Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:10600

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
DX EXPL 06-790
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

e kantonrechter beoordeelt of er met betrekking tot verschillende leaseovereenkomsten sprake was van een onaanvaardbare zware financiële last voor eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaak- en rolnummer: 776393 DX EXPL 06-790

Vonnis van: 21 december 2011

F.no.: 480

Vonnis van de kantonrechter

[eiser in conventie, verweerder in reconventie],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

nader te noemen: [eiser in conventie, verweerder in reconventie],

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: voorheen mr. G.P. Roth, thans Swier & Van der Heijden.

1 Verdere verloop van de procedure

1.1.

Op 1 september 2010 heeft de kantonrechter in deze zaak een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis), waarin onder meer is verzocht nadere stukken te overleggen.

Nadien zijn nog ingediend:

  • -

    de akte na tussenvonnis, met producties, van [eiser in conventie, verweerder in reconventie];

  • -

    de antwoordakte tevens houdende akte wijziging eis, met producties, van Dexia;

  • -

    de antwoordakte tevens akte tot rectificatie, met producties, van [eiser in conventie, verweerder in reconventie].

Daarna is de datum voor vonnis bepaald.

De rechter die de zaak ter comparitie heeft behandeld dan wel het tussenvonnis heeft gewezen, is om organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen en uit te spreken.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk procespartij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchère N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchère of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2.

De kantonrechter verwijst naar haar (tussen)vonnis van 1 september 2010 voor de vaststaande feiten en voor hetgeen dat in dat (tussen)vonnis al is overwogen en beslist. In dit (tussen)vonnis heeft de kantonrechter onder meer bepaald dat het beroep op verjaring van Dexia ten aanzien van de vordering met betrekking tot artikel 1:88 BW slaagt, zodat de andere grondslagen van de vordering beoordeeld moeten worden. De kantonrechter heeft om die reden [eiser in conventie, verweerder in reconventie] – onder meer – opgedragen bepaalde gegevens te overleggen die nodig zijn voor de berekening die het Amsterdamse hof in zijn arresten van 1 december 2009 heeft gehanteerd, om de mate van eigen schuld ten aanzien van de schade bestaande uit betaalde (en nog verschuldigde) maandtermijnen/restschuld te kunnen bepalen.

2.3.

Bij akte na tussenvonnis heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zijn beroep met betrekking tot de WCK, dwaling, misbruik van omstandigheden en misleidende reclame ingetrokken.

Termijnen

2.4.

Op grond van de aldus door hem overgelegde gegevens heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zich op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot alle lease-overeenkomsten sprake was van een onaanvaardbare zware financiële last.

2.5.

Dexia heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een onaanvaardbare zware financiële last. Daartoe heeft Dexia het volgende gesteld. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft geen GBA uittreksel overlegd, waaruit blijkt dat zijn gezinssamenstelling bestond uit 2 volwassenen en één kind. Voorts gaat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] er ten onrechte vanuit dat de winst uit onderneming niet als inkomen gezien mag worden. Volgens Dexia blijkt uit de aard van de post “winst uit onderneming”, dat die inkomsten reeds zijn onttrokken uit de onderneming en dus niet zijn aangewend voor het aantrekken van het vermogen of om de onderneming gezond te maken. De winst uit onderneming dient dan ook naast het loon in de berekening bij het inkomen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te worden meegenomen. Ten slotte is Dexia van oordeel dat de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] opgenomen premies voor lijfrentepolissen en ziektekosten buiten beschouwing gelaten moeten worden.

2.6.

Naar aanleiding hiervan oordeelt de kantonrechter als volgt. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft bij antwoordakte tevens akte tot rectificatie een GBA uittrekstel overgelegd. Uit dit uittreksel blijkt dat de zoon van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ten tijde van het afsluiten van de onderhavige overeenkomsten nog bij hem woonde. Echter, de zoon was ten tijde van het afsluiten van de onderhavige overeenkomsten respectievelijk, 25, 28, 29 en 30 jaar. Aangezien het daarom onaannemelijk is dat de zoon volledig door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] werd onderhouden en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft nagelaten dit nader te onderbouwen, wordt uitgegaan van de Nibudnorm voor twee volwassenen.

Voor het inkomen wordt uitgegaan van het loon van de partner van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en de winst uit onderneming verminderd met de geheven loonbelasting (berekend aan de hand van het stipinkomen) en verminderd met de waz-premies (in 2000 en 2001). De privéonttrekkingen, worden echter in tegenstelling tot hetgeen Dexia stelt, wel buiten beschouwing gelaten, aangezien privéonttrekkingen niet onder het belastbaar inkomen vallen. Privéonttrekkingen hebben invloed op het ondernemingsvermogen en kunnen derhalve niet als inkomen worden beschouwd.

Uit de biljetten van een proces blijkt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] alleen in 1997 ziektekosten had. Deze bedroegen € 43,00 per maand. Uit de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] overlegde polis voor levensverzekering blijkt dat hij voorts in alle jaren maandelijks € 20,96 betaalde voor premies lijfrenten. Hiermee zijn de bijzonder kosten die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] boven dit bedrag (€ 63,96 in 1997 en € 20,96 in 2000 en 2001) nog heeft aangevoerd in ieder geval onvoldoende onderbouwd. Gelet op het feit dat het wel of niet meenemen van deze bijzondere kosten voor het wel of niet aanvaardbaar maken van de financiële last bij geen enkele overeenkomst van doorslaggevende betekenis is, behoeft het wel of niet meenemen van deze bijzondere kosten geen nadere bespreking. De lasten zijn daarom in de berekeningen betrokken als bijzondere lasten.

2.7.

Op grond van de feiten die thans vaststaan zou nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten 1, 2 en 3 niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser in conventie, verweerder in reconventie] werd gelegd. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat deze (na verrekening van voordeel resterende) schade aan termijnen geheel voor rekening van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] behoort te blijven. Voor de aan bovenbedoelde beoordeling ten grondslag liggende berekeningen wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte bijlagen I, II en III.

2.8.

Op grond van de feiten die thans vaststaan zou nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van lease-overeenkomst 4 wel had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting wel een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser in conventie, verweerder in reconventie] werd gelegd. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat van de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit termijnen in beginsel 1/3 deel vanwege eigen schuld voor rekening van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] behoort te blijven. Voor de aan bovenbedoelde beoordeling ten grondslag liggende berekening wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte bijlage IV.

2.9.

Ten slotte geldt dat in bijlage I is uitgegaan van een looptijd van 60 maanden. Weliswaar heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] lease-overeenkomst 1 na deze 60 maanden met 36 maanden verlengd, maar er moet vanuit worden gegaan dat partijen bij aanvang van de overeenkomst een looptijd van 60 maanden beoogden. Nu [eiser in conventie, verweerder in reconventie] nooit tot verlenging van de overeenkomst zou zijn overgegaan als de oorspronkelijke lease-overeenkomst niet was gesloten, staat de schade die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft geleden in verband met de verlenging ook in causaal verband tot de schending van de zorgplicht door Dexia bij het aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst.

Restschuld

2.10.

Ten aanzien van de restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit de lease-overeenkomsten voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] over het geleende bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] behoort te blijven.

Algemeen

2.11.

Van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist dan volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is niet gebleken.

2.12.

Na verkoop van de effecten en nadat aan alle verplichtingen uit de lease-overeenkomsten was voldaan resteerde voor [eiser in conventie, verweerder in reconventie] uit lease-overeenkomst met [nummer] een batig saldo (het (uitgekeerde) positieve resultaat + de uitgekeerde dividenden – de betaalde termijnen) van € 536,08 (€ 8.339,83 + € 88,75 - € 7.892,50). Nu dit batig saldo voortkomt uit een eerdere effectenlease-overeenkomst die is geëindigd in februari 2001, een tijdstip gelegen één jaar vóór het aangaan van een van de in de onderhavige procedure betrokken lease-overeenkomsten (leaseovereenkomst 4) zal de kantonrechter dit voordeel in eerste instantie in mindering brengen op de schade bestaande uit de verschuldigde rente en eventuele periodieke aflossingen en vervolgens, voor zover dan nog een deel van het voordeel resteert, op de restschuld. Dit ligt het meest voor de hand, omdat deze betalingsverplichtingen zich eerder hebben voorgedaan dan dat de restschuld zich openbaarde.

2.13.

Voorts is het positieve resultaat van leaseovereenkomst 4 op 17 maart 2006 verrekend met de restschuld van lease-overeenkomst 2. Ten slotte is met deze restschuld een uitkering van € 112,27 respectievelijk € 16,31 inzake de Ahold-claim verrekend. De openstaande post van lease-overeenkomst 2 bedraagt daarom thans nog € 3.013,74.

2.14.

Onder verwijzing naar de in bijlagen V t/m VIII weergegeven berekeningen, brengt het voorgaande mee dat Dexia aan schade dient te dragen € 7.506,13 (366,72 + € 2.466,00 + € 4.673,41) wegens restschuld. Dexia dient een bedrag van € 3.724,18 als voor haar rekening komende schade aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] terug te betalen wegens betaalde termijnen, te vermeerderen met € 4.021,44 wegens reeds verrekende achterstallige termijnen op de eindafrekening van lease-overeenkomst 4. In totaal dient Dexia dus een bedrag van
€ 7.745,62 aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen.

2.15.

Dexia is over de door haar te betalen schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat zij dienaangaande in verzuim is. Ingevolge artikel 6:83 aanhef en onder b, BW treedt verzuim ter zake van een schadevergoedingsplicht als de onderhavige van rechtswege in als zij niet terstond wordt nagekomen. Het verzuim kan echter pas intreden op het moment dat een opeisbare verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. In dit geval kon pas op het moment van beëindiging van de lease-overeenkomst worden vastgesteld dat schade was geleden, zodat Dexia op de dag van de eindafrekening van lease-overeenkomst 4 in verzuim is geraakt en dus vanaf die datum (14 maart 2006) wettelijke rente is verschuldigd.

in reconventie

2.16.

Nu de lease-overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen voor zover deze méér bedragen dan de schade welke volgens hetgeen in conventie is overwogen door Dexia moet worden gedragen.

2.17.

Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de in aanmerking te nemen schade terzake van de maandtermijnen van de lease-overeenkomsten 1, 2 en 3 geheel en van de lease-overeenkomst 4 voor 1/3 deel voor rekening van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] komt. Dit betekent dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ook het in aanmerking te nemen bedrag aan achterstallige termijnen op de eindafrekeningen van de lease-overeenkomsten 1, 2 en 3 volledig en van de lease-overeenkomst 4 voor 1/3 deel aan Dexia verschuldigd is.

2.18.

Ten aanzien van het resterende door Dexia gevorderde bedrag geldt, zoals in conventie is overwogen, dat Dexia 2/3 deel van de schade bestaande uit restschuld moet dragen.

2.19.

Dit betekent dat, na verrekening van de door Dexia te dragen schade als vastgesteld in conventie en na vermindering met hetgeen reeds aan Dexia is voldaan door verrekening of betaling, een en ander zoals berekend in bijlagen V t/m VIII, door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] terzake van de vordering in reconventie nog een bedrag van € 4.717,40 (€ 244,73 + € 547,74 + € 3.924,93) aan Dexia zal moeten worden voldaan. In zoverre is de reconventionele vordering toewijsbaar.

2.20.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] is over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waarop de betalingstermijnen van de respectievelijke eindafrekeningen waren verstreken.

voorts in conventie en in reconventie

2.21.

Nu [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ingevolge dit vonnis, waarbij de vordering in conventie de vordering in reconventie overstijgt, geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer heeft, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd en de termijn waarbinnen Dexia aan haar na te melden verplichting moet voldoen zal worden gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

2.22.

Nu beide patijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten van het geding in conventie en in reconventie telkens compenseren, des dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

I. veroordeelt Dexia aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen een bedrag van € 7.745,62 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

III. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

IV. veroordeelt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] om aan Dexia te betalen een bedrag van € 4.717,40 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 547,74 vanaf 16 april 2005, over € 244,73 vanaf 28 juli 2005 en over € 3.924,93 vanaf 24 maart 2006, tot aan de dag der algehele voldoening;

V. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VI. wijst het meer of anders gevorderde af;

in conventie en in reconventie

VII. compenseert de proceskosten, des dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter