Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP5055

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
13/993056-10 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artt. 5:54, 5:56 en 5:57 Wet op het financieel toezicht

Delen van voorkennis. Geen sprake van uitoefenen ongeoorloofde druk door verbalisanten. Aanvankelijke verklaringen van verdachte betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993056-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 18 februari 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 februari 2011. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, officier van justitie. Verdachte liet zich bijstaan door mr. J.C. Dingeldein, advocaat te Enschede.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en kort samengevat weergegeven.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2007 tot 19

november 2007, te Enschede, althans in Nederland, terwijl hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat hij beschikte over voorwetenschap als

bedoeld in artikel 5:53 lid 1 Wet op het financiële toezicht,

omtrent de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarvan de aandelen zijn

te beschouwen als financiele instrumenten als bedoeld in artikel 5:56, eerste

lid onder a, b, c of d,

de informatie waarop zijn voorwetenschap betrekking had, heeft medegedeeld aan

een derde, te weten [naam 1],waarbij de informatie bestond uit:

-dat er sprake was van een overname van of door Koninklijke Grolsch N.V. en/of

-dat Grolsch op korte termijn zou worden overgenomen (door SABMiller)

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment van mededelen

aan voornoemde [naam 1] en waarvan openbaarmaking significante

invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

(Artikel 5:57 Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 Wet op de

economische delicten)

2. Voorvragen

3. De feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit .

Aangifte AFM

3.1 Op 16 september 2008 doet de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) aangifte tegen [naam 1] en [naam 2] van overtreding van het verbod op handelen met voorkennis . De AFM heeft haar aangifte gebaseerd op onderzoek verricht naar aanleiding van meldingen van Rabobank Nederland gedaan op 30 november 2007 betreffende de na te bespreken aan- en verkopen in certificaten van aandelen in de onderneming Koninklijke Grolsch N.V. (hierna: Grolsch NV). Uit het op de aangifte verrichte onderzoek van de FIOD/ECD blijkt het volgende.

Begrippen Wft

3.2 Grolsch NV is een naamloze vennootschap die blijkens de statuten tevens structuurvennootschap is . De certificaten van aandelen in Grolsch NV zijn genoteerd op de effectenbeurs Euronext Amsterdam, gevestigd te Amsterdam . Euronext Amsterdam is houder van de vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Grolsch NV is daarmee een uitgevende instelling in de zin van de Wft .

Aan- en verkoop certificaten van aandelen in Grolsch N.V.

3.3 [naam 1] koopt op 30 oktober 2007 1.130 certificaten van aandelen in Grolsch NV (hierna: certificaten Grolsch).

3.5 [naam 1] verkoopt op 19 november 2007 zijn in oktober 2007 aangekochte certificaten Grolsch .

3.6 [naam 1] heeft bij de FIOD-ECD verklaard de aan- en verkoop van de certificaten Grolsch te hebben verricht.

Openbaarmaking overnamebod door Grolsch NV

3.7 Eveneens op 19 november 2007 maar vóór de hiervoor genoemde verkooptransacties maakt Grolsch NV openbaar dat zij voorwaardelijke overeenstemming heeft bereikt met SABMiller plc over een openbaar bod dat SABMiller voornemens is uit te brengen op de aandelen in het kapitaal van Grolsch NV .

[naam 3] directiesecretaresse bij Grolsch

3.8 [naam 3] is vanaf 1 januari 2000 werkzaam bij Grolsch NV als directiesecretaresse van een lid van de Raad van Bestuur . Regelmatig is zij schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat zij aangewezen werknemer is, te weten een werknemer die uit hoofde van haar werk of functie toegang heeft tot voorwetenschap . Zij wordt op 26 oktober 2007 in verband met het hiervoor genoemde overnamebod op een zogenaamde insiderlist geplaatst .

Familierelatie

3.9 [naam 1] is de vader van [verdachte]. [naam 3] is de partner van [verdachte]. In de tenlastegelegde periode woonden zij samen in [woonplaats], samen met hun kind .

4. Het bewijs

4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het tenlastegelegde kan worden veroordeeld, op basis van de in haar requisitoir opgesomde bewijsmiddelen. Verdachte werd door zijn partner op de hoogte gebracht over de overname van Grolsch door SABMiller. Hij wist dat hij daarmee over voorwetenschap beschikte, althans was er bij hem sprake van een vermoeden, zo blijkt uit de verklaring van zijn vader, inhoudende dat zijn zoon schrok van het feit dat hij de informatie aan hem had gegeven en dat zijn zoon hem uitdrukkelijk verzocht niets met de informatie te doen.

Aan de ontkenning ter terechtzitting wordt weinig waarde toegekend Verdachte alsook de medeverdachten hebben voorafgaand aan hun verklaringen bij de FIOD kunnen overleggen met hun advocaat. Vervolgens hebben zij verklaringen afgelegd en deze ondertekend. Mogelijk zijn deze verklaringen op onderdelen niet precies in hun eigen bewoordingen in het proces-verbaal weergegeven, maar dat deze verklaringen zouden zijn verdraaid of aangedikt is niet aannemelijk. Daarbij komt dat voorafgaand de zitting er van de zijde van de verdediging nooit een brief is gekomen hieromtrent of om getuigen is gevraagd. Het is ook opmerkelijk dat de onderdelen van de verklaringen bij de FIOD die wel juist zouden volgens verdachte, niet belastend zijn en dat de onderdelen die niet zouden kloppen overeenkomen met onderdelen in de verklaringen van de medeverdachten die zij op hun beurt weer betwisten.

De mededeling van zijn partner is te bestempelen als voorwetenschap. De door de raadsman aangehaalde artikelen in de media dateren uit 2006. De informatie afkomstig van zijn partner betreft specifieke informatie die kwam in een periode dat er geen geruchten waren. De uitspraak van de heer [naam 4] ziet niet op een specifieke overname.

In het dossier is ook onderzoek gedaan naar de adviezen van beursanalisten. In de periode voorafgaand aan de overname is telkens sprake van een dalende trend. Daar komt bij dat ook de Rabobank in dit geval een sell-advies gaf.

Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte blijkt niet dat hij gewezen is op het verschoningsrecht. Dat neemt niet weg dat hij mogelijk wel van dit recht heeft geweten, mede gelet op het feit dat hij contact heeft gehad met zijn raadsman. Er behoeft echter geen sanctie te volgen, dus ook niet de sanctie van uitsluiting van de verklaringen voor het bewijs, aangezien een verdachte niet behoeft te worden gewezen op zijn verschoningsrecht.

Uit de persmap blijkt niet van berichtgeving tussen 1 augustus 2007 en 17 november 2007 van een overname van Grolsch (door Budweiser). Van opvallende koersverlopen of omzetontwikkelingen met betrekking tot de certificaten Grolsch is geen sprake geweest. Daarnaast zijn er geen positieve adviezen van aandelenanalisten geweest met betrekking tot de aankoop van de certificaten.

4.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat verdachte en medeverdachte [naam 3] voor hun verhoren bij de FIOD niet op het verschoningsrecht zijn gewezen. Om deze reden dienen de verklaringen te worden uitgesloten te worden uitgesloten voor het bewijs. Om in het kader van deze kwestie de verhorende verbalisanten op te laten roepen is zinloos, nu deze altijd het door hen opgemaakte proces-verbaal herhalen en met zijn tweeën zijn tegenover de verklaring van één verdachte. Dat de verklaringen onder grote druk zijn afgelegd blijkt daarnaast uit de verklaringen van de medeverdachten ter terechtzitting nadrukkelijk. Om die reden is het aanvullen van het dossier met meer en uitgebreidere informatie over de tapgesprekken overbodig.

De kern van de zaak is dat de conclusies die door de omgeving van medeverdachte [naam 3] uit haar overwerken zijn getrokken, door het Openbaar Ministerie zijn verheven tot voorwetenschap.

Uit de verklaringen van medeverdachte [naam 3] en verdachte volgt dat niet kan worden vastgesteld dat zij hebben gesproken over een overname. Het gaat dan ook te ver om aan te nemen dat er bij verdachte sprake is geweest van voorwetenschap. Daar komt bij dat medeverdachte [naam 3] pas later dan vrijdag 26 oktober 2007 de insiderslist heeft getekend, terwijl medeverdachte [naam 1] heeft verklaard de week voor de aankoop op 30 oktober 2007 te hebben gesproken met zijn zoon en in dat gesprek zou de voorwetenschap tot hem moeten zijn gekomen. Op basis van de verklaring van medeverdachte [naam 3], ondersteund door de verklaring van [naam 4] en [naam 5], moet echter worden geconcludeerd dat medeverdachte [naam 3] op die datum nog geen weet gehad kan hebben van een ophanden zijnde overname.

Er zou slechts bewijs in het dossier aanwezig kunnen zijn van een overname van of door Grolsch. Dat daarvan sprake zou kunnen zijn was echter al jaren een algemeen bekend feit, gelet op de aan de pleitnota aangehechte artikelen. Iedereen met een beetje verstand had dat dan ook zelf kunnen bedenken. Het is ook op zijn minst toevallig dat door Grolsch twee projecten met codenamen zijn gestart in de zomer van 2007.

De verhoren van verdachte hebben onder grote druk plaatsgevonden. Ze zijn niet op band opgenomen, de advocaat mocht niet aanwezig zijn en tijdens het verhoor zijn slechts flarden van andere verhoren voorgehouden. De verhoren hebben dan ook onjuiste incomplete maar de verbalisanten welgevallige verklaringen opgeleverd. Dat verdachte zijn verklaringen wel heeft ondertekend vindt zijn verklaring in het feit dat verdachte het allemaal meer dan zat was en er geen enkel vertrouwen meer in had. Hij heeft de verklaringen maar half doorgelezen.

Verdachte kan zich het bewuste telefoongesprek met zijn vader niet herinneren en het is ook maar zeer de vraag of dat ooit heeft plaatsgevonden, mede gelet op de verklaringen van verdachten ter zitting. Hieromtrent bevindt zich in ieder geval onvoldoende informatie in het dossier.

4.3. Oordeel van de rechtbank

Transacties, financiële instrumenten en gereglementeerde markt

De rechtbank stelt vast, gelet op rubriek 3.2, dat certificaten van aandelen zijn aan te merken als financiële instrumenten in de zin van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en dat deze certificaten zijn toegelaten tot de handel op Euronext Amsterdam. Laatstgenoemde effectenhandel betreft een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht is verleend. Het voorgaande is ter terechtzitting niet betwist.

Voorwetenschap

De rechtbank stelt voorts vast dat bekendheid met de informatie dat er sprake was van een voorgenomen overname van Grolsch NV, zoals ten laste gelegd, voor de openbare bekendmaking daarvan, op 19 november 2007, voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 van de Wft oplevert, aangezien deze informatie concreet is en niet openbaar is gemaakt, terwijl openbaarmaking ervan significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten. Dit voorgaande is evenmin ter terechtzitting betwist.

Verschoningsrecht en ongeoorloofde druk

Vooraleer de rechtbank toekomt aan beantwoording van de vraag of verdachte bedoelde voorwetenschap heeft gehad, ligt de vraag voor of de verklaringen die verdachte bij de FIOD-ECD heeft afgelegd gebezigd kunnen worden voor het bewijs.

Daaraan staat niet in de weg dat verdachte voor zijn verhoor niet is gewezen op het verschoningsrecht, aangezien een dergelijke verplichting niet uit de wet noch uit de jurisprudentie volgt. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook geen sprake.

Ter terechtzitting heeft verdachte zijn verklaringen bij de FIOD-ECD herroepen, in het bijzonder zijn tweede. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard de aanhouding door verbalisanten van de FIOD-ECD als zeer intimiderend te hebben ervaren en de verklaringen onder grote druk te hebben afgelegd. Daarbij heeft hij gewezen op de omstandigheid dat het voor het eerst met de politie in aanraking komen op zich al intimiderend is. Daarnaast droeg de wetenschap dat zijn partner daarvoor hetzelfde had moeten doormaken bij aan een gevoel van druk. Daar kwam bij dat de verbalisanten herhaaldelijk intimiderende opmerkingen over een mogelijk langer verblijf in de cel maakten. Ook stelden zij constant dezelfde vragen maar dan telkens net iets ander geformuleerd. Doordat zij daarnaast andermans verklaringen voorhielden werd verdachte meegesleept in een fantasiewereld, waarin een geheel eigen werkelijkheid werd gecreëerd. De verklaringen die hij vervolgens heeft afgelegd en ondertekend zijn daarmee niet meer op waarheid berustend.

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een door verdachte ervaren druk tijdens de verhoren. Met deze vaststelling is nog niet gegeven dat deze druk is uitgeoefend door de verhorende verbalisanten en zo ja, dat deze druk ongeoorloofd is geweest. Van de laatstbedoelde situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

De situatie waarin de verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd, als onrechtmatig verkregen moeten worden aangemerkt en uit dien hoofde reeds moeten worden uitgesloten van het bewijs is daarmee niet aan de orde.

Dit laat onverlet dat de rechtbank zich een oordeel moet vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte.

Daarbij neemt de rechtbank onder meer de inhoud van de verklaringen in ogenschouw.

Verklaringen van verdachte

In zijn eerste verhoor verklaart verdachte onder meer, voorzover hier relevant, dat men op basis van een relatie veel met elkaar deelt. In dit kader wist verdachte van zijn partner [naam 3] dat er iets aan de hand was bij Grolsch. Wat dit precies was, wist verdachte niet. Zijn partner zei dat het druk was en dat er veel aan de hand was.

Hij wist dat zijn vader de certificaten Grolsch had verkocht, niet dat zijn vader deze had aangekocht. Toen zijn vader hem van de verkoop vertelde was verdachte daar niet blij mee .

In het tweede verhoor verklaart verdachte dat hij in grote lijnen kan zeggen dat zijn partner wist dat er gesprekken bezig waren bij Grolsch. Deze informatie is ook bij verdachte terecht gekomen tijdens de gesprekken bij het eten.

Zijn vader heeft deze informatie aan verdachte ontfutseld. Bij zijn weten is het woord overname nooit gevallen. Hij wist vooraf niet dat zijn vader certificaten Grolsch had gekocht.

Zijn vader heeft pas achteraf verteld dat hij aandelen had gekocht en met winst had verkocht.

Verdachte heeft toen tegen zijn vader gezegd dat hij daar niet blij mee was .

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zich nooit voor het bedrijf Grolsch en het werk dat zijn partner daar verrichtte heeft geïnteresseerd. Daarvan was iedereen in hun omgeving op de hoogte. Om die reden zou zijn partner ook nooit dergelijke dingen over haar werk aan hem vertellen. Zijn partner heeft ook nooit iets dergelijks tegen hem gezegd. Verdachte heeft ook geen geld ontvangen van zijn vader, anders dan het bedrag dat hij en zijn broers jaarlijks ontvangen van hun vader.

Betrouwbaarheid verklaringen van verdachte zoals opgenomen door de FIOD-ECD

Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt.

In de eerste plaats is verdachte, alvorens hij is verhoord door de verbalisanten van de FIOD-ECD, bezocht door een raadsman met wie hij overleg heeft kunnen voeren.

Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de verklaringen van verdachte niet het beeld naar voren komt dat verdachte, onder de indruk van de situatie, vanaf een bepaald moment ‘geknakt’ is en klakkeloos al hetgeen de verbalisanten hem hebben voorgehouden heeft bevestigd. Integendeel, de antwoorden van verdachte zijn, ook naar naar het einde toe, genuanceerd en niet eenzijdig en verdachte beantwoordt bepaalde vragen ook ronduit ontkennend. Daar komt bij dat de inhoud van de verklaringen van verdachte steun vindt in de verklaring van medeverdachte [naam 1]. Zijn vader heeft immers verklaard dat hij, omdat hij merkte dat er bij Grolsch iets speelde omdat zijn schoondochter [naam 3] heel druk was en veel moest overwerken, zijn zoon heeft gebeld met de vraag wat er aan de hand was bij Grolsch. [naam 1] vroeg aan zijn zoon of er bij Grolsch gesprekken werden gevoerd inzake een overname. Voor zijn zoon het besefte zei deze: “Ja”. [naam 1] had de indruk dat zijn zoon schrok van de informatie die hij aan hem had gegeven. Zijn zoon heeft hem uitdrukkelijk verzocht om niets met de informatie te doen .

Dat verdachte de voorwetenschap had opgedaan wordt ondersteund door de verklaring van zijn partner [naam 3] inhoudende dat haar partner uit verschillende gesprekken met haar op de dagen dat zij druk was op haar werk, op heeft kunnen maken dat er sprake was van een overname bij Grolsch .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van verdachte bij de FIOD-ECD betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dat verdachte ter terechtzitting zijn eerdere verklaringen heeft herroepen acht de rechtbank dan ook louter ingegeven door de wens om zichzelf en de medeverdachten te ontlasten.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn stelling dat verdachte de week voor de aankoop de voorwetenschap niet met zijn vader kan hebben gedeeld, omdat zijn partner [naam 3] op dat moment die wetenschap zelf nog niet kan hebben gehad. De rechtbank overweegt daartoe dat zij het moment waarop medeverdachte [naam 3] op de hoogte is geraakt van het feit dat zij op de insiderlist is geplaatst niet beslissend acht. Anders dan de raadsman acht de rechtbank immers aannemelijk geworden dat [naam 3] de voorwetenschap al voor dat moment had opgedaan, op basis van haar eigen verklaring hieromtrent .

Mededelen van voorwetenschap

De rechtbank komt op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat verdachte terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hij de bedoelde voorwetenschap had, deze heeft medegedeeld aan zijn vader, zoals tenlastegelegd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte

in de periode van 1 oktober 2007 tot 30 oktober 20078, te Enschede, althans in Nederland, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hij beschikte over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 Wet op het financiële toezicht, omtrent de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarvan de aandelen zijn te beschouwen als financiële instrumenten als bedoeld in artikel 5:56, eerste lid onder a, b, c of d, de informatie waarop zijn voorwetenschap betrekking had, heeft medegedeeld aan een derde, te weten [naam 1], waarbij de informatie bestond uit:

-dat er sprake was van een overname van of door Koninklijke Grolsch N.V.,

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment van mededelen aan voornoemde [naam 1] en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

De rechtbank heeft haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan, gegrond op de hiervoor onder rubriek 3 en 4.3 in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstandigheden, zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Waar de tenlastelegging taalkundig is verbeterd, is verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van 2.500 euro te vervangen door 35 dagen vervangende hechtenis.

Ter motivering van haar eis heeft de officier van justitie gewezen op de omstandigheid dat marktintegriteit van groot belang is voor het goed kunnen functioneren van de effectenmarkt en de bescherming van beleggers. Door voorwetenschap te delen met anderen of door gebruik te maken van voorwetenschap wordt het vertrouwen in de effectenmarkt geschaad en wordt het bereiken van een transparante markt een utopie. Door toedoen van verdachte heeft de voorwetenschap de huiselijke sfeer kunnen verlaten. Daarnaast heeft hij voordeel ontvangen van zijn vader.

In het voordeel van verdachte speelt dat hij first offender is en dat verdachte dit alles niet heeft gewild maar in feite slachtoffer is van het handelen van zijn vader, aldus de officier van justitie.

8.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor integrale vrijspraak. Subsidiair, ten aanzien van de strafmaat, heeft hij opgemerkt dat een schuldigverklaring zonder oplegging van straf op zijn plaats is gelet op de onvrijwillige rol die hij heeft gespeeld. Meer subsidiair, gelet op zijn blanco documentatie en het feit dat de kans op herhaling te verwaarlozen is, verzoekt de raadsman om een geheel voorwaardelijke straf.

8.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de keuze voor de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ‘lekken’ van voorwetenschap. Daarmee heeft hij zich blootgesteld aan het risico dat van die voorwetenschap gebruik zou worden gemaakt door derden, welk risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Hierdoor is een inbreuk gemaakt op de integriteit en transparantie van de effectenmarkt. De effectenmarkt vervult een sleutelrol in het economisch proces aangezien daar vraag en aanbod van kapitaal bij elkaar komen. De aanbieders van kapitaal moeten erop kunnen vertrouwen dat zij allen de beschikking hebben over dezelfde relevante informatie. Door deze voorkennis te delen of hiervan gebruik te maken wordt dit vertrouwen geschaad.

Het belang van dat vertrouwen en die transparantie wordt ook in Europees verband in toenemende mate onderkend. Zo zijn de lidstaten overeengekomen dat het vertrouwen van beleggers door het stellen van strenge normen moet worden bevorderd.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij een blanco strafblad heeft. De rechtbank acht het gevaar voor herhaling verwaarloosbaar.

Ook hecht de rechtbank gewicht aan het feit dat deze strafzaak voor de partner van verdachte zware repercussies heeft gehad –zij is ontslagen door Grolsch NV- en zal hebben voor de uitoefening van haar functie in de financiële sector. Daar komt bij dat verdachte het feit heeft gepleegd in de familiaire sfeer en daarbij geen winstmotieven heeft gehad. Ook weegt mee dat verdachte niet op eigen initiatief de voorwetenschap heeft gedeeld en dat hij, toen hij zijn mond voorbij had gepraat, zijn vader op het hart heeft gedrukt geen gebruik te maken van de informatie. Buiten medeweten van verdachte heeft zijn vader dit verzoek genegeerd.

Gelet op al het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan met het opleggen van na te noemen voorwaardelijke geldboete.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 5:54, 5:56 en 5:57 van de Wet op het financieel toezicht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:57 van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

Beveelt dat deze geldboete niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. W.C.J. Robert en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2011.

De jongste rechter is buiten staat te ondertekenen.