verkoop van de certificaten Grolsch heeft hij zijn zoon verteld dat hij ondanks zijn verzoek om niets met de informatie te gaan doen, toch certificaat aandelen heeft gekocht. Zijn zoon zei hem daarop: “daar ben ik niet blij mee” .

In het derde verhoor verklaart verdachte dat hij zijn zoon [persoon 3] een bedrag heeft betaald van de winst van de verkoop van de aandelen en tegen hem heeft gezegd: “alsjeblieft [persoon 3], dit krijg je van mij. Dit krijg je voor de informatie die je mij gegeven hebt” .

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat, omdat er werd gevraagd op het kind van zijn zoon en schoondochter te passen, hij merkte dat zijn schoondochter op onregelmatige tijden moest werken. Uit deze omstandigheid tezamen met verschillende berichtgevingen en uitlatingen in de media omtrent Grolsch kreeg verdachte het vermoeden dat Grolsch overname-kandidaat was. Vervolgens heeft verdachte een keer in de wandelgangen aan zijn zoon gevraagd of er iets aan de hand was bij Grolsch. Deze antwoordde hem: “dat zou kunnen zijn”. Zijn zoon vroeg hem om daarmee niets te doen. Die laatste opmerking kwam op verdachte over alsof zijn zoon wilde zeggen dat hij het niet zeker wist. Over een overname heeft verdachte niets aan zijn zoon gevraagd.

Verdachte heeft de conclusie getrokken dat er sprake was van een mogelijke overname van Grolsch en heeft daarom besloten certificaten Grolsch te kopen. Die conclusie heeft verdachte zuiver alleen getrokken en slechts gebaseerd op het algemene beeld van Grolsch in de media en niet op de mededeling van zijn zoon.

In een later stadium, na de aankoop, is de aankoop van de certificaten in een gesprek met zijn zoon aan de orde gekomen. Diens reactie was toen gematigd. In die periode was hij daar niet blij mee.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij mogelijk bij het geven van een geldbedrag aan zijn zoon –hij geeft jaarlijks al zijn kinderen een geldbedrag- heeft gezegd dat dit was vanwege de winst die verdachte met de certificaten Grolsch had behaald, maar niet dat dit was van vanwege de informatie die zijn zoon hem gegeven had, aldus verdachte .

Betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte zoals opgenomen door de FIOD-ECD

Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt.

In de eerste plaats is verdachte, alvorens hij is verhoord door de verbalisanten van de FIOD-ECD, bezocht door een raadsman met wie hij overleg heeft kunnen voeren.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van verdachte bij de FIOD-ECD uitgebreid en gedetailleerd zijn. Daaruit komt niet het beeld naar voren dat verdachte, onder de indruk van de situatie, vanaf een bepaald moment ‘geknakt’ is en klakkeloos al hetgeen de verbali-santen hem hebben voorgehouden heeft bevestigd, maar veeleer dat hij de vragen heeft be-antwoord en daarbij uit eigen beweging aanvullingen heeft gegeven, die gedetailleerd en over-tuigend zijn.

Wat dat laatste betreft, geldt dat de inhoud van de verklaring van verdachte steun vindt in de verklaring van medeverdachte [persoon 3]. Deze heeft verklaard dat hij van zijn partner [persoon 2] wist dat er sprake was van overnamegesprekken bij Grolsch en dat zijn vader hem deze informatie heeft ontfutseld .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van verdachte bij de FIOD-ECD betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dat verdachte ter terechtzitting zijn eerdere verklaringen op onderdelen heeft herroepen acht de rechtbank dan ook louter ingegeven door de wens om zichzelf en de medeverdachten te ontlasten, temeer omdat verdachte slechts op belastende onderdelen wijzigingen heeft aangebracht.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn stelling dat de zoon van verdachte de week voor de aankoop de voorwetenschap niet met zijn vader kan hebben gedeeld, omdat zijn partner [persoon 2] op dat moment die wetenschap zelf nog niet kan hebben gehad. De rechtbank overweegt daartoe dat zij het moment waarop medeverdachte [persoon 2] op de hoogte is geraakt van het feit dat zij op de insiderlist is geplaatst niet beslissend acht. Anders dan de raadsman acht de rechtbank immers aannemelijk geworden dat [persoon 2] de voorwetenschap al voor dat moment had opgedaan, op basis van haar eigen verklaring hieromtrent .

Gebruikmaken van voorwetenschap

Verdere ondersteuning voor de stelling dat verdachte bij de transacties die hier in het geding zijn, de bedoelde voorwetenschap had, biedt de omstandigheid dat de aan- en verkoop van de certificaten Grolsch niet pasten in het beleggingspatroon van verdachte . Immers, niet eerder kocht verdachte van één en hetzelfde fonds effecten voor een dergelijk hoog totaalbedrag. Ook was de periode waarin een belegging in portefeuille werd gehouden, de ‘holding period’, niet eerder zo kort als bij deze aankoop. Verdachte stond ook bij de heer [persoon 4], de beleggingsadviseur van de Rabobank, de bank via welke verdachte belegde, bekend als een passieve belegger. Twee weken voor de aankoop laat verdachte desgevraagd aan de heer [persoon 4] weten geen extra investering te willen doen. Kort voor de aankoop neemt ver-dachte opnieuw contact op met [persoon 4] en vraagt hem naar zijn mening over het aandeel Grolsch NV. [persoon 4] geeft verdachte een negatief advies, omdat het aandeel niet in past in het spreidingspatroon van de portefeuille van verdachte en omdat het advies van het onde-zoeksinstituut ten aanzien van aandelen Grolsch niet positief is. Verdachte wil echter deson-danks met de aankoop doorgaan tegen de eerstvolgende handelskoers, aldus [persoon 4] .

De rechtbank komt dan ook op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat verdachte bij de transacties die hier in het geding zijn, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij de bedoelde voorwetenschap had en daarmee van die wetenschap gebruik heeft gemaakt, zoals ten laste gelegd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte

op 30 oktober 2007 te Enschede en Amsterdam, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden te beschikken over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 Wet op het financieel toezicht, gebruik heeft gemaakt van die voorwetenschap door een transactie te verrichten in certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V., zijnde financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht is verleend, te weten Euronext Amsterdam,

immers heeft verdachte op 30 oktober 2007 1.130 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht,

terwijl hij bekend was met niet openbaar gemaakte, concrete informatie die rechtstreeks betrekking had op Koninklijke Grolsch N.V., te weten:

-dat er sprake was van een overname van Koninklijke Grolsch N.V.,

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment dat genoemde transactie is verricht en waarvan de openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

De rechtbank heeft haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan, gegrond op de hiervoor onder rubriek 3 en 4.3 in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstandigheden, zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Waar de tenlastelegging taalkundig is verbeterd, is verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewe-zen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van 16.000 euro te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis.

Ter motivering van haar eis heeft de officier van justitie gewezen op de omstandigheid dat marktintegriteit van groot belang is voor het goed kunnen functioneren van de effectenmarkt en de bescherming van beleggers. Door voorwetenschap te delen met anderen of door gebruik te maken van voorwetenschap wordt het vertrouwen in de effectenmarkt geschaad en wordt het bereiken van een transparante markt een utopie. In het voordeel van verdachte speelt dat hij first offender is. Voor de rol van verdachte is een werkstraf geïndiceerd, maar daaraan staat in de weg dat verdachte lichamelijk is afgekeurd. Daarom wordt de hoogte van de te eisen geldboete, een mildere strafmodaliteit, verhoogd.

8.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor integrale vrijspraak. Subsidiair, ten aanzien van de strafmaat, heeft hij opgemerkt dat hij de eis van de officier van justitie disproportioneel acht, temeer gelet op de grote impact in het algemeen die deze zaak op verdachte heeft gehad en in het bijzonder de dag van aanhouding en verhoor.

8.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de keuze voor de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wat in de volksmond ook wel beursfraude wordt genoemd. Op het spoor gebracht door overwerk van zijn bij Grolsch werkzame schoondochter heeft hij zijn zoon de in het geding zijnde voorwetenschap ontfutseld en hiervan vervolgens gebruik gemaakt. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit en transparantie van de effectenmarkt. De effectenmarkt vervult een sleutelrol in het economisch proces aangezien daar vraag en aanbod van kapitaal bij elkaar komen. De aanbieders van kapitaal moeten erop kunnen vertrouwen dat zij allen de beschikking hebben over dezelfde relevante informatie. Door gebruik te maken van voorkennis wordt dit vertrouwen geschaad.

Het belang van dat vertrouwen en die transparantie wordt ook in Europees verband in toenemende mate onderkend. Zo zijn de lidstaten overeengekomen dat het vertrouwen van beleggers door het stellen van strenge normen moet worden bevorderd en dat de sancties voldoende afschrikwekkend moeten zijn en in verhouding dienen te staan tot de ernst van de inbreuk en de gerealiseerde winst.

Ten opzichte van de medeverdachten, zijn zoon en schoondochter, heeft verdachte een kwalijke rol vervuld. Hij heeft immers zijn eigen zoon vertrouwelijke informatie ontlokt en vervolgens, verblind door eigen toekomstig financieel gewin en tegen de uitdrukkelijke wens van zijn zoon in, daarvan gebruik gemaakt en daarmee de baan van zijn schoondochter in de waagschaal gesteld.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij een blanco strafblad heeft. De rechtbank acht het gevaar voor herhaling verwaarloosbaar.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat gelet op de gelijktijdig aanhangige ontnemingszaak verdachte geen voordeel zal genieten van het feit.

Gelet op al het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan met het opleggen van na te noemen geldboete.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 5:54 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:56 van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 85 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. W.C.J. Robert en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2011.

De jongste rechter is buiten staat te ondertekenen.