Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BU4489

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
HA RK 10.574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking op grond van art. 36 Rv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op de civiele rechter.

Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat de rechter geen toestemming heeft gegeven voor het overleggen van een pleitnota. Van de advocaat mag niet worden verwacht dat hij verschillende door rechtbanken te hanteren richtlijnen kent. De rechter heeft de advocaat van verzoeker tijdens de comparitie onderbroken en heeft niet toegestaan dat de advocaat inging op de achtergronden van het geschil. Verzoeker heeft het idee dat hij daardoor niet altijd gelijk wordt behandeld. De rechter heeft verzoeker het woord ontnomen en hem uiteindelijk bevolen de zittingzaal te verlaten. Bij het voorlezen van het proces-verbaal is verzoeker wel aanwezig geweest.

Naar het oordeel van de wrakingskamer dient een comparitie van partijen een ander doel dan een pleidooi. Ongeacht of de door diverse rechtbanken gehanteerde richtlijnen al dan niet bekend mogen worden verondersteld, kan een partij er niet zonder meer vanuit gaan dat er tijdens een comparitie gepleit mag worden en pleitaantekeningen mogen worden overgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verzoeker onvoldoende zijn visie op de zaak heeft kunnen geven. In hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank geen grond te vinden voor de aanname dat de rechter hem niet voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn visie op de zaak te geven. Het door de rechter gegeven bevel aan verzoeker om de zaal te verlaten betreft een beslissing van de rechter, die de rechter op grond van de wet toekomt. Gelet op de achterliggende gedachte bij het wrakingsincident – te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of het voorkomen van de schijn van rechterlijke partijdigheid – kan in een wrakingsprocedure niet worden opgekomen tegen dergelijke onwelgevallige (proces) beslissingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het bij brief van 18 juni 2010 ingediende en onder rekestnummer HA RK 10.574 ingeschreven ver¬zoek tot wra¬king van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. B.J. de Haan,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende stukken:

? het wrakingsverzoek van 18 juni 2010;

? Het proces-verbaal van de zitting van 10 juni 2010;

? De schriftelijke reactie van de rechter van 25 juni 2010.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 7 juli 2010, waar de rechtbank verzoeker, zijn advocaat en de rechter heeft gehoord.

De voorzitter heeft partijen medegedeeld dat zo spoedig mogelijk schriftelijk uitspraak zal worden gedaan waarna de behandeling is gesloten.

De uitspraak is nader bepaald op 14 juli 2010.

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is eiser in een onder rolnummer HA ZA [ ] bij de rechtbank, sector civiel, aanhangige procedure. Gedaagde in die procedure is verzoekers broer.

b) Op 10 juni 2010 heeft ten overstaan van de rechter in deze zaak een compari-tie van partijen plaatsgevonden.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is samengevat gebaseerd op de navolgende ter zitting nader toegelichte gronden.

2.1 Tijdens de op 10 juni 2010 gehouden comparitie van partijen heeft de rechter geen toestemming gegeven voor het overleggen van een pleitnota. Zijn advocaat, werkzaam in een ander arrondissement, is niet bekend met de door de rechtbank ge-hanteerde richtlijnen en deze zijn evenmin eenvoudig te vinden op rechtspraak.nl. In het landelijk rolreglement is daarover niets opgenomen. In het tussenvonnis waarbij de comparitie is bepaald evenmin. Van de advocaat mag niet worden verwacht dat hij verschillende door rechtbanken te hanteren richtlijnen kent.

2.2 De rechter heeft de advocaat van verzoeker tijdens de comparitie onderbroken en heeft niet toegestaan dat de advocaat inging op de achtergronden van het geschil. Verzoeker is juist een bodemprocedure begonnen om de achtergronden van het ge-schil nader toe te kunnen lichten. Er zijn eerdere procedures tussen hem en zijn broer gevoerd, maar dat betrof kort gedingprocedures. In deze procedures was geen plaats voor het horen van getuigen en de drijfveren van verzoeker voor zijn handelen jegens zijn broer komen in een kortgeding onvoldoende uit de verf. Zijn broer is een diplo-maat met aanzien. Verzoeker heeft het idee dat hij daardoor niet altijd gelijk wordt behandeld. Als dan niet wordt toegestaan dat de pleitnota wordt overgelegd en de achtergronden van het geschil niet naar voren mogen worden gebracht, ontstaat bij verzoeker het idee dat de rechter hem onvoldoende in de gelegenheid stelt om zijn visie op de zaak te geven.

2.3 De rechter heeft verzoeker het woord ontnomen en hem uiteindelijk bevolen de zittingzaal te verlaten. Bij het voorlezen van het proces-verbaal is verzoeker wel aanwezig geweest.

Gezien het voorgaande is verzoeker van mening dat de rechter niet onpartijdig is.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De ontvankelijkheid van het verzoek

Het verzoek is ingediend tien dagen na het gewraakte handelen van de rechter ter comparitie, terwijl verzoeker en zijn advocaat bij die comparitie aanwezig waren. Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat hij daags na de zitting overleg heeft gevoerd met een adviseur en daarna zijn advocaat heeft geraadpleegd. De advocaat heeft vervolgens enkele dagen nodig gehad om de wet te bestuderen en zijn cliënt van advies te dienen. De rechtbank acht het verzoek tijdig ingediend. Het gaat om een ingrijpend middel, waarbij enig onderzoek en overleg met de cliënt mag plaatsvinden alvorens het verzoek te doen.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.2 De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

5.3 De rechtbank is van oordeel dat aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen enkele aanwijzing is te ontlenen dat de rechter - subjectief - partijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen aanknopingspunt gevonden.

5.4 Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden een zwaar-wegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaar-digd is.

5.5 De eerste grond betreft het feit dat de rechter geen toestemming heeft verleend aan de advocaat van verzoeker om de pleitnota over te leggen. De rechter heeft op dit punt aangevoerd dat de pleitnota de richtlijn voor spreekaantekeningen zoals gepubliceerd overtrof, terwijl de aard van de zaak een dergelijke omvangrijke toelichting niet rechtvaardigde. Bovendien maakte de wederpartij desgevraagd bezwaar tegen het overleggen van de pleitnota. De pleitnota is echter grotendeels voorgedragen en samengevat opgenomen in het proces-verbaal van de behandeling, aldus de rechter.

5.6 De rechtbank stelt vast dat een comparitie van partijen een ander doel dient dan een pleidooi. Ongeacht of de door diverse rechtbanken gehanteerde richtlijnen al dan niet bekend mogen worden verondersteld, kan een partij er niet zonder meer vanuit gaan dat er tijdens een comparitie gepleit mag worden en pleitaantekeningen mogen worden overgelegd. De handelwijze van de rechter getuigt dan ook niet van vooringenomenheid van de rechter en evenmin kan op grond daarvan bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

5.7 De tweede grond betreft het feit dat de advocaat van verzoeker tijdens zijn pleidooi door de rechter is onderbroken en dat hij de achtergronden van het geschil niet toe mocht lichten. De rechter heeft aangevoerd dat hij de toelichting over de ontstaansgeschiedenis van het conflict tussen partijen in hun jeugd niet relevant achtte voor het voorliggende geschil. Het is de taak van de rechter om het debat tussen partijen te concentreren op het voorliggende geschil. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verzoeker onvoldoende zijn visie op de zaak heeft kunnen geven. De rechter heeft op dit punt aangevoerd dat de advocaat zijn pleitnota met uitzondering van de achtergrond van het conflict heeft kunnen voordragen. Verzoeker is voordat hij de zaal moest verlaten diverse malen aan het woord geweest en heeft ook kennis kunnen nemen van wat zijn broer tijdens zijn afwezigheid heeft verklaard. In hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank geen grond te vinden voor de aanname dat de rechter hem niet voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn visie op de zaak te geven.

5.8 De laatste grond betreft het door de rechter gegeven bevel aan verzoeker om de zaal te verlaten. De rechter heeft aangevoerd dat verzoeker enkele malen het woord is ontnomen als hij geen antwoord gaf op de gestelde vraag maar op andere onderwerpen inging of als hij andere onderbrak. Verzoeker is daarop tweemal gewaarschuwd. Toen hij toch weer het woord nam, is verzoeker bevolen de zaal te verlaten. Het is de taak van de rechter ervoor te waken dat het debat ordelijk verloopt. De advocaat heeft geen bezwaar gemaakt tegen het gegeven bevel. Bij het voorlezen van het proces-verbaal van wat de gedaagde in de procedure heeft verklaard tijdens verzoekers afwezigheid, was verzoeker weer aanwezig.

5.9 Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier een beslissing van de rechter, die de rechter op grond van de wet toekomt. Gelet op de achterliggende gedachte bij het wrakingsincident – te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of het voorkomen van de schijn van rechterlijke partijdigheid – kan in een wrakingsprocedure niet worden opgekomen tegen dergelijke onwelgevallige (proces) beslissingen. Het is immers niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar om te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij is van belang dat slechts dan aanleiding kan bestaan een vooringenomenheid te vermoeden, indien de door de rechter genomen beslissing zo onbegrijpelijk is dat redelijkerwijze daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Daarvan getuigt de genomen beslissing niet.

6. De slotsom is dat het handelen van de rechter, ook in onderling verband en samen-hang bezien, geen blijk geeft van vooringenomenheid. Evenmin kan daaruit de objec-tief gerechtvaardigde vrees bij verzoeker zijn gerezen dat het de rechter aan de beno-digde onpartijdigheid ontbreekt.

7. Op grond van het voorgaande dient het verzoek tot wraking van de rechter te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

? wijst het verzoek tot wraking af;

? bepaalt dat de zaak met het rolnummer HA ZA [ ] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, G.H. Marcus en W.H. de Vries, leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 14 juli 2010, in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.