Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP3926

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
10-02-2011
Zaaknummer
479566 / KG ZA 11-9 WT/MB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod om dwangsommen te executeren. De voorzieningenrechter oordeelt in kort geding dat GS (GeenStijl) Media een eerder kort geding vonnis (over het van haar websites verwijderen van een filmpje waarop en studente te zien en te horen is die onder invloed van alcohol verkeert) in voldoende mate heeft nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 479566 / KG ZA 11-9 WT/MB

Vonnis in kort geding van 10 februari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GS MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 14 januari 2011,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.G.J. van Groenendaal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna GS Media en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 27 januari 2011 heeft GS Media gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het ‘inkopiëren’ van een e-mail van de internetdeskundige van GS Media in de pleitnota van de raadsman van GS Media. Dat bezwaar is niet gehonoreerd, aangezien [gedaagde] door het voorlezen van de desbetreffende e-mail, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet in haar procesbelangen is geschaad.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover van belang:

Aan de zijde van GS Media: [naam 1] van Telegraaf Media Groep, de holding waar GS Media onder valt, met mr. Van den Brink;

aan de zijde van [gedaagde]: [gedaagde] met mr. Van Groenendaal.

2. De feiten

2.1. GS Media exploiteert de actualiteitenwebsite www.geenstijl.nl en www.dumpert.nl, een website waarop gebruikers filmpjes kunnen publiceren.

2.2. In februari 2007 is [gedaagde], toen 20 jaar oud en rechtenstudente, gefilmd toen zij zich, samen met een vriendin, ’s nachts bevond in een portiek in de buurt van het Leidseplein te Amsterdam, duidelijk onder invloed van alcohol. Van de toen gemaakte beelden is een filmpje van twee minuten gemaakt (verder: het filmpje), waarop [gedaagde] sprekend en herkenbaar te zien is. Ze zegt op het filmpje onder meer dat zij wenst te worden aangesproken met ‘majesteit’ en vermeldt intieme details uit haar privéleven.

2.3. GS Media heeft het filmpje op 16 juli 2009 geplaatst op haar website dumpert.nl, waarnaar via geenstijl.nl kan worden doorgelinkt.

2.4. Naar aanleiding van een sommatie van (de raadsman van) [gedaagde] heeft GS Media het filmpje op 23 juli 2009 verwijderd.

2.5. Op 24 juli 2009 heeft [gedaagde] GS Media gedagvaard in een bodemprocedure bij deze rechtbank en, onder meer, gevorderd de openbaarmaking van het filmpje en de bijbehorende commentaren met onmiddelijke ingang te staken en gestaakt te houden, een schadevergoeding te betalen en voor recht te verklaren dat het vervaardigen, het in bezit hebben en/of openbaar maken van het filmpje jegens [gedaagde] onrechtmatig is.

2.6. Op 10 september 2009 was het filmpje opnieuw op de websites van

GS Media te zien, voorzien van commentaar.

2.7. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank

van 11 september 2009 is GS Media op vordering van [gedaagde] veroordeeld om

“5.1. (…) elke openbaarmaking, verveelvoudiging en verspreiding van het in de dagvaarding beschreven filmpje, delen daarvan of beelden (stills) daaruit, in welke vorm ook, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden;”

De voorzieningenrechter heeft aan deze veroordeling een door GS Media aan [gedaagde] te betalen dwangsom verbonden van “€ 5.000,- voor iedere dag dat Geenstijl (GS Media, vzr.) in strijd handelt met het bepaalde in 5.1, met een maximum van € 150.000,-;”

Daarnaast is GS Media in dit vonnis (verder: het vonnis) veroordeeld om:

“5.3. (…) alle tekst en commentaar op de websites geenstijl.nl en dumpert.nl behorend bij het filmpje, zoals redactionele teksten, al dan niet door derden geplaatste commentaren en/of hyperlinks te verwijderen en verwijderd te houden;”

Dit laatste op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag dat GS Media zou nalaten aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van

€ 100.000,=.

2.8. Op 11 september 2009 verscheen het volgende commentaar op de website van GS Media:

“Majesteit Dronkensteijn vs GeenStijl: 1-1.

Zo dat was weer een gezellig dagje in de rechtbank. (…) Er diende een Kort Geding. (…) Welnu de uitslag: GeenStijl dient het filmpje te verwijderen, het topic moet weg, en ook alle rake en hilarische comments moeten worden weggegumd. (…) Dus FLOEPFLOEP filmpje verwijderd. GeenStijl hoeft daarentegen GEEN schadevergoeding van 10.000 euri te betalen (…). Kortom: we hebben gelachen. En het was nog bijna graties ook. (…)”

2.9. Op 13 juli 2009 heeft een zekere [naam 1] (verder: [naam 1]) GS Media benaderd, met de mededeling dat hij een iPhone webapp had gemaakt voor de GeenStijl website zodat hij die “eenvoudig ‘on the go’” zou kunnen bijhouden en aan GS Media gevraagd of zij belangstelling had voor deze applicatie. In de mail die hij hierover aan GS Media heeft gezonden staat onder meer:

“Alhoewel hij nog niet geschikt is voor de massa, wilde ik jullie – om verschillende redenen – alvast een kijkje geven.

htpp://geenstijl.prevvy.com/ (…)

De app heb ik met name voor mijzelf gemaakt maar als het jullie goedkeuring kan wegdragen is het wellicht ook leuk voor de andere GeenStijl bezoekers met een iPhone. (…) Zou het leuk vinden van jullie te horen.”

2.10. Volgens een proces-verbaal van 15 september 2009 van deurwaarders-kantoor [naam deurwaarderskantoor] (hierna: de deurwaarder) is vermeld dat de deurwaarder heeft geconstateerd dat het filmpje op die bewuste dag te zien was via een link op de twitterpagina (htto://twitter.com/hoxha) van, naar beide partijen ter zitting hebben bevestigd, de toenmalige hoofdredacteur van GeenStijl, [naam 3] (hierna: [naam 3]).

2.11. [gedaagde] heeft een print in het geding gebracht, gedateerd 8 maart 2010 van de Twitter pagina van de weblog GeenStijl, waarop in de gescheidenis van de tweets van GeenStijl een tekst van een bij het filmpje geplaatst artikel daterend van 10 september 2009, over [gedaagde] te lezen is.

2.12. In de door [gedaagde] aangespannen bodemprocedure heeft deze rechtbank bij vonnis van 14 juli 2010 voor recht verklaard dat GS Media onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door het filmpje (tot tweemaal toe) openbaar te maken, met de daaraan toegevoegde teksten, en GS Media veroordeeld tot vergoeding van de door [gedaagde] tengevolge van dit onrechtmatig handelen geleden schade, nader op te maken bij staat. De schadestaatprocedure is inmiddels aanhangig gemaakt.

2.13. In een proces-verbaal van 23 juli 2010 heeft de deurwaarder ([naam deurwaarder]), voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“Ten verzoeke van (…) [gedaagde] (…) Heb ik (…) Mij begeven op internet naar de webpagina htpp//geenstijl.prevvy.com/posts/8ffe065a8dace4dd3082806dbc587d04/ alwaar ik heb GECONSTATEERD: dat hierop het navolgende staat vermeld (waarvan een printscreen eveneens aan dit proces-verbaal is gehecht):”

Daaronder staat een afbeelding van [gedaagde] (met balkje over de ogen), met de mogelijkheid het filmpje aan te klikken en de teksten die destijds op de website van GS Media hebben gestaan, met de kop “Hee [M.]. Heb je nog geneuqt?”.

2.14. Bij brief van 10 augustus 2010 heeft de raadsman van [gedaagde] [naam 1] (onder meer) gesommeerd om de teksten en afbeeldingen van [gedaagde] van zijn website te verwijderen.

2.15. [gedaagde] heeft als productie 8 een technische weergave in het geding gebracht van de website Prevvy, zoals aan [gedaagde] toegezonden door [naam 1] op 11 augustus 2010.

2.16. In een proces-verbaal van 11 augustus 2010 is vermeld dat op de website van GS Media, waarvan volgens dat proces-verbaal een print screen is ingekopieerd, nog steeds afbeeldingen van en teksten over [gedaagde] zijn vermeld en het filmpje kan worden aangeklikt.

2.17. Op 10 december 2010 heeft de deurwaarder in een proces-verbaal vermeld dat hij geconstateerd heeft dat op internet afbeeldingen te zien zijn van [gedaagde] “al dan niet op de websites van GS MEDIA B.V. voornoemd genaamd www.geenstijl.nl en “www.dumpert.nl”” . Kopieën van de desbetreffende afbeeldingen zijn in het proces-verbaal opgenomen.

Het betreffen drie foto’s, twee op ‘thumbnail’ formaat en een grotere. Op een van de thumbnailfoto’s (thumbnail 1) is [gedaagde] afgebeeld met een balkje over haar ogen en op de grotere foto met viltstiftkrassen over haar ogen en decolleté. De als productie in het geding gebrachte kopie van de derde foto op thumbnailformaat thumbnail 2) is onduidelijk.

Als vindplaats is bij de afbeeldingen is vermeld:

- htpp://www.geenstijl.nl/archives/images/heelullo100.jpg (thumbnail 1)

- htpp://www.geenstijl.nl/archives/images/chubbiemeisje.jpg (grotere foto)

- htpp://static.dumpert.nl/sq thumbs/625761-8f8fa0a3.jpg (thumbnail 2)

(verder: de links).

2.18. Op 13 december 2010 heeft de deurwaarder namens [gedaagde] op basis van het kort gedingvonnis bevel gedaan aan [gedaagde] tot betaling van € 150.000,= aan dwangsommen, vermeerderd met deurwaarderskosten. Volgens dit bevel zijn deze dwangsommen verbeurd, omdat

“al dan niet op de websites van GS MEDIA B.V. voornoemd genaamd www.geenstijl.nl en “www.dumpert.nl” nog steeds inbreukmakende afbeeldingen in strijd met voormeld vonnis worden gevonden.

2.19. Op 21 december 2010 heeft de deurwaarder de processen-verbaal van

23 juli, 11 augustus en 10 december 2010 aan GS Media betekend en (nogmaals) aanspraak gemaakt op een bedrag van € 150.000,- aan verbeurde dwangsommen.

In dit stuk van de deurwaarder worden als websites waarop de afbeeldingen nog te vinden zijn niet alleen www.geenstijl.nl en www.dumpert.nl genoemd, maar ook www.prevvy.com.

2.20. Op 29 december 2010 heeft de raadsman van GS Media, aan [naam 1], ter bevestiging van een telefoongesprek met hem op 16 december 2010 het volgende meegedeeld:

“Mijn cliënte GS Media B.V., heeft u geen toestemming gegeven tot het verveelvoudigen of openbaarmaken van haar content (…). Daarom heb ik u verzocht met onmiddellijke ingang uw website www.geenstijl.prevvy.com offline te halen en iedere vorm van openbaarmaking van de GS Media content die op de website stond en het gebruik van het subdomein geenstijl.prevvy.com te staken en gestaakt te houden. Ik heb geconstateerd dat u direct na ons telefoongesprek heeft voldaan aan dit verzoek.”

2.21. In een schriftelijke verklaring van 30 december 2010 heeft [naam 1] onder meer het volgende vermeld:

“Ik ben houder van de domeinnaam prevvy.com. geenstijl.prevvy.com is een subdomeinnaam van deze domeinnaam. Dit subdomein valt dus onder mijn verantwoordelijkheid. GeenStijl heeft daar niets meer te maken.

Omdat ik dacht dat de applicatie ook handig zou kunnen zijn voor andere GeenStijl gebruikers met een iPhone heb ik in de zomer van 2009 een e-mail naar GeenStijl gestuurd waarin ik mijn applicatie beschreef. (…) Vervolgens heb ik contact gehad over de applicatie met [naam 3], de toenmalig directeur van GS Media. (…) Tijdens een telefoongesprek met de heer [naam 3] werd ons beiden duidelijk dat we in de toekomst ten aanzien van de applicatie niet zouden gaan samenwerken (…). (…)

In mijn e-mail van 11 augustus 2010 aan mr. Van Groenendaal heb ik geschreven dat ik in overleg met de heer [naam 3] heb besloten ‘het publiek toegang te geven’ tot de applicatie. Ik begrijp nu dat de heer Van Groenendaal verkondigt dat de heer [naam 3] mij expliciet toestemming zou hebben gegeven voor het overnemen van content en dat GeenStijl door middel van een samenwerking via mijn applicatie content openbaar maakt. Dit is onjuist. (…)

Voor de duidelijkheid: Met betrekking tot de applicatie die ik aan [naam 3] heb voorgelegd, heeft GeenStijl mij geen opdracht verleend, heeft geen toegang tot content op prevvy.com websites (waaronder de website geenstijl.prevvy.com) en heeft mij geen expliciete toestemming verleend de content van GeenStijl openbaar te maken en/of te verveelvoudigen. (…) Na correspondentie met advocaten heb ik besloten de website geenstijl.prevvy.com ook offline te halen omdat ik nooit de intentie had om een bepaalde wet te overtreden.”

2.22. Op 31 december 2010 heeft [naam 3] per e-mail aan de raadsman van GS Media onder meer het volgende verklaard:

“Ik begrijp dat [gedaagde] stelt dat GeenStijl (handelsnamen: GS Media en News media), in de periode dat ik daar directeur was, een samenwerking is aangegaan met prevvy.com en/of haar eigenaar de heer [naam 2]. Dit is onjuist. (…) In de zomer van 2009 werd GeenStijl door [naam 1] benaderd over een webapplicatie voor de iPhone die hij als persoonlijk hobby-object had ontwikkeld, zo vertelde hij. [naam 1] vroeg of dit interessant was voor GeenStijl. Ik heb daarop aangegeven dat ik meer informatie nodig had. (…) Ik (…) dacht niet dat hij de applicatie kon ontwikkelen op een manier die voor GeenStijl interessant kon zijn. Ik ben dus niet ingegaan op zijn voorstel tot samenwerking. (…)

Er is dus nooit enige vorm van samenwerking geweest tussen GS Media/GeenStijl en Prevvy/[naam 1] en aan Prevvy/[naam 1] is nooit enige opdracht verleend. Aan Prevvy/[naam 1] is door of namens GS Media/GeenStijl ook nooit toestemming verleend, in welke vorm dan ook, content van GS Media/GeenStijl over te nemen, te verveelvoudigen of openbaar te maken of te verspreiden (…).

GS Media/Geen Stijl heeft nooit enige betrokkenheid bij of invloed gehad over de website prevvy.com of enige andere activiteit van [naam 1]/Prevvy.”

2.23. Bij e-mail van 4 januari 2011 heeft [naam 3] vermeld dat hij, ondanks dat de eis van [gedaagde] daartoe in het vonnis was afgewezen, na het vonnis toch Google heeft aangeschreven om de content over [gedaagde] te laten verdwijnen uit de zoekresultaten, om op deze manier ‘de kwestie definitief af te kunnen sluiten’.

2.24. Op 21 januari 2011 heeft [naam 1] het volgende aan de raadsman van [gedaagde] gemaild:

“Geenstijl beweert blijkbaar dat zij niet wist dat de artikelen van Geenstijl via Prevvy openbaar werden gemaakt. Dat kan niet kloppen omdat er uitgebreid contact was over Prevvy. Dat er geen enkele band bestond tussen Geenstijl en Prevvy klopt ook niet. Geenstijl liet mij de inhoud van de websites gebruiken. Vanaf het eerste gesprek met [naam 3] wist hij dat een script automatisch de inhoud van de websites van Geenstijl in de iPhone app zou plaatsen. Geenstijl heeft daar nooit een probleem van gemaakt. In tegendeel, [naam 3] vond het zelfs leuk omdat er nog geen officiële iPhone app bestond. De app was vrij te gebruiken voor iedereen. (…) Het was wel zo dat er een duidelijke scheiding bestond tussen Geenstijl en mij. In die zin dat ik de technische kant regelde van Pevvy (…). (…) Als Geenstijl niet wilde dat Prevvy de content Geenstijl gebruikte om het Geenstijl-publiek de content via een iPhone te lezen, had ze dat moeten zeggen en was alles direct gestopt. Zo’n verzoek heb ik nooit ontvangen. Ook niet onlangs.”

2.25. In een rapport van 26 januari 2011, opgesteld door de door GS Media ingeschakelde internetdeskundige [naam 4], staat onder meer:

“De gewraakte afbeeldingen waren volgens (…) [gedaagde] zichtbaar via de (…) links: (…) Deze zijn momenteel niet fysiek aanwezig op de websites van GS Media. Onderzoek (…) en bestudering van de cache van zoekmachines geeft evenmin aanwijzing dat het materiaal recentelijk online heeft gestaan bij www.geenstijl.nl, www.dumpert.nl of bij enige andere website van GS Media. (…) Daarom moet ik afgaan op de constateringen die op verzoek van (…) [gedaagde] door deurwaarder [naam deurwaarder 2] zijn gemaakt. Deze vormen geen forensisch bewijs van een actuele en correcte weergave van de betreffende websites op het moment van raadpleging. Ze bewijzen niet dat het materiaal op het geconstateerde tijdstip daadwerkelijk toegankelijk is geweest vanaf de servers van GS Media. Dat komt doordat veel computergebruikers bewust en onbewust gebruik maken van een cache en daarmee kan een vals beeld ontstaan over de actualiteit van de informatie. (…) Een cache is een kopie van de opgeroepen website in het netwerk en/of de computer van de gebruiker. (…)

Conclusie

(…) Deze constatering toont niet aan dat de daar weergegeven afbeeldingen geraadpleegd werden of bereikbaar waren vanaf de server gekoppeld aan de websites behorend bij die urls, in dit geval de websites www.geenstijl.nl en www.dumpert.nl. Het enkele feit dat de deurwaarder heeft geconstateerd dat er na het intoetsen van de url’s in een webbrowser plaatjes op zijn beeldscherm zijn verschenen, bewijst niet dat hij die plaatjes heeft geraadpleegd vanaf de server of van enige website van GS Media. Voor een dergelijke constatering is het nodig dat op het moment van de waarneming kan worden bewezen dat er geen cache is gebruikt.

Algemeen: bij dit soort zaken geef ik de voorkeur aan gewaarmerkte screenshots boven knipsels van een afbeelding waarvan de precieze herkomst digitaal niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld.”

2.26. Op 26 januari 2011 heeft de deurwaarder ([naam deurwaarder 2]) naar aanleiding van de verklaring onder 2.19 per e-mail het volgende verklaard:

“Ik deel u mede dat ik de bedoeld links nooit heb ingetikt voordat ik deze voor de eerste maal heb ingetikt en geopend om mijn proces-verbaal op te maken op

10 december 2010.”

3. Het geschil

3.1. GS Media vordert samengevat – primair om [gedaagde] met onmiddellijke ingang te gebieden om zich te onthouden van het aanzeggen, executeren of incasseren van dwangsommen aan of ten laste van GS Media, op grond van het kort gedingvonnis, voor zover dit betrekking heeft op de afbeeldingen etc. die aan de orde zijn in dit kort geding en de overgelegde processen-verbaal, of daartoe pogingen in het werk te stellen; subsidiair vordert GS Media het primair gevorderde verbod, met dien verstande dat daarvan maximaal één op 10 december 2010 verbeurde dwangsom, althans een maximum aantal door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsommen daarvan uitgezonderd zouden kunnen zijn;

Dit alles op straffe van door [gedaagde] te verbeuren dwangsommen.

Voor het geval zou worden geoordeeld dat wel dwangsommen verbeurd zouden zijn vordert GS Media om de dwangsommen op te heffen, althans te matigen tot nihil.

Tot slot vordert GS Media veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. GS Media heeft haar vorderingen als volgt toegelicht. GS Media heeft het vonnis nageleefd. Zij heeft na betekening van het vonnis direct het filmpje en alle bijbehorende teksten van haar websites verwijderd. Tot op de zitting was niet duidelijk waarvoor de dwangsommen precies zijn aangezegd, maar werd slechts verwezen naar de processen-verbaal van 23 juli, 11 augustus en 10 december 2010. De eerste twee processen-verbaal zien op afbeeldingen die gevonden zijn op de website www.prevvy.com. Dat is een website van een derde waar GS Media niets mee te maken heeft, behalve dat de eigenaar daarvan GS Media in juli 2009 – ruim voor het vonnis dus – had benaderd met de vraag of zijn applicatie iets voor GS Media was. GS Media heeft op grond van nadere informatie aan [naam 1] meegedeeld dat dit niet het geval was, en daarmee was de kous af. GS Media had er misschien beter aan gedaan [naam 1] expliciet te verbieden om content van GS Media op zijn website te plaatsen, maar door dit niet meteen te doen heeft zij niet in strijd gehandeld met het vonnis, aangezien er geen enkele band bestaat tussen Prevvy en GS Media. Er zijn dan ook geen dwangsommen verbeurd. Nadat GS Media kennis had genomen van de processen-verbaal heeft zij [naam 1] wel gesommeerd alle content van GS Media te verwijderen en dat is vervolgens ook gebeurd. Ook uit de technische weergave van de website van Prevvy (productie 8 van [gedaagde]) blijkt niet dat de afbeeldingen afkomstig waren van de server van GS Media. Uit de daarop vermelde gegevens valt af te leiden dat het niet gaat om online, maar om offline kopiëen.

Met het proces-verbaal van 10 december 2010 lijkt [gedaagde] te willen aantonen dat de daarin weergegeven afbeeldingen nog te vinden waren op de sites van GS Media. Dat was echter niet het geval en blijkt ook niet uit de constateringen van de deurwaarder. Deze heeft ook niet voor niets vermeld de plaatjes te hebben gevonden ‘al dan niet’ op de websites www.geenstijl.nl en www.dumpert.nl. Het is heel goed mogelijk dat de deurwaarder de afbeeldingen heeft gevonden, omdat ze nog waren opgeslagen in het cache-geheugen. Ook als de deurwaarder zelf de internetadressen niet eerder had ingetypt, zoals hij heeft verklaard, kan dat het geval zijn geweest, bijvoorbeeld als een andere medewerker eerder de GeenStijl sites zou hebben geraadpleegd. Bovendien waren de afbeeldingen ook dan nog uitsluitend te vinden onder een specifieke URL-aanduiding. Voor zover de afbeeldingen onbedoeld toch nog op een server van GS Media te vinden waren, waren ze onvindbaar voor het publiek, zodat geen sprake is van openbaarmaking of verspreiding als bedoeld in 5.1 van het vonnis.

Afgezien daarvan vallen de plaatjes niet onder het in het vonnis gegeven gebod, omdat [gedaagde] geheel onherkenbaar is. Daarnaast is geen sprake van ‘openbaarmaking’ of ‘verspreiding’ in de zin van het vonnis, omdat GS Media zich niet schuldig hebben gemaakt van het ‘naar buiten pushen’ van de plaatjes.

Voor zover desalniettemin geoordeeld zou worden dat sprake is van niet-naleving van het gebod, dan nog zijn geen dwangsommen verbeurd, aangezien het in dat geval voor GS Media onmogelijk was er wel aan te voldoen. GS Media heeft alles gedaan wat in haar vermogen ligt om het vonnis na te leven, zelfs meer dan dat. Zo heeft zij hoewel de vordering daartoe was afgewezen, aan Google verzocht om de content ook uit de zoekresultaten te verwijderen. Voor zover niet zou worden beslist dat er geen dwangsommen verbeurd zijn, zouden die in elk geval dienen te worden opgeheven, althans beperkt.

3.3. [gedaagde] voert verweer en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. GS Media heeft het vonnis nooit serieus genomen, maar vond het om te lachen. Dat blijkt wel uit het na het vonnis op haar website gegeven commentaar en uit het feit dat het filmpje ook na het vonnis nog te vinden was op de twitterpagina’s van de voormalige hoofdredacteur en van GeenStijl zelf. GS Media werkte wel degelijk samen met Prevvy. Het was haar bekend dat [naam 1] de content van GeenStijl op haar website zette. GS Media heeft aldus een impliciete licentie aan Prevvy gegeven. Sterker nog, er is eigenlijk sprake van een overeenkomst tot opdracht, aangezien GS Media de dienstverlening van [naam 1] heeft geaccepteerd. GS Media is dus aansprakelijk voor de afbeeldingen die via www.geenstijl.prevvy.com zijn geopenbaard. [gedaagde] heeft heel veel schade ondervonden door het filmpje, waarmee zij met naam en toenaam op internet heeft gestaan. Door toedoen van GS Media is een heksenjacht, een digitale lynchpartij tegen [gedaagde] ontketend. In eerste instantie werd rücksichtlos over haar belangen heen gewalst door GS Media en na de veroordeling is de onrechtmatige content slechts halfslachtig van de websites verwijderd. Executie van verbeurde dwangsommen kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden opgeschort of beperkt, namelijk als een veroordeling berust op een feitelijke of juridische misslag of als het op basis van nieuwe feiten onmogelijk is om na te komen, dan wel een noodtoestand ontstaat bij de veroordeelde. Dit alles is hier niet aan de orde.

Er is wel degelijk toegelicht op grond waarvan de dwangsommen verbeurd zijn.

Tot 10 december 2010 waren de afbeeldingen nog te vinden via de servers van GS Media. Dat de deurwaarder ze heeft gezien via het cache geheugen is niet goed mogelijk, aangezien de deurwaarder de adressen nooit eerder heeft bezocht en het bovendien uiterst onaannemelijk is dat er iets anderhalf jaar lang in een cachegeheugen wordt bewaard. Ook uit de technische gegevens van de website van Prevvy blijkt dat de afbeeldingen rechtstreeks (online) bij GS Media vandaan kwamen. De afbeeldingen waren wel degelijk vindbaar voor het publiek. Ook is [gedaagde] wel herkenbaar op de foto’s, ondanks het balkje, de bekrassing met stift en het kleine formaat, in elk geval voor het publiek van GeenStijl en voor haar eigen vrienden- en kennissenkring. Als dit allemaal wel zou mogen is de handhaving van een verbod tot openbaarmaking en verspreiding op internet niet meer dan een wassen neus. De dwangsommen zijn wel degelijk verbeurd en de vorderingen om de executie te staken moeten dan ook worden afgewezen. De vorderingen van GS Media zijn in elk geval niet toewijsbaar omdat ze te ruim en onduidelijk zijn geformuleerd. Dat laatste geldt met name voor de vordering dat [gedaagde] zich zal onthouden niet alleen van het executeren van de dwangsommen, maar ook van het ‘ondernemen van pogingen daartoe’.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden – buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. De vraag die hier voorligt is of GS Media de in het kort geding vonnis opgelegde geboden niet of niet voldoende heeft nageleefd. Tussen partijen is niet in geschil dat deze verboden waarvan de grondslag in het bodemvonnis in stand is gebleven hun kracht hebben behouden. De beoordeling van de hiervoor geformuleerde vraag dient beperkt te zijn tot de toetsing van de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen van GS Media aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.3. Tot uitgangspunt kan worden genomen dat de veroordeling in elk geval tot doel had dat GS Media het filmpje waarop [gedaagde] herkenbaar te zien was,

beelden daaruit en de bijbehorende commentaren van (haar websites op) internet zou (doen) verwijderen en verwijderd houden. Op basis van de thans beschikbare gegevens kan worden aangenomen dat dit, na de betekening van het vonnis, ook daadwerkelijk is gebeurd voor zover dit het filmpje zelf betreft, met de daaraan toegevoegde comments, zoals dat te vinden was op de websites www.geenstijl.nl en www.dumpert.nl. In zoverre heeft GS Media het vonnis nageleefd. Dat GS Media op haar website een tamelijk schamper commentaar op het vonnis heeft geleverd doet daar niet aan af. In dit commentaar komt het filmpje niet voor, evenmin als de naam en/of afbeeldingen van [gedaagde].

4.4. Volgens [gedaagde] kon het filmpje en een bijbehorend artikel nog wel bekeken worden via links op de twitterpagina van de hoofdredacteur van GS Media en die van GS Media zelf. De uitingen op deze twitterpagina’s vormen echter geen onderwerp van dit geding, aangezien (de raadsman van) [gedaagde] zelf heeft verklaard dat de aangezegde dwangsommen daarop geen betrekking hebben en

GS Media, voor zover dat wel het geval zou zijn, onweersproken heeft gesteld dat eventueel op grond daarvan verbeurde dwangsommen inmiddels zijn verjaard.

4.5. [gedaagde] heeft aangevoerd dat GS Media ondanks het vorenstaande toch dwangsommen heeft verbeurd, omdat het filmpje, althans beelden daaruit, na het vonnis nog te zien waren op de website www.geenstijl.prevvy.com. Partijen zijn het erover eens dat de processen-verbaal van 23 juli 2010 en 11 augustus 2010 op die website betrekking hebben. Volgens [gedaagde] is GS Media voor de inhoud van die website aansprakelijk, aangezien zij ervan op de hoogte was dat content van de GeenStijl websites via prevvy.com zichtbaar was. Aldus zou GS Media aan [naam 1] voor het verspreiden van die content een opdracht, althans een sublicentie hebben verleend. Dit betoog van [gedaagde] zal niet worden gevolgd.

Uit de verklaringen van [naam 3] en [naam 1] blijkt immers niet meer dan dat [naam 1] in juli 2009 aan GS Media heeft aangeboden om gebruik te maken van de door hem ontwikkelde applicatie om de content van de websites van GS Media toegankelijk te maken via de iPhone en dat GS Media, na nadere bestudering van het plan van [naam 1], heeft besloten van diens aanbod geen gebruik te maken.

Het contact tussen [naam 1] en GS Media is dus tot stand gekomen op initiatief van [naam 1] en ruim vóórdat de kwestie met [gedaagde] aan de orde was.

Dat GS Media wist, alhans kon weten, dat [naam 1] de content van haar websites, ook ten tijde van het vonnis, gebruikte en dat zij dit niet terstond en expliciet heeft verboden, is wellicht onhandig, maar betekent niet dat zij daarmee voor de inhoud van de website van [naam 1] mede verantwoordelijk is. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat tussen GS Media en [naam 1] een samenwerkings-verband bestond. Niet kan worden volgehouden dat GS Media door het niet meteen ondernemen van actie tegen [naam 1] aan hem een sublicentie heeft verschaft voor het gebruiken en het onder de aandacht van het publiek brengen van de inhoud van haar websites, laat staan dat zij daartoe aan [naam 1] een opdracht heeft verstrekt. Het voert in ieder geval te ver om het enkele (tijdelijk) stilzitten door GS Media op dit punt aan te merken als een overtreding van de in het vonnis opgenomen geboden.

4.6. De stelling van [gedaagde] dat uit de constatering van de deurwaarder in het proces-verbaal van 10 december 2010 blijkt dat de veroordeling niet is nageleefd, zal evenmin worden gevolgd. Nu de over en weer door partijen in het geding gebrachte (technische) gegevens en hun visie daarop niet eensluidend zijn, valt in dit kort geding niet zonder meer aan te nemen dat de in dit proces-verbaal getoonde afbeeldingen afkomstig zijn van de server van GS Media en dat deze afbeeldingen na de vonnisdatum daar nog online te vinden waren.

4.7. Maar ook al zou dit het geval zijn, dan nog staat niet vast dat GS Media daarmee in strijd heeft gehandeld met het vonnis. Daarin is GS Media geboden om ‘elke openbaarmaking, verveelvoudiging of verspreiding’ van het filmpje of delen daaruit te staken en gestaakt te houden. Dat daaronder slechts zou moeten worden verstaan het ‘actief naar buiten pushen’, zoals GS Media heeft aangevoerd is een te strikte interpretatie. Ook als beelden op een website nog te zien zijn zonder dat daarvoor een actief handelen van GS Media is vereist, kan dat onder omstandigheden worden aangemerkt als ‘openbaarmaking, verveelvoudiging of verspreiding’. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd moeten de desbetreffende beelden dan echter wel zonder uitgebreid zoeken toegankelijk zijn voor het (gewone internet) publiek, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van specifieke adressen. Dat dit hier aan de orde is, is niet aannemelijk geworden. Voorshands is immers niet aangetoond dat de afbeeldingen na het vonnis op normale wijze vindbaar waren voor het publiek. De deurwaarder heeft de afbeeldingen namelijk alleen kunnen vinden door de specifieke bij punt 2.17 weergegeven adressen in te toetsen. Deze adressen, afkomstig van de prevvy-website, waren hem verstrekt door de raadsman van [gedaagde], zo heeft deze ook ter zitting nog bevestigd. Niet is gesteld of gebleken dat de afbeeldingen op andere wijze, bij voorbeeld door het intoetsen van een trefwoord, of rechtstreeks via de websites van GS Media voor een gemiddelde internet bezoeker toegankelijk waren. Doel en strekking van het vonnis zijn dat het filmpje, beelden daaruit en de bijbehorende teksten niet meer op of via de GS Media websites te zien zijn voor het publiek en dat GS Media daartoe de benodigde handelingen diende te verrichten, die redelijkerwijs van haar verwacht konden worden. Door het filmpje en de commentaren van haar websites te verwijderen, heeft zij destijds gedaan wat in haar vermogen lag. Als enkele afbeeldingen na een zeer gerichte zoekactie op basis van specifieke niet voor het publiek toegankelijke gegevens, daarna toch nog ergens op een plek op internet te vinden zijn, mogelijkerwijs via gegevens afkomstig van een aan GS Media gelieerde server, kan het niet verwijderd hebben daarvan, onder de hiervoor geschetste omstandigheden, in redelijkheid niet als een overtreding van het vonnis worden aangemerkt.

De stelling van GS Media dat het openbaren van de onder 2.17 beschreven afbeeldingen sowieso niet onder het in het vonnis uitgesproken gebod vallen, omdat [gedaagde] daarop niet herkenbaar zou zijn, kan daarom onbesproken blijven.

4.8. De conclusie op grond van het vorenstaande luidt dat niet kan worden gezegd dat GS Media het vonnis, gelet op doel en strekking daarvan, niet of niet voldoende heeft nageleefd. GS Media is dus, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, thans geen dwangsommen aan [gedaagde] verschuldigd.

Nu er geen verbeurde dwangsommen zijn, is de vraag of al dan niet sprake is van een feitelijke of juridische misslag, nieuwe feiten en/of een noodtoestand aan de zijde van GS Media op grond waarvan de executie van verbeurde dwangsommen gestaakt zou moeten worden, niet aan de orde.

4.9. Met betrekking tot de door GS Media gevorderde geboden heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat toewijzing van het primaire gebod in elk geval te ver strekt, omdat het haar volledig onmogelijk zou maken om dwangsommen aan te zeggen voor de betreffende afbeeldingen, op welke grond dan ook. Om dit te voorkomen zal het gebod worden beperkt tot (het niet executeren van) dwangsommen die betrekking hebben op de afbeeldingen, tekst/stills en/of andere content die aan de orde zijn geweest in de processen-verbaal van 23 juli 2010, 11 augustus 2010 en 10 december 2010, zoals aangehaald onder 2.13, 2.16 en 2.17 van dit vonnis.

De aard van het kort geding brengt hoe dan ook mee dat het gebod een voorlopige voorziening is, getroffen op basis van de thans beschikbare gegevens en het (beperkte) onderzoek ter terechtzitting. Mochten nieuwe (technische) gegevens zich aandienen, dan kan, indien de inhoud van die gegevens daartoe voldoende grond biedt, [gedaagde] de executie eventueel weer ter hand nemen. Daarnaast zal het gebod worden beperkt tot het zich onthouden van het aanzeggen, executeren en incasseren van de dwangsommen en strekt het zich niet uit tot het ‘ondernemen van pogingen daartoe’. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat niet duidelijk is wat daarmee precies wordt bedoeld en dat dit aanleiding zou kunnen geven tot verdere executie-geschillen. Tenslotte wordt opgemerkt dat het aanspannen van een bodemprocedure in elk geval niet valt onder ‘het aanzeggen, executeren en incasseren’ van dwangsommen.

4.10. Het voorgaande betekent dat de primaire vordering van GS Media zal worden toegewezen, met inachtneming van het voorgaande en met matiging en maximering van de dwangsom, als na te melden.

4.11. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt [gedaagde] om zich te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of incasseren van dwangsommen aan of ten laste van GS Media op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2009 (KG ZA 09-1971), voor zover dit betrekking heeft op de afbeeldingen, tekst, stills en/of andere content die aan de orde zijn geweest in de processen-verbaal van 23 juli 2010, 11 augustus 2010 en 10 december 2010 (de producties 4, 5 en 3 van GS Media) en de aanzegging van 21 december 2010 (productie 6 van GS Media), zoals aangehaald onder 2.13, 2.16, 2.17 en 2.19 in dit vonnis);

5.2. bepaalt dat [gedaagde], na de betekening van dit vonnis, een aan GS Media te betalen dwangsom verbeurt van € 1.000,= voor iedere overtreding van het onder 5.1 vermelde verbod, met een maximum van € 100.000,=;

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van GS Media begroot op:

– € 76,31 aan explootkosten,

– € 568,= aan griffierecht en

– € 816,= aan salaris advocaat;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2011.?