Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2172

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
479655 / KG ZA 11-17 Pee/PV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding procedure tussen eiser, een Belgische beroepswielrenner, en een organisator van een wielrenrzesdaagse te Rotterdam. Eiser is door de UCI voor twee jaar geschorst. Het Belgische hof van beroep te Brussel heeft die schorsing opgeschort. Nadien is gedaagde met eiser overeengekomen dat eiser zou deelnemen aan de zesdaagse in Rotterdam. Gedaagde heeft eiser een dag voor de wedstrijd op last van de UCI uitgesloten. De UCI heeft zich daarbij jegens gedaagde op het standpunt gesteld dat de opschorting alleen in België werking heeft. Eiser vordert nakoming van de overeenkomst. Vordering wordt toegewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de UCI gehouden om de opschorting ook buiten België werking te geven. Aan de UCI ontbreekt daarmee een grond om gedaagde op te dragen eiser niet tot de wedstrijd toe te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter,

zaaknummer / rolnummer: 479655 / KG ZA 11-17 Pee/PV

Vonnis in kort geding van 6 januari 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] België,

eiser bij conceptdagvaarding,

advocaat mr. P.S. van Minnen te Schoonhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZESDAAGSE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

advocaat mr. W.F.C. van Megen te Schiedam.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 6 januari 2011 heeft eiser, verder te noemen [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte conceptdagvaarding. Gedaagde, verder te noemen Zesdaagse, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Aan de zijde van [eiser] waren ter terechtzitting aanwezig: [vader eiser], vader van [eiser], mr. M. de Clerc, advocaat in België, en mr. Van Minnen. Aan de zijde van Zesdaagse was mr. Van Megen aanwezig. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 6 januari 2011 in verkorte vorm vonnis gewezen en is aangekondigd dat de schriftelijke uitwerking van het vonnis zou volgen op 7 januari 2011. Dit is de aangekondigde uitwerking van het vonnis.

2. De feiten

2.1. [eiser] is 28 jaar oud en sinds 1999 beroepswielrenner en is vooral, maar niet uitsluitend, actief binnen het baancircuit waarvan de zesdaagsen een belangrijk onderdeel vormen. Als beroepswielrenner is hij houder van een vergunning uitgereikt door de Union Cycliste Internationale (UCI), een vereniging naar Zwitsers recht van de nationale wielerbonden. [eiser] is tevens lid van de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond (KWBW).

2.2. Op 23 november 2008 is [eiser] tijdens de wielerzesdaagse van Gent op verzoek van de UCI onderwerpen aan een dopingcontrole. In de

A-urinestaal die [eiser] die dag afleverde zijn de verboden producten cathine en hydrochloorthiazide (HCT) aangetroffen. Op verzoek van [eiser] is daarna ook zijn B-urinestaal onderzocht, die eenzelfde resultaat gaf, behoudens wat de concentratie aan cathine betreft.

2.3. Op grond van de “positieve test” is [eiser] met ingang van 4 december 2008 geschorst en heeft hij zich voor de Disciplinaire Commissie van de KWBW moeten verantwoorden. Door de bondsprocureur is in die procedure een schorsing van [eiser] van twee jaar gevorderd.

2.4. Bij beslissing van 2 november 2009 heeft de Disciplinaire Commissie vastgesteld dat de periode van uitsluiting die normaal van toepassing zou zijn geweest is vervallen en dat derhalve aan [eiser] geen uitsluiting kan worden opgelegd. De Disciplinaire Commissie heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Met betrekking tot de cathine:

(…)

Derhalve staat niet met zekerheid vast dat de aangetroffen hoeveelheid aan cathine als sanctioneerbaar dient aangenomen zodat daaromtrent twijfel bestaat; de Commissie stelt trouwens vast dat de bondsprocureur met betrekking tot deze stof niet aandringt.

Met betrekking tot de hydrochlorothiazide (diuretica):

(…)

Daartoe wordt verwezen naar de vaststellingen van de voorgelegde technische rapporten alsmede het deskundigenverslag van de deskundigen Lambert, Tytgat en Martens voormeld en waaruit blijkt dat de aanwezigheid van deze verboden substantie onweerlegbaar is vastgesteld niet enkel in de urinestalen van de elitesporter doch ook in de onderzocht gelules waarvan de elitesporter niet weerlegd voorhoudt deze, nietsvermoedend, te goeder trouw en op advies, in de periode van de monsterneming te hebben ingenomen; alle overige elementen uit het dossier zijn niet van aard anders te moeten oordelen.

Het past dan ook om vast te stellen dat de periode van uitsluiting die normaal van toepassing zou zijn geweest, is vervallen.”

2.5. Op of omstreeks 10 december 2009 is de World Anti Doping Agency (WADA) tegen de beslissing van de Disciplinaire Commissie in beroep gegaan bij het International Sporttribunaal (TAS), een organisatie zetelend te Zwitserland.

2.6. Bij dagvaarding van 28 mei 2010 is [eiser] voor de kortgedingrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een procedure tegen ondermeer de KBWB en TAS gestart. [eiser] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de procedure voor het TAS niet aan de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voldoet. WADA is in die procedure tussengekomen.

2.7. Bij beslissing van 6 juli 2010 heeft het TAS [eiser] voor een periode van twee jaar een schorsing tot het uitoefenen van zijn beroepsactiviteiten opgelegd, met aftrek van de periode van 4 december 2008 tot 2 november 2009 tijdens welke [eiser] reeds was geschorst.

2.8. Na de beslissing van het TAS heeft [eiser] in de procedure voor de kortgedingrechter te Brussel tevens gevorderd dat de beslissing van het TAS van 6 juli 2010 zou worden opgeschort tot een beslissing in een bodemprocedure over zijn rechtspositie en de schending van zijn subjectieve rechten. Op 23 september 2010 heeft de kortgedingrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel zich onbevoegd verklaard om de beslissing van het Zwitserse TAS te schorsen. [eiser] is tegen die beslissing in hoger beroep gegaan bij het hof van beroep te Brussel.

2.9. Bij (tussen)arrest van 10 november 2010 heeft het hof van beroep te Brussel ondermeer bepaald dat het TAS geen rechtspersoonlijkheid bezit en geen gedingpartij kan zijn, de heropening van de debatten bevolen over de (internationale) bevoegdheid van het hof om kennis te nemen van de zaak, bij voorlopige maatregel de tenuitvoerlegging van de beslissing van het TAS van 6 juli 2010 geschorst en de UCI bevolen aan de beslissing van het hof gevolg te geven onder verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,00.

2.10. Op 28 november 2010 hebben [eiser] en Zesdaagse een “Overeenkomst Rabobank 6 daagse Rotterdam 2011” (hierna: de overeenkomst) gesloten, waarin partijen zijn overeengekomen dat [eiser] van 6 januari 2011 tot en met 11 januari 2011 zal deelnemen aan de door Zesdaagse georganiseerde 29ste Rabobank 6 daagse in het Sportpaleis AHOY te Rotterdam. Deze wedstrijd wordt verreden volgens de reglementen van de UCI en de KNWU.

2.11. Bij e-mail van 3 januari 2011 heeft [sportcoördinator UCI], sportcoördinator bij de UCI, het volgende, voor zover hier van belang, aan Zesdaagse meegedeeld:

“A Belgian court rendered an interim decision on 10 December that UCI should suspend the execution of the CAS decision.

However that interim decision has effect in Belgium only.

Therefore measures have to be taken in order to prevent [eiser] from participating in races outside Belgium.

We would be grateful if you could please confirm by return email that he will not take part in your event starting next Thursday.”

2.12. Bij e-mail van 4 januari 2011 heeft Zesdaagse de UCI gevraagd of de e-mail van 3 januari 2011 als een UCI-bevel of als een verzoek om vrijwillige medewerking van de UCI moet worden opgevat.

2.13. Een brief van 5 januari 2011 van [Voorzitter UCI], voorzitter van de UCI, gericht aan Zesdaagse vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“The (provisional) exception for Belgium results from a provisional decision of the Brussels Court of appeals dated 10 November 2010, the scope of which decision is limited to the territory of Belgium.

Therefore, the UCI orders you as the organizer of the Rotterdam 6-Days to ban Mr. [eiser] from that race.”

2.14. Bij e-mail van 5 januari 2011, om 18:51 uur, heeft de raadsman van Zesdaagse de hiervoor onder 2.13 vermelde brief van de UCI doorgezonden aan de raadsman van [eiser] en meegedeeld dat Zesdaagse geen andere optie ziet dan het uitsluiten van [eiser] van de Rotterdamse Zesdaagse.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, samengevat, Zesdaagse, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen om hem toe te laten en deel te laten nemen aan de Rotterdamse Zesdaagse, met veroordeling van Zesdaagse in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] stelt daartoe, samengevat, dat het hof van beroep te Brussel bij het arrest van 10 november 2010 de beslissing van het TAS van 6 juli 2010 heeft geschorst en dat het hof daarbij niet heeft besloten, zoals door de UCI verzocht, de schorsing territoriaal te beperken. Na de uitspraak van het hof heeft [eiser] de Zesdaagse van Gent en de Zesdaagse van Zurich gereden. In de overeenkomst van 28 november 2010 is met Zesdaagse overeengekomen dat [eiser] ook aan de Zesdaagse van Rotterdam zal deelnemen. De Zesdaagse en hij mochten er toen van uitgaan dat op grond van de in België uitgesproken opschorting van de uitvoering van de hem door het TAS opgelegde schorsing, het hen vrijstond die overeenkomst met elkaar aan te gaan. Op 4 januari 2011, derhalve pas kort voor start van de wedstrijd, bereikten [eiser] de eerste berichten dat de UCI zich tegen zijn deelname aan de Zesdaagse zou verzetten. Woen sdagavond bereikte hem het bericht dat Zesdaagse, vanwege de brief van de voorzitter van de UCI, hem op 6 januari 2011 (starttijd 18.00 uur) niet zou laten deelnemen aan de Zesdaagse van Rotterdam. Door deze weigering dreigt voor [eiser] een aanzienlijk inkomensverlies aan start- en prijzengeld. Daarnaast kan het niet kunnen deelnemen gevolgen hebben voor de sponsorinkomsten die [eiser] kan verwerven met het rijden van de wedstrijd en kan het tevens tot gevolg hebben dat hij door zijn werkgever op non-actief wordt gesteld of dat hij niet langer voor buitenlandse wedstrijden zal worden geselecteerd. Het niet toelaten tot de Zesdaagse van Rotterdam heeft daarom zowel onmiddellijk als op langere termijn grote financiële schade tot gevolg en leidt tot aantasting van zijn sportieve belangen. [eiser] heeft thans de leeftijd bereikt waarop een wielrenner op de top van zijn kunnen is gekomen. Er is daarom een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen, aldus [eiser].

3.3. Zesdaagse heeft verweer gevoerd, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] vordert nakoming van de op 28 november 2010 met Zesdaagse

gesloten overeenkomst. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eiser zal volgen, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

4.2. Uitgangspunt is dat partijen op 28 november 2010 zijn overeengekomen dat [eiser] aan de Zesdaagse van Rotterdam zou deelnemen. In beginsel is Zesdaagse derhalve gehouden om de overeenkomst na te komen. Het verweer van Zesdaagse komt er in de kern op neer dat van haar, gelet op de brief van de UCI van 5 januari 2011, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verwacht mag worden dat zij de overeenkomst ongewijzigd in stand houdt. Zesdaagse is als organisator van wielerevenementen gebonden aan de regelgeving van de UCI en is in dat kader gehouden om orders van de UCI op te volgen. Indien Zesdaagse die niet opvolgt loopt zij het risico dat de UCI geen toestemming meer zal verlenen voor deelname van bij haar aangesloten wielrenners aan de door Zesdaagse georganiseerde wielerevenementen. Met het onderhavige kort geding richt [eiser] zich dan ook tot de verkeerde partij, aldus Zesdaagse.

4.3. Allereerst wordt overwogen dat Zesdaagse de partij is waarmee [eiser] de in geschil zijnde overeenkomst mee heeft gesloten. Zesdaagse wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat [eiser] niet haar maar de UCI in dit geding had moeten betrekken. Voorts wordt, ten aanzien van de vraag of van Zesdaagse, gelet op het standpunt van de UCI, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gevergd kan worden de overeenkomst na te komen, overwogen dat de UCI met haar opdracht aan Zesdaagse om [eiser] niet tot de wedstrijd toe te laten aldus uitvoering geeft aan de beslissing van het TAS van 6 juli 2010. Het Belgische hof van beroep heeft bij het arrest van 10 november 2010 evenwel die beslissing van het TAS voorlopig geschorst. Uit de e-mail van 3 januari 2011 van de UCI en de brief van

5 januari 2011 blijkt dat de UCI zich op het standpunt stelt dat die beslissing slechts werking in België heeft en niet daarbuiten, maar dat standpunt kan niet in de weg staan aan toewijzing van het thans gevorderde. De UCI en [eiser] staan door de vergunningverlening aan [eiser] en het lidmaatschap van [eiser] van de KBWB die op zijn beurt is aangesloten bij de UCI in een rechtsverhouding tot elkaar die hen over en weer verplicht tot nakoming van wederzijdse rechten en plichten met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het door de UCI in haar correspondentie met Zesdaagse ingenomen standpunt dat zij zich buiten België niets gelegen behoeft te laten liggen aan de door de Belgische rechter uitgesproken opschorting van de schorsing van [eiser], kan op grond van het formele recht dat bepaalt waar een vonnis werking heeft mogelijk juist zijn – de voorzieningenrechter behoeft zich daar in dit geding niet over uit te laten – maar dit standpunt zou er op neerkomen dat [eiser] in elk land buiten België waar hij aan een wielerwedstrijd wil deelnemen de beslissing van het TAS en de uitvoering daarvan door de UCI voor de rechter zou moeten aanvechten. Dat verdraagt zich niet met de rechtsverhouding die tussen [eiser] en UCI bestaat, nu het een feit van algemene bekendheid is dat beroepswielrenners hun inkomsten doorgaans niet in één land kunnen verwerven en door de wijze waarop de wedstrijdagenda wordt bepaald gehouden zijn in een seizoen in verschillende landen aan wedstrijden deel te nemen om in hun broodwinning te voorzien. Een wielrenner en de bij het wielrennen betrokken organisatoren mogen er daarom vanuit gaan dat de UCI indien in een bepaald land een rechter uitvoering van een schorsingsstraf heeft opgeschort in afwachting van verdere beslissingen de uitspraak van die rechterlijke instantie betrekt in haar houding tot [eiser] en op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid voortspruitend uit die rechtsverhouding die uitspraak naleeft tot anders is beslist. Het door de UCI in haar correspondentie met Zesdaagse ingenomen standpunt komt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met artikel

6 EVRM, want het belemmert door de aard van de werkzaamheden van de beroepswielrenner een adequate toegang tot de rechtspraak en doet in het geval als dit afbreuk aan een effectieve rechtsbescherming. Voor het onderhavige geschil zal, gelet op het hiervoor overwogene, daarom als uitgangspunt worden genomen dat de beslissing van het TAS op dit moment in België is opgeschort, en dat op grond van de rechtsverhouding van de UCI met [eiser] UCI gehouden is die opschorting ook buiten België werking te geven. In elk geval mochten [eiser] en Zesdaagse, toen zij op 28 november 2010 een overeenkomsten sloten, er op vertrouwen dat de UCI zich overeenkomstig het oordeel van de Belgische rechter zou gedragen. Voorshands ontbreekt daarmee op dit moment voor de UCI een grond om Zesdaagse op te dragen [eiser] niet tot de Rotterdamse Zesdaagse toe te laten. Gelet hierop is op dit moment voldoende aannemelijk dat, mede gelet op de door [eiser] gestelde belangen, in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Zesdaagse gehouden is tot nakoming van de op 28 november 2010 met [eiser] gesloten overeenkomst. Dat Zesdaagse benauwd is voor sancties van de UCI jegens haar indien zij [eiser] tot de wedstrijd toelaat, maakt dat niet anders. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat een organisatie van de statuur van UCI indien Zesdaagse in dit geding wordt veroordeeld tot toelating van [eiser] aan de Rotterdamse Zesdaagse en Zesdaagse die veroordeling nakomt, zoals het rechtens behoort, negatief zal handelen jegens Zesdaagse. Nu daarnaast voldoende aannemelijk is dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, zal de vordering van [eiser] daarom worden toegewezen.

4.4. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Daarnaast betekent de onderhavige veroordeling tot toelating van [eiser] tot de gehele Rotterdamse Zesdaagse niet dat [eiser] zich aan het wedstrijdreglement zal kunnen ontrekken. Indien de wedstrijdjury op grond van handelingen van [eiser] die zich tijdens de Rotterdamse Zesdaagse voordoen op goede gronden van mening is dat [eiser] het wedstrijdreglement overtreedt heeft zij de bevoegdheid de daarbij behorende disciplinaire maatregelen te nemen en worden er geen dwangsommen verbeurd.

4.5. Zesdaagse zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- vast recht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt Zesdaagse om [eiser] toe te laten tot en deel te laten nemen aan de Zesdaagse van Rotterdam vanaf 6 januari 2011 te 18.00 uur tot het moment dat deze Zesdaagse is geëindigd, een en ander met inachtneming van de beslissingen van de wedstrijdjury overeenkomstig het wedstrijdreglement,

5.2. veroordeelt Zesdaagse om aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 50.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 250.000.00 is bereikt,

5.3. veroordeelt Zesdaagse in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.384,00,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2011.