Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP5059

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
13/993054-10 (ontnemingsvordering)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming van winst door handel met voorkennis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993054-10 (ontnemingsvordering) (PROMIS)

Datum uitspraak: 18 februari 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak onder hetzelfde parketnummer, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 februari 2011. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, officier van justitie. Verdachte liet zich bijstaan door mr. R.J. Leijsen, advocaat te Enschede.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en kort samengevat weergegeven.

1. De vordering en de ontvankelijkheid

1.1. De vordering

De vordering van de officier van justitie d.d. 7 januari 2011 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 23.527,82. Ter terechtzitting van 4 februari 2011 heeft de officier van justitie deze vordering gewijzigd, in dier voege dat na aftrek van de kosten van € 604,90 een te ontnemen bedrag van € 22.922,92 resteert.

2. De grondslag van de vordering

De vordering vindt zijn grondslag in de gelijktijdig met onderhavige zaak behandelde strafzaak onder hetzelfde parketnummer, waarbij verdachte wordt vervolgd voor het handelen met voorkennis.

3. Het wederrechtelijk verkregen voordeel

3.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van hetgeen in de gelieerde strafzaak aan hem is ten laste gelegd dient te worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank desondanks het tenlastegelegde bewezen verklaart, betreft het door de officier van justitie gevorderde bedrag een juiste schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.2. De reactie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de winst die verdachte heeft behaald met de handel met voorkennis in certificaten, na aftrek van kosten, als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Zij berekent dit als volgt.

Verdachte heeft, zoals bewezen verklaard in het vonnis in de strafzaak, op 30 oktober 2007 te Enschede en Amsterdam, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden te beschikken over de voorwetenschap dat er sprake was van een overname van Grolsch N.V., gebruik gemaakt van die voorwetenschap door 1.130 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aan te kopen. Met de aankoop is een bedrag van € 29.977,68 gemoeid.

Op 19 november 2007 verkoopt verdachte de 1.130 certificaten weer, nadat Crolsch NV openbaar heeft gemaakt dat zij voorwaardelijke overeenstemming heeft bereikt met SABmiller plc over een openbaar bod dat SABMiller voornemens is uit te brengen op de aandelen in het kapitaal van Grolsch NV . Met de verkoop is een bedrag van € 53.505,50 gemoeid.

De winst die verdachte met de aan- en verkoop heeft behaald betreft derhalve € 23.527,82. Na aftrek van de kosten gemoeid met de aan- en verkooptransacties ad € 604,90 resteert een bedrag van € 22.922,92 dat geldt als voordeel dat verdachte wederrechtelijk heeft ver¬kregen.

4. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 22.922,92 (tweeëntwintigduizend negenhonderdtweeëntwintig euro en tweeënnegentig cent).

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. W.C.J. Robert en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2011.

De jongste rechter is buiten staat te ondertekenen.