Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BV1274

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
DX06-662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onaanvaardbare financiele last. Bij nakomen onderzoeksplicht Dexia had moeten worden onderkend dat het inkomen van afnemer in 1998 incidenteel hoger was.

Bij berekening netto woonlasten geldt standaardtarief 37,05%, tenzij door partijen wordt aangevoerd dat in het specifieke geval een ander percentage moet worden gehanteerd.

Bij berekening netto woonlasten dienen de kosten van de beleggingsverzekering te worden meegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

zaak- en rolnummer: 776019 DX EXPL 06-662

vonnis van: 21 juli 2010

f.no.: 694

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser],

wonende te Renkum,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

nader te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de naamloze vennootschap [naam bank].,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen: [naam bank],

gemachtigde: Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders.

De procedure in conventie en in reconventie

Op 17 februari 2010 is in deze zaak een tussenvonnis (hierna: het tussenvonnis) uitgesproken. Voor het verloop van het procedure tot dan toe, verwijst de kantonrechter naar hetgeen dienaangaande in het tussenvonnis is overwogen.

Vervolgens zijn ingediend:

- de nadere akte van [eiser], met producties;

- de antwoordakte van [naam bank], met producties.

Daarop is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

1. De beoordeling

1.1 Gegeven hetgeen in het tussenvonnis reeds is overwogen en beslist, is thans nog aan de orde de vraag of nakoming door (de rechtsvoorgangster van) [naam bank] van de op haar rustende onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat de lease-overeenkomst naar redelijke verwachting wel of niet een onaanvaardbare zware financiële last op [eiser] zou hebben gelegd. De voor de beantwoording van deze vraag benodigde financiële gegevens heeft de kantonrechter met uitzondering van die met betrekking tot de netto woonlast reeds in het dossier aangetroffen. In verband daarmee heeft de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid gesteld die ontbrekende gegevens over te leggen.

Termijnen

1.2 In dit geval zou nakoming door [naam bank] van haar onderzoeksplicht hebben uitgewezen dat [naam bank] het aangaan van de lease-overeenkomst had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting wel een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser] werd gelegd. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat van de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit termijnen in beginsel 1/3 deel vanwege eigen schuld voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

1.3 Voor de aan bovenbedoelde beoordeling ten grondslag liggende berekening wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte bijlage I. Deze berekening is gebaseerd op hetgeen het Amsterdamse hof dienaangaande in zijn arresten van 1 december 2009 heeft overwogen. De kantonrechter heeft daarbij, in navolging van het Amsterdamse hof, in aanmerking genomen de zogenoemde “Nibud-basisnorm” (Y) en het door Nibud gehanteerde basisbedrag met betrekking tot de (netto) woonlasten, behorende bij de gezinssamenstelling van [eiser] ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst (voor de normbedragen die het Nibud met betrekking tot de verschillende gezinssituaties door de jaren heen heeft gepubliceerd, verwijst de kantonrechter naar : www.rechtspraak.nl/Gerechten/Rechtbanken/Amsterdam/Actualiteiten/Basis+en+woonlastnormen.htm).

Gezinssamenstelling

1.4 [eiser] heeft gesteld dat de kantonrechter in zijn tussenvonnis onterecht is uitgegaan van de Nibud-basisnorm die geldt voor een echtpaar met drie kinderen, aangezien [eiser] vier kinderen had. Een nader oordeel hieromtrent kan in het midden blijven, nu er reeds bij de gehanteerde Nibud-basisnorm sprake is van een onaanvaardbare zware financiële last.

Gezinsinkomen

1.5 [eiser] heeft aangevoerd dat voor wat betreft het netto inkomen bij de berekening van de onaanvaardbare last moet worden uitgegaan van een bedrag van € 2.133,69 en niet van een inkomen van € 3.188,00. Zijn inkomen was in 1998 hoger dan zijn inkomen in 1999 vanwege een eenmalige winstuitkering (verkoop van aandelen die eerder door de werkgever van [eiser] waren aangeboden). Volgens [eiser] moet om deze reden voor 1998 enkel het bedrag aan ‘gewoon’ netto loon worden meegenomen in de berekening.

1.6 [naam bank] heeft daartegen aangevoerd dat [eiser] nalaat te bewijzen dat sprake is van een eenmalige winstuitkering. Daarnaast dient te worden uitgegaan van de beschikbare gegevens zoals die zijn vastgesteld op de Biljetten van een proces. Uit het arrest [naam bank] / [naam] volgt dat ook eenmalige uitkeringen moeten worden meegenomen.

1.7 De kantonrechter ziet aanleiding om ten aanzien van het gezinsinkomen en het vermogen terug te komen op hetgeen daaromtrent in het tussenvonnis is overwogen en beslist. De door [eiser] overgelegde biljetten van een proces aangaande de jaren 1998, 1999 en 2000 bieden voldoende steun voor de stelling van [eiser] dat zijn inkomen in 1998 deels incidenteel was; in 1999 en 2000 was zijn inkomen immers aanzienlijk lager dan in 1998. Naar het oordeel van de kantonrechter had [naam bank] dit bij nakoming van haar onderzoeksplicht moeten onderkennen en had zij dus, gelijk de kantonrechter thans doet, uit moeten gaan van een netto maandinkomen van € 2.133,69 in plaats van € 3.188,00. Dit laat overigens onverlet dat de door de [eiser] gestelde winstuitkering wel als vermogen in aanmerking moet worden genomen, gelijk in het tussenvonnis ook is gebeurd.

Woonlasten

1.8 [eiser] stelt ten aanzien van zijn netto woonlasten dat als uitgangspunt moet worden genomen de woonlasten over het jaar 1999, aangezien hij in 1998 van hypotheek is veranderd en er ten aanzien van het netto inkomen ook moet worden uitgegaan van zijn inkomen over 1999 en 2000. Inclusief de kosten ten behoeve van de beleggingsverzekering en na aftrek van het fiscaal voordeel (deels bij een percentage van € 37 % en deels bij een percentage van 50%) komt hij op een bedrag van € 484,93. [naam bank] heeft dit bedrag echter berekend op € 336,83 per maand (exclusief de beleggingsverzekering), waarbij zij rekening houdt met een door [eiser] genoten belastingvoordeel van 60 % over de betaalde hypotheekrente en het huurwaardeforfait.

1.9 Nu zowel [eiser] als [naam bank] het door hen gestelde belastingtarief niet hebben onderbouwd, zal het standaardtarief van 37,05% worden gehanteerd. Uitgegaan zal worden van de woonlasten over 1998, aangezien dit het jaar is dat de overeenkomst is aangegaan.

1.10 [eiser] stelt voorts dat bij de vaststelling van de netto woonlasten ook rekening moet worden gehouden met de kosten van zijn beleggingsverzekering ten behoeve van de aflossing van de hypothecaire lening. Voorts stelt [eiser] zich op het standpunt dat ook andere woonlasten, zoals lokale heffingen, verzekeringen en energielasten moeten worden meegenomen in de post netto woonlasten.

1.11 De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet geheel. Zoals blijkt uit de arresten van het hof Amsterdam moeten bij de berekening alleen de financiële verplichtingen met betrekking tot de eigen woning (rekeninghoudend met het belastingvoordeel) dan wel de huurlasten worden meegenomen. Dit betekent dat de kosten van een door hypotheekbank vereiste beleggingsverzekering wel moeten worden meegerekend, maar dat er geen ruimte is om andere lasten, zoals lokale heffingen, verzekeringen en energielasten, mee te nemen. Deze zijn reeds verdisconteerd in de Nibudbasisnorm. Er zal derhalve bij de berekening zoals weergegeven in bijlage I een bedrag van € 84,00 worden opgeteld aan kosten van de beleggingsverzekering.

Achterstallige termijnen

1.12 [eiser] stelt ten aanzien van de achterstallige termijnen primair dat de deze geheel niet voor zijn rekening zouden moeten komen, en subsidiair dat deze slechts voor het door de kantonrechter vast te stellen percentage voor zijn rekening moeten komen. [eiser] voert daartoe aan dat hij in de sommatiebrief van 9 juni 2005 de overeenkomst heeft opgezegd. Derhalve was er hierna geen sprake van nog verschuldigde termijnen. [naam bank] heeft aan de opzegging geen gehoor gegeven en het contract laten doorlopen. Het ontstaan van de achterstallige termijnen op de eindafrekening is dan ook aan [naam bank] te wijten, aldus [eiser].

1.13 Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of de sommatiebrief van 9 juni 2005 heeft te gelden als een opzegging van de overeenkomst en of de nog te betalen termijnen onterecht zijn aangemerkt als achterstallig. Nu er immers sprake is van een onaanvaardbare zware financiële last, zal er voor zowel de achterstallige termijnen als voor de restschuld uitgegaan worden van hetzelfde percentage eigen schuld. Derhalve zijn er in dit geval geen consequenties verbonden aan het feit dat de termijnen na de opzegging zijn aangemerkt als achterstallig en kan een oordeel hieromtrent achterwege blijven.

Restschuld

1.14 Ten aanzien van de restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit de lease-overeenkomst voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [eiser] over het geleende bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld ook in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

Algemeen

1.15 Van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist dan volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is niet gebleken. De door [eiser] aangevoerde omstandigheden zijn in de verdeling van de schade, waarbij het tekortschieten van [naam bank] zwaarder is gewogen dan de eigen schuld van [eiser], reeds verdisconteerd.

1.16 Onder verwijzing naar de in bijlage II weergegeven berekening, brengt het voorgaande mee dat [naam bank] aan schade dient te dragen € 5.984,88 wegens restschuld en € 1.494,55 wegens achterstallige termijnen en voorts dat [naam bank] terzake van voor haar rekening komende schade € 13.913,66 aan [eiser] dient terug te betalen wegens betaalde termijnen.

Wettelijke rente

1.17 [naam bank] is over de door haar te betalen schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat zij dienaangaande in verzuim is. Ingevolge artikel 6:83 aanhef en onder b, BW treedt verzuim ter zake van een schadevergoedingsplicht als de onderhavige van rechtswege in als zij niet terstond wordt nagekomen. Het verzuim kan echter pas intreden op het moment dat een opeisbare verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. In dit geval kon pas op het moment van beëindiging van de lease-overeenkomst worden vastgesteld dat schade was geleden, zodat [naam bank] op de dag van de eindafrekening in verzuim is geraakt en dus vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd, zijnde 6 januari 2006.

Proceskosten

1.18 Gelet op de uitslag van de procedure in conventie dient [naam bank] te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie.

Buitengerechtelijke kosten

1.19 De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak. Voor zover [eiser] vergoeding vordert van kosten voor het bij derden opvragen van bescheiden behoren deze tot de in artikel 241 Rv bedoelde kosten, en derhalve tot de proceskosten.

in reconventie

1.20 Nu de lease-overeenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden zal [eiser] aan zijn daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen voor zover deze méér bedragen dan de schade welke volgens hetgeen in conventie is overwogen door [naam bank] moet worden gedragen.

1.21 Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de in aanmerking te nemen schade terzake van de maandtermijnen voor 1/3 deel voor rekening van [eiser] komt. Dit betekent dat hij ook het in aanmerking te nemen bedrag aan achterstallige termijnen op de eindafrekening voor 1/3 deel aan [naam bank] verschuldigd is.

1.22 Ten aanzien van het resterende door [naam bank] gevorderde bedrag geldt, zoals in conventie is overwogen, dat [naam bank] 2/3 deel van de schade bestaande uit restschuld moet dragen.

1.23 Dit betekent dat, na verrekening van de door [naam bank] te dragen schade als vastgesteld in conventie en na vermindering met hetgeen reeds aan [naam bank] is voldaan door verrekening of betaling, een en ander zoals berekend in bijlage II, door [eiser] terzake van de vordering in reconventie nog een bedrag van € 3.739,71 aan [naam bank] zal moeten worden voldaan.

Wettelijke rente

1.24 [eiser] is over de per saldo door hem te betalen schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waarop de betalingstermijn van de eindafrekening was verstreken, zijnde 20 januari 2006.

Proceskosten

1.25 Gelet op de uitslag van de procedure in reconventie dient [eiser] te worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

in conventie en in reconventie

BKR-registratie

1.26 Nu de kantonrechter heeft vastgesteld dat [eiser] nog betalingsverplichtingen jegens [naam bank] heeft, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

I. veroordeelt [naam bank] aan [eiser] te betalen een bedrag van € 13.913,66, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt [naam bank] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 1.050,00 voor salaris van gemachtigde en nihil aan verschotten.

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

V. veroordeelt [eiser] om aan [naam bank] te betalen een bedrag van € 3.739,71, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van [naam bank] tot aan deze uitspraak begroot op € 350,00 aan salaris gemachtigde;

VII. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VIII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.A.J.P. van den Reek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

BIJLAGE I

Beoordeling onaanvaardbaar zware last

Afnemer [eiser]

Contractnummer 25100420

Rolnummer: DX 06-662

samenstelling huishouden 2 vw 3 k of meer

Y. nibudbasisnorm 1.075,46

X. netto maandinkomen 2.133,69

vermogen 12.220,00

af: vrijstelling 10.000,00

in aanmerking te nemen vermogen 2.220,00

V. vermogen per maand 12,33

netto woonlasten 544,12

norm woonlast Nibud 149,75

W. Woonlasten boven Nibud 394,37

leasesom 90.594,92

looptijd in maanden 180

A. verplichting leaseovereenkomst 503,31

B. verpl. eerdere leaseovereenk 0,00

C. verpl. eerdere overig krediet 0,00

besteedbaar inkomen

X + V - W - A - B - C 1.248,35

bestedingsnorm

Y + (0,1xY) + 0,15x(X-Y) 1.341,74

SLOTSOM ONAANVAARDBARE LAST

Berekening netto woonlast

bruto hypotheekrente per jaar 7.909,84

huurwaarde forfait 1.463,44

belasting% 37,05%

netto woonlast 460,12

BIJLAGE II

Berekening schade, voordeelstoerekening, verdeling restschuld

Afnemer [eiser]

Contractnummer 25100420

Rolnummer: DX 06-662

reconventionele vordering ingesteld ja

A. Betaalde leasetermijnen 26.029,05

saldo eindafrekening 11.219,14

af: achterstallige termijnen 2.241,82

B. in aanmerking te nemen restschuld 8.977,32

totale schade exclusief voordeelstoerekening 37.248,19

af: batig saldo voorgaande lease-overeenkomsten 0,00

af: uitgekeerde dividenden c.a. 5.158,56

af: verrekende dividenden c.a. 0,00

C. totale schade minus voordeel 32.089,63

schade m.b.t. betaalde termijnen minus voordeel 20.870,49

eigen schuld afnemer 1/3

D. door [naam bank] te vergoeden schade m.b.t. betaalde 13.913,66

termijnen

schade m.b.t. achterstallige termijnen minus voordeel 2.241,82

eigen schuld afnemer 1/3

E. door [naam bank] te dragen schade m.b.t. achterstallige ter 1.494,55

mijnen

schade wat betreft restschuld minus voordeel 8.977,32

eigen schuld afnemer 1/3

F. door [naam bank] te dragen schade m.b.t. restschuld 5.984,88

door afnemer volgens eindafrekening verschuldigd 11.219,14

af: door [naam bank] te dragen schade m.b.t. restschuld (F) 5.984,88

af: door [naam bank] te dragen schade m.b.t. achterstallige 1.494,55

termijnen (E)

af: verrekende dividenden c.a. 0,00

af: door afnemer reeds betaald 0,00

G. door afnemer te betalen: 3.739,71