Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BU7812

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
449996 / HA RK 10-69
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking van de kantonrechter. Verzoek afgewezen.

De wederpartij van verzoeker is samen met zijn advocaat circa vijf minuten voordat verzoeker binnen werd gelaten, alleen met de rechter in de zittingszaal is geweest. Onwelgevallige procesbeslissingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het op 18 januari 2010 ingekomen en onder rekestnummer

449996 / HA RK 10-69 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat: mr. R.R.J. Dayala,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter 1], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar de tussenbeslissing in deze zaak van 19 februari 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De behandeling van het verzoek tot wraking is voortgezet op 6 april 2010, waar de advocaat van verzoeker en de rechter, vergezeld door zijn collega mr. [rechter 2], zijn verschenen.

De uitspraak is nader bepaald op 28 april 2010.

1. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek is gebaseerd op de ter zitting van 18 januari 2010 aangevoerde grond(en), die op 12 februari 2010 zijn aangevuld.

Zakelijk weergegeven komen deze erop neer dat:

1. de rechter niet heeft gereageerd op een aan hem vóór de comparitie toegezonden brief van verzoeker;

2. de wederpartij van verzoeker op 18 januari 2010 circa vijf minuten voordat verzoeker binnen werd gelaten, alleen met de rechter in de zittingszaal is geweest;

3. de rechter ter zitting heeft medegedeeld geen aanleiding te hebben tot twijfel aan mededelingen van de gemachtigde van de wederpartij van verzoeker, terwijl deze mededelingen in strijd waren met diens eerdere verklaringen bij een behandeling bij het gerechtshof te Amsterdam;

4. ter zitting nieuwe feiten aan de orde zijn gekomen over het verhuurd zijn van de woning en de winkel en verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld daarop bij akte te reageren;

5. verzoeker evenmin in de gelegenheid is gesteld om te reageren op door de wederpartij ter zitting gepresenteerde berekeningen, zodat verzoeker de gelegenheid is ontnomen om aan te tonen dat die berekeningen niet kloppen;

6. verzoeker onvoldoende gelegenheid is geboden om de gronden van de wraking aan te voeren.

Door deze omstandigheden is bij verzoeker het gevoel ontstaan dat hij bij de rechter geen onbevooroordeelde beoordeling van zijn zaak meer kan verwachten.

3. Het standpunt van de rechter

De rechter heeft het verzoek schriftelijk en ter zitting van 6 april 2010 mondeling gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De ontvankelijkheid van het verzoek

Op grond van de wet dient het verzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die tot de wraking aanleiding hebben gegeven aan de verzoeker bekend zijn geworden. Alle feiten of omstandigheden moeten daarbij tegelijk worden voorgedragen. Niet alle door verzoeker aangevoerde gronden zijn door hem tegelijk voorgedragen. Dat is echter geen aanleiding verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Uit het proces-verbaal van de zitting van 18 januari 2010 is gebleken dat hem, op het moment dat het wrakingsverzoek werd gedaan, geen gelegenheid is geboden om zijn gronden nader uiteen te zetten. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om de op 12 februari 2010 kenbaar gemaakte aanvullingen op de wrakingsgronden buiten beschouwing te laten.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Daarbij moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het standpunt van een verzoeker daarover is wel belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3 Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is.

5.4 Het eerste bezwaar betreft het feit dat de rechter niet zou hebben gereageerd op de brief van de advocaat van verzoeker van 13 januari 2010. In die brief werd medegedeeld dat verzoeker niet gelukkig was met het door de rechter gewezen tussenvonnis. Verder werd het verzoek gedaan de door de wederpartij genomen akte buiten beschouwing te laten en werd om aanhouding van de behandeling verzocht.

5.5 De rechter heeft aangevoerd dat de brief van de advocaat aan hem is voorgelegd, maar dat hij het niet nodig achtte inhoudelijk op die brief te reageren. Wel heeft de rechter de griffier opgedragen om de advocaat van verzoeker mee te delen dat de op 18 januari 2010 vastgestelde behandeling door zou gaan. Kennelijk heeft deze mededeling de advocaat van verzoeker niet bereikt.

5.6 Het gaat hier om een processuele beslissing, die als zodanig niet in een wrakingsprocedure ter discussie kan worden gesteld.

De beslissing is ook niet van dien aard dat daardoor bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kan zijn ontstaan dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken. Het enkele feit dat de mededeling van de griffier niet bij de advocaat van verzoeker is aangekomen, is evenmin een zwaarwegende omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat de rechter vooringenomen zou zijn.

5.7 Het tweede bezwaar betreft het feit dat de wederpartij van verzoeker samen met zijn advocaat circa vijf minuten voordat verzoeker binnen werd gelaten, alleen met de rechter in de zittingszaal is geweest. De rechter heeft op dit punt ter zitting verklaard dat hij dacht dat de bode binnen was geweest met de mededeling dat de advocaat van verzoeker niet aanwezig was. Het is zijn vaste gewoonte om in dergelijke gevallen de griffier telefonisch contact op te laten nemen met de niet verschenen advocaat. Voordat de griffier dat kon doen, kwam de advocaat van verzoeker de zaal binnen, aldus de rechter. De behandeling van de zaak was op dat moment nog niet begonnen.

5.8 Hieruit blijkt dat de rechter er op basis van een mededeling van de bode van is uitgegaan dat de advocaat van verzoeker niet aanwezig was. De rechter kan vanuit de zittingzaal niet controleren wie er al dan niet op de gang aanwezig zijn en is daarvoor aangewezen op de mededelingen die hem via de bode bereiken. Deze gang van zaken geeft niet blijk van vooringenomenheid van de rechter. Het enkele feit dat de wederpartij vijf minuten alleen met de rechter in de zaal is geweest, is zonder bijkomende omstandigheden, die hier zijn gesteld noch gebleken, geen zwaarwegende omstandigheid die maakt dat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kan zijn ontstaan dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

5.9 De overige door verzoeker aangevoerde bezwaren lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Deze bezwaren komen er samengevat op neer dat ter zitting van 18 januari 2010 nieuwe feiten aan de orde zijn gekomen ten aanzien van de verhuur van de winkel en berekeningen van de achterstand, de rechter ter zitting heeft meegedeeld geen aanleiding te hebben tot twijfel aan mededelingen van de gemachtigde van de wederpartij van verzoeker op dat punt, en dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld bij akte op de nieuwe feiten en berekeningen te reageren.

De rechter heeft verklaard dat hij geen aanleiding zag om nog een akte toe te staan, omdat hij van mening was dat hij over voldoende gegevens beschikte om de verschillende berekeningen op hun juistheid te kunnen beoordelen.

5.10 Ook hier gaat het om een (voorlopige) beslissing van de rechter die niet ter beoordeling van de wrakingskamer staat. De omstandigheid dat de beslissing voor verzoeker onwelgevallig was, brengt niet mee dat de vrees voor gebrek aan onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is en levert geen zwaarwegende aanwijzing op voor de schijn van vooringenomenheid. De mededeling dat de rechter geen aanleiding zag aan de woorden van de advocaat van de wederpartij te twijfelen is daartoe ook niet voldoende. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de zitting van 18 januari 2010 volgt dat het niet vaststaat dat een eindvonnis zal worden gewezen.

5.11 Over de laatste door verzoeker aangevoerde grond heeft de rechter ter zitting verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de behandeling onmiddellijk dient te worden geschorst en er verder geen (proces)handelingen kunnen worden verricht, zodra een verzoek tot wraking wordt ingediend. Dat is op zichzelf juist, met dien verstande dat het enige dat nog wel kan en moet gebeuren is het opnemen van de gronden van de wraking in het proces-verbaal.

Ook hier is geen sprake van een zwaarwegende omstandigheid die maakt dat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kan zijn ontstaan dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

6. Het is overigens niet onbegrijpelijk dat verzoeker door de samenloop van alle hiervoor vermelde verschillende omstandigheden en zonder de naderhand van de kant van de rechter daarvoor verstrekte verklaringen de subjectieve indruk heeft gekregen dat zijn zaak niet op een onpartijdige wijze werd behandeld. Daarmee is echter niet voldaan aan het hiervoor onder 5.2 en 5.3 vermelde toetsingscriterium.

De slotsom is dat het verzoek om wraking van de rechter wordt afgewezen.

BESLISSING:

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Beukenhorst, voorzitter, en

mrs. T.P.J. de Graaf en C.M. Degenaar, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010 in tegenwoordigheid van

de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv geen rechtsmiddel open.