Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BU7810

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2010
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
HA RK 10.524
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking op grond van art. 512 Sv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op voorzitter van de meervoudige kamer.

Naar het oordeel van de wrakingskamer kunnen de door de raadsman namens verzoeker aangedragen - en ter zitting gebleken - feiten en omstandigheden de rechterlijke partijdigheid niet schaden. Niet gebleken is dat de rechter verzoeker (dan wel zijn raadsman) heeft belet dan wel heeft willen beletten om zijn visie op de zaak te geven en verzoeker de gelegenheid heeft ontnomen om nog iets toe te voegen aan hetgeen reeds was gezegd. Vast staat slechts dat de rechter verzoeker heeft onderbroken om zelf een opmerking te maken. Weliswaar was de mededeling van de rechter dat het niet om een inhoudelijke behandeling gaat, niet juist, omdat beoordeeld dient te worden of de verdenkingen tegen verzoeker voldoende zwaarwegend zijn om gevangenhouding te rechtvaardigen, maar het is aannemelijk dat de rechter dit laatste ook duidelijk wilde maken. Hij is kennelijk door (de raadsman van) verzoeker niet goed begrepen en heeft niet de gelegenheid gekregen om zijn standpunt over de goede procesorde in dit verband alsnog naar voren te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 31 mei 2010 gedane en onder rekestnummer HA RK 10.524

ingeschreven ver¬zoek tot wra¬king van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats], Nigeria op [1981],

thans gedetineerd in het huis van bewaring Havenstraat te Amsterdam,

verzoeker,

raadsman: mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter], rechter te Amsterdam, voorzitter van de meervoudige kamer, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

Tijdens de behandeling in raadkamer op 31 mei 2010 van de vordering gevangenhouding van verzoeker heeft de raadsman van verzoeker namens deze mondeling het verzoek tot wraking gedaan gericht tegen de rechter.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- de vordering gevangenhouding;

- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer;

- het proces-verbaal behandeling raadkamer;

- de pleitaantekeningen van de raadsman.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 31 mei 2010 alwaar de rechtbank verzoeker, de raadsman, de rechter en de officier van justitie heeft gehoord. Bij de behandeling was een tolk in de Engelse taal aanwezig.

Na de behandeling ter zitting is mondeling op het verzoek beslist. De beslissing is op de zitting uitgesproken. Deze beschikking vormt de uitwerking van die beslissing.

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is verdachte in een bij deze rechtbank onder parketnummer 13/670487-10 aanhangige strafzaak.

b) Nadat de officier van justitie de gevangenhouding van verzoeker had gevorderd voor een periode van maximaal 90 dagen, wilde verzoeker het woord voeren om zijn visie naar voren te brengen. De rechter heeft de raadsman de gelegenheid gegeven om als eerste te reageren op de vordering. Vervolgens heeft de officier van justitie zijn standpunt mogen toelichten en daarna heeft verzoeker de gelegenheid gekregen om het laatste woord te voeren.

c) Volgens het proces-verbaal behandeling raadkamer heeft de rechter verzoeker kort nadat hij was begonnen om zijn verhaal te doen onderbroken. Hierna heeft de raadsman de rechter

onderbroken en gezegd dat hij vond dat de rechter verzoeker diende te laten uitspreken. De

rechter heeft meegedeeld van mening te zijn dat hij zijn opmerking moest kunnen maken. Hierna is het wrakingsverzoek gedaan.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is - zakelijk weergegeven - gebaseerd op de navolgende gronden.

2.1 De rechter heeft zich partijdig getoond door blijk te geven van desinteresse in hetgeen verzoeker zelf naar voren wenste te brengen met betrekking tot de tegen hem ingebrachte bezwaren.

2.2 Verzoeker is slechts zeer kort in Nederland, zijn kennis van de Engelse taal is zeer beperkt en hij begrijpt niet veel van de Nederlandse rechtgang. Verzoeker verbleef bij een landgenoot in Nederland die hem onderdak heeft aangeboden. In die woning is een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Verzoeker is daar echter niet bij betrokken. Verzoeker vindt het geen onnatuurlijke gang van zaken dat de rechter, nadat de officier van justitie de vordering had toegelicht, eerst aan zijn raadsman het woord heeft gegeven, al had hij zijn visie toen al naar voren willen brengen. Zijn bezwaar is dat de rechter hem het recht heeft ontnomen om als laatste het woord te voeren en om daarbij zelf zijn visie op de vordering tot langdurige vrijheidsbeneming te geven. Al na twee zinnen viel de rechter hem in de rede met de mededeling dat wat hij zei zou moeten worden gezegd bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak. Ook de raadsman werd belet om de bezwaren tegen de vordering naar voren te brengen. Daarop heeft de raadsman namens verzoeker de rechter gewraakt.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft het verzoek bestreden.

Verzoeker wilde beginnen aan een uitgebreide toelichting vanaf zijn aankomst in Nederland. De rechter heeft hem toen onderbroken en wilde uitleggen dat het nog niet om een inhoudelijke behandeling van zijn zaak ging. Hij werd hierin onderbroken door de raadsman. De rechter wilde alleen de goede procesorde bewaken. Daartoe had hij aan het begin van de behandeling de gang van zaken reeds toegelicht. Verzoeker heeft dat begrepen, althans de raadsman heeft daartegen niet geprotesteerd.

4. De reactie van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het verzoek behoort te worden afgewezen. Verzoeker was er kennelijk verbaasd over dat de rechter eerst het woord heeft gegeven aan de raadsman.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek dient voorop te worden gesteld dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door de raadsman namens verzoeker aangedragen - en ter zitting gebleken - feiten en omstandigheden de rechterlijke partijdigheid niet schaden. Niet gebleken is dat de rechter verzoeker (dan wel zijn raadsman) heeft belet dan wel heeft willen beletten om zijn visie op de zaak te geven en verzoeker de gelegenheid heeft ontnomen om nog iets toe te voegen aan hetgeen reeds was gezegd. Vast staat slechts dat de rechter verzoeker heeft onderbroken om zelf een opmerking te maken. Weliswaar was de mededeling van de rechter dat het niet om een inhoudelijke behandeling gaat, niet juist, omdat beoordeeld dient te worden of de verdenkingen tegen verzoeker voldoende zwaarwegend zijn om gevangenhouding te rechtvaardigen, maar het is aannemelijk dat de rechter dit laatste ook duidelijk wilde maken. Hij is kennelijk door (de raadsman van) verzoeker niet goed begrepen en heeft niet de gelegenheid gekregen om zijn standpunt over de goede procesorde in dit verband alsnog naar voren te brengen.

5.3 Het wrakingsverzoek zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.

BESLISSING :

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 13/670487-10 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, A.J.T. Karskens en C.M. Degenaar leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 31 mei 2010 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen de beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.