Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BU3664

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
HA RK 10.614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking ingevolge art. 36 Rv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een kantonrechter.

Verzoeker legt aan het verzoek ten grondslag dat de rechter een verzoek om de eisende partij onder ede te horen heeft afgewezen, ter zitting heeft laten blijken niet te weten dat klager van [ ] afkomst was, contact met de Orde van Advocaten heeft gehad, opmerkingen heeft gemaakt over een belangenafweging, dat de eisende partij en derden (aan de zijde van de eisende partij) uitgebreid aan het woord zijn gelaten zonder dat verzoeker daarop direct mocht reageren, een vraag heeft gesteld die getuigt van vooringenomenheid en de advocaat van de wederpartij heeft gevraagd naar zijn telefoonnummer.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag gelegde punten, op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, een grond op voor de vrees dat de rechter de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking van 2 juli 2010 op het op 2 juli 2010 ter zitting gedane en onder rekest-nummer HA RK 10.614 ingeschreven ver¬zoek tot wra¬king van:

Mr. [ ],

advocaat te Amsterdam,

verzoeker tot wraking,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], kantonrechter, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

Ter zitting van heden heeft verzoeker de rechter gewraakt.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van heden, waar de rechtbank verzoeker, de rechter en de eisende partij in de procedure heeft gehoord.

Verzoeker heeft ter zitting verzocht de rechter onder ede te mogen horen.

Na behandeling ter zitting is na schorsing en hervatting van de behandeling op het verzoek tot wraking beslist. Het verzoek de rechter onder ede te mogen horen is afgewezen en de beslissing op het verzoek is in het openbaar uitgesproken, waarbij is meegedeeld dat de schriftelijke uitwerking zou volgen.

Deze beschikking vormt die uitwerking.

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie in een bij de rechtbank, sector kanton, aanhangige procedure in kort geding. In deze pro-cedure vordert de eisende partij in conventie (hierna te noemen: de eisende partij) samengevat betaling van achterstallige huurpenningen, een boete en ontruiming van de kantoorruimte waar verzoeker kantoor houdt. In reconven-tie vordert verzoeker samengevat ontruiming van de kantoorruimte door ei-sende partij, alsmede die partij een gebod op te leggen zich te onthouden van strafrechtelijke gedragingen en zich te onthouden van het doen van onrecht-matige uitlatingen.

b) De zaak is door de rechter behandeld ter zitting van heden. Verzoeker heeft wraking van de rechter verzocht, waarna de rechter de behandeling ter zitting heeft geschorst.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende zeven gronden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.1 Verzoeker heeft ter zitting een verzoek gedaan om de eisende partij onder ede te mogen horen, welk verzoek door de rechter is afgewezen. Het gaat om een gevoelige zaak waarbij het voor verzoeker van belang is dat de waarheid boven tafel komt. Door het verzoek af te wijzen is het vertrouwen van verzoeker in de rechter ge-schaad.

2.2 De rechter heeft ter zitting gezegd dat zij niet wist dat verzoeker van [ ] af-komst was. Dat had de rechter uit de door verzoeker bij zijn eis in reconventie over-gelegde stukken kunnen weten. Tot die stukken behoorde een door verzoeker inge-stelde klacht tegen de Deken van de Orde van Advocaten waaruit dat blijkt. De rech-ter speelt volgens verzoeker een toneelstukje als zij zegt dat ze niet weet dat hij Itali-aan is.

2.3 De rechter heeft ter zitting aan verzoeker gevraagd wie de bestuurder van zijn Stichting Derdengelden was. Dit is volgens verzoeker geen relevante vraag en doet bij hem het vermoeden rijzen dat de rechter contact heeft gehad met de Orde van Advocaten over de zaak. Verzoeker wenst daarom de rechter onder ede te horen. Ter zitting is ook aan de orde geweest het punt dat cliënten naar verzoeker zijn doorver-wezen. Kennelijk achtte de rechter dit van belang maar dit is evenmin relevant voor de te nemen beslissing in de zaak. De vraag is dan waarom de rechter daaraan aan-dacht besteedt. Het getuigt van vooringenomenheid. De rechter is kennelijk naar iets anders op zoek, aldus verzoeker.

2.4 De rechter heeft ter zitting medegedeeld dat in kortgeding een afweging van be-langen dient te worden gemaakt. Verzoeker is van mening dat de rechter eerst naar de feiten moet kijken, waarna de vraag moet worden beantwoord of die feiten de vorde-ring rechtvaardigen.

2.5 De eisende partij mocht uitgebreid het woord voeren zonder dat verzoeker daarop mocht reageren. Bovendien zijn niet-betrokkenen, onder wie de vrouw van de eisen-de partij, uitgebreid aan het woord gelaten, zonder dat verzoeker daar rechtstreeks op kon reageren. Dat is in strijd met artikel 6 EVRM.

2.6 De rechter was gefixeerd op de in 1998 afgesloten huurovereenkomst. Verzoeker heeft erop gewezen dat niet alleen de huurovereenkomst uitgangspunt dient te zijn voor de beoordeling maar ook de door hem overgelegde stukken (e-mails) waaruit blijkt dat is gesproken over voortzetting van de huurovereenkomst.

2.7 Nadat verzoeker de rechter had gewraakt, is aan de advocaat van de eisende partij gevraagd om opgave van zijn telefoonnummer. Aan verzoeker is niets gevraagd. Verzoeker acht dit in strijd met een gelijke behandeling.

2.8 Gezien het voorgaande is volgens verzoeker sprake van omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande levende vrees objectief gerechtvaardigd is.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechts-vordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lij-den.

4.2 Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij voor-ingenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerecht-vaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3 De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen enkele aanwijzing is te ontlenen dat de rechter - subjectief - partijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen aanknopingspunt gevonden.

4.5 Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden een zwaar-wegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaar-digd is.

4.6 Het eerste bezwaar betreft de afwijzing van de rechter om de eisende partij onder ede te horen. De rechter heeft op dit punt aangevoerd dat zij slechts heeft opgemerkt dat het horen van getuigen onder ede in kort geding niet gebruikelijk is, waarna ver-zoeker daar niet meer op is teruggekomen. Voor zover dit door klager kon worden opgevat als een afwijzing van zijn verzoek, geldt dat het hier gaat om een processuele beslissing van de rechter, die niet in de wrakingsprocedure ter discussie kan worden gesteld. De opmerking getuigt naar het oordeel van de rechtbank niet van vooringe-nomenheid van de rechter en evenmin kan op grond daarvan bij verzoeker de ge-rechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ont-broken.

4.7 Het tweede bezwaar gaat over het feit dat de rechter ter zitting heeft laten blijken niet te weten dat klager van [ ] afkomst was. De rechter heeft aangevoerd dat de opmerking is gemaakt om de lucht te klaren en niet los kan worden gezien van de context waarin de opmerking is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat de rechter de afkomst van klager niet kende onvoldoende grond om te komen tot het oordeel dat de rechter vooringenomen was, noch kan daardoor bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de rechter hierdoor aan onpartijdigheid heeft ontbroken. Er zijn geen aanknopingspunten voor het verwijt dat de rechter een toneelstukje speelde.

4.8 Het derde bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank door verzoeker onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft de rechter ter zitting ontkend enig contact met de Orde van Advocaten te hebben gehad. Voor een verhoor van de rechter onder ede bestaat geen grond, alleen al omdat verzoeker zijn vermoeden dat er wel contact is geweest met de Orde van Advocaten niet heeft onderbouwd. Wat door verzoeker verder op dit punt is aangevoerd, is niet relevant voor enige in het wrakingsincident te nemen beslissing. Vooringenomenheid van de rechter kan daar niet uit worden afgeleid; de vrees daarvoor evenmin.

4.9 Het vierde bezwaar betreft de opmerking van de rechter met betrekking tot de belangenafweging. De rechter in kortgeding heeft een grote vrijheid bij de beoorde-ling van de feiten. De mededeling van de rechter dat zij in dit kortgeding een belan-genafweging dient te maken betreft een (partij neutraal) juridisch oordeel en getuigt niet van vooringenomenheid van de rechter en evenmin kan op grond daarvan bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de rechter aan onpartijdig-heid heeft ontbroken.

4.10 Het vijfde bezwaar betreft het feit dat de eisende partij en derden (aan de zijde van de eisende partij) uitgebreid aan het woord zijn gelaten zonder dat verzoeker daarop direct mocht reageren. De rechter heeft op dit punt aangevoerd dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld zijn pleitnota integraal voor te dragen. Vervolgens is het woord gevoerd door de advocaat van de eisende partij waarna verzoeker in de tweede termijn weer het woord zou zijn gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een gebruikelijke processuele gang van zaken tijdens een zitting. In hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht, is geen grond te vinden voor de aanname dat er sprake is geweest van schending van hoor en wederhoor. De rechter is door het wrakingsverzoek niet toegekomen aan de tweede termijn.

4.11 Ten aanzien van het zesde bezwaar heeft de rechter aangevoerd dat zij in verband met de boete die was geëist ter zitting de vraag heeft gesteld of er een vervaldatum in de overeenkomst was opgenomen. Naar aanleiding van verdere discussie werd de gevorderde boete aanzienlijk verlaagd. Verzoeker heeft niet betwist dat de huurovereenkomst uit 1998 van belang is in verband met de gevorderde boete. De aandacht die de rechter aan de huurovereenkomst heeft besteed, houdt daarmee verband. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt de gestelde vraag dan ook niet van vooringenomenheid noch van de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

4.12 Dit laatste geldt ook voor het bezwaar tegen de aan de advocaat van de wederpartij gestelde vraag naar zijn telefoonnummer. Dit telefoonnummer is door de advocaat van de wederpartij aan de griffier aangeboden omdat hij niet wist of hij in het gebouw zou blijven. Dat de rechter vervolgens niet tevens het telefoonnummer van verzoeker heeft gevraagd, getuigt niet van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Verzoeker was voor de griffier bereikbaar omdat hij bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig zou zijn.

4.13. De slotsom is dat de uitlatingen van de rechter, ook in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien, geen blijk geven van vooringenomenheid noch kan daaruit de objectief gerechtvaardigde vrees bij verzoeker zijn gerezen dat het de rech-ter aan de benodigde onpartijdigheid ontbreekt.

4.14. Op grond van het voorgaande dient het verzoek om wraking van de rechter te worden afgewezen.

B E S L I SS I NG

De rechtbank:

? wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, M. van Hees en P.W. van Straalen,

leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 2 juli 2010, in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.