Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BU3659

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
HA RK 10.66
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 512 Sv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek had betrekking op de leden de meervoudige strafkamer die zijn belast met de behandeling van de strafzaken tegen de verdachten.

De kern van de wrakingsverzoeken is gelegen in het navolgende. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om deelonderzoeken naar enkele onopgeloste moordzaken aan het dossier toe te voegen. Die zaken zijn niet als zodanig ten laste gelegd, maar de kroongetuige La S. heeft daarover wel verklaard. De verdediging wilde de verklaringen aan de hand van de deelonderzoeken toetsen. Mocht de rechtbank hier niet mee instemmen dan dienden de verklaringen van getuige op dit punt op voorhand van het bewijs uitgesloten te worden. De rechtbank heeft deze verzoeken van de verdediging afgewezen. Daarmee had de rechtbank volgens de advocaten blijk gegeven van vooringenomenheid en is daarop gewraakt.

De wrakingskamer concludeert dat er geen sprake is van vooringenomenheid bij de rechters. De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de betrouwbaarheid van de kroongetuige maar deze juist uitdrukkelijk in het midden gelaten. De rechtbank heeft onderkend dat er een verdedigingsbelang is bij toevoeging van die zaaksdossiers aan de stukken, omdat dit een mogelijkheid tot toetsing van de betrouwbaarheid van deze getuige oplevert. De rechtbank heeft dat belang echter niet op laten wegen tegen het opsporingsbelang en het belang van de voortgang van het proces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op de op 26 januari 2010 ter zitting gedane en onder rekestnummer Ha Rk 10.66 ingeschreven ver¬zoeken tot wra¬king van:

1. [ ],

geboren op [ ] te [ ],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [ ], [ ],

gedetineerd in [ ], [ ]te [ ],

verzoeker sub 1,

raadsman: mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam,

en

2. [ ],

geboren op [ ]te [ ],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [ ], [ ],

gedetineerd in [ ], [ ] te [ ],

verzoeker sub 2,

raadsman: mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam,

en

3. [ ],

geboren op [ ] te [ ],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [ ], [ ] te [ ],

verzoeker sub 3,

raadslieden: mrs. S.L.J. Janssen en P.P.C.M. Waarts, beiden advocaat te Amsterdam,

welke verzoeken strekken tot wraking van [ ](voorzitter), [ ] en [ ]leden van de meervoudige kamer, hierna: de rechters.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- het op schrift gestelde wrakingsverzoek van mr. Van der Werf namens verzoeker sub 1;

- een proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2010 van de meervoudige kamer. Dit betreft een letterlijke weergave van een deel van het verhandelde ter terechtzitting van 25 januari 2010 en niet het integrale proces-verbaal terechtzitting. Als bijlage bij dit proces-verbaal is opgenomen de beslissing van de rechters genomen op de zitting van 25 januari 2010 op het

verzoek van verzoekers;

- de schriftelijke reactie van de rechters d.d. 26 januari 2010;

- het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie van 26 januari 2010;

- een ter zitting overgelegd arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de zaak LJN: BB5028 d.d. 8 oktober 2007;

- een wijziging van de tenlastelegging d.d. 25 januari 2010 ten aanzien van verzoeker sub 3

De rechters hebben bij monde van de voorzitter meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 januari 2010 alwaar de rechtbank verzoeker sub 3, mr. B.L.M. Ficq (namens haar kantoorgenoten mrs. Meijering en Van der Werf), mr. Waarts en mr. Janssen heeft gehoord. Voorts zijn de rechters gehoord en de officieren van justitie, waarbij mr. B. Wind mede namens mrs. N.M. van Ditzhuyzen, S. Tammes, M.R.A. IJzendoorn en H. Oppe het woord heeft gevoerd. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010 om 10:30 uur. Deze beschikking vormt de uitwerking van die beslissing

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoekers zijn verdachten in bij deze rechtbank onder parketnummers - respectievelijk - [ ] en [ ], [ ] en [ ] en [ ] en [ ] aanhangige (ter terechtzitting gevoegde)strafzaken.

b) Op de terechtzitting van de meervoudige kamer van 25 januari 2010 hebben verzoekers volgens het proces-verbaal aan de rechters het verzoek gedaan de dossiers inzake de deelonderzoeken in de zaken [ ] (slachtoffer [ ]), [ ] (slachtoffer [ ]) en [ ] (slachtoffer [ ]) toe te voegen aan het dossier, dan wel te besluiten dat de zij bij de vorming van hun eindoordeel geen acht zouden slaan op de verklaringen van getuige [ ].

c) De rechters hebben dat verzoek aan het begin van de middag afgewezen.

De beslissing van de rechters luidt:

• “De rechtbank acht het niet noodzakelijk om de dossiers toe te voegen inzake de deelonderzoeken die niet ten laste zijn gelegd, maar waarover [ ] wel heeft verklaard. Ten laste is gelegd het lidmaatschap van een criminele organisatie met het oogmerk op liquidaties, niet het lidmaatschap van een organisatie die deze liquidaties feitelijk heeft uitgevoerd.

Het is in beginsel aan het OM om het dossier samen te stellen; als het materiaal met betrekking tot de eerste periode van de tenlastelegging onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen, komt dat voor risico van het OM. Het staat de

• verdediging alleszins vrij om bij pleidooi te verdedigen dat de enkele verklaringen van [ ] onvoldoende bewijs vormen voor de eerste ten laste gelegde periode.

• Weliswaar is er mogelijk enig verdedigingsbelang bij toevoeging voor toetsing van de betrouwbaarheid van de kroongetuige, maar naar het oordeel van de rechtbank weegt dit niet op tegen het opsporingsbelang (het gaat immers om lopende onderzoeken naar voltooide liquidaties) in samenhang met de voortgang van het proces.

• De verdediging heeft zeer ruime mogelijkheden gehad om de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen; over de hier aan de orde zijnde verklaringen kan de verdediging hem tijdens de inhoudelijke behandeling van het deelonderzoek criminele organisatie ondervragen, terwijl er nog een aparte mogelijkheid tot ondervraging komt op alle resterende punten.

• Het gaat de rechtbank te ver om reeds op voorhand de verklaringen van [ ] in deze deelonderzoeken van het bewijs uit te sluiten. De rechtbank wil een beslissing op dit punt pas nemen na kennisname van de definitieve standpunten van partijen, in de context van het gehele dossier.”

d) De behandeling van de zaak is daarna voortgezet. Verzoekers sub 1 en 2 waren niet aanwezig. Zij hadden afstand gedaan.

e) Op 26 januari 2010 aan het begin van de zitting is het wrakingsverzoek ingediend. Het verzoek is ingediend door mr. Van der Werf ten behoeve van verzoeker sub 1 en namens zijn kantoorgenoot, mr. Meijering ten behoeve van verzoeker sub 2. Verzoeker sub 3 heeft zich hierbij aangesloten. Ter zitting is door mr. Ficq verklaard dat het verzoek moet worden geacht te zijn gericht tegen de drie beslissende rechters en dus niet tegen het lid van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie.

2. De verzoeken en de gronden daarvan

De verzoeken tot wraking zijn - zakelijk weergegeven - gebaseerd op de navolgende gronden.

2.1 De rechters hebben zich partijdig getoond door hun weigering om te voldoen aan het verzoek en door een aantal uitlatingen (van de voorzitter) tijdens de discussie op de zitting van 25 januari 2010.

2.2 Op de zitting van 25 januari 2010 is een aanvang gemaakt met de behandeling van de tenlasteleggingen gebaseerd op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr). Daarbij bleek dat de rechtbank kennelijk waarde hecht aan de verklaringen van de getuige [ ] over de lopende strafonderzoeken [ ], [ ] en [ ]. Deze zaken vallen binnen de eerste helft van de aan verzoekers ten laste gelegde periode. De rechters hebben bij verzoekers de indruk gewekt dat zij niet zijn geïnteresseerd in onderbouwing van de verklaringen van deze getuige, terwijl zij die wel bruikbaar achten voor het bewijs in de zaken van verzoekers. Bovendien ontnemen de rechters verzoekers de mogelijkheid tot controle van de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuige. Hierdoor wekken de rechters bij verzoekers de indruk dat zij zich reeds een oordeel hebben gevormd over de betrouwbaarheid van deze getuige.

2.3 Bij verzoekers is de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid ook gewekt door een aantal uitlatingen van de voorzitter van de meervoudige kamer op de zitting. Deze uitlatingen luiden ongeveer: “Laat nog even door uw hoofd spoelen wat nodig is voor de bewijsconstructie van opzet bij 140? Dan kun je daar op een andere manier naar kijken; Het is niet nodig voor de bewijsconstructie dat ieder afzonderlijk feit bewezen wordt; Het is best mogelijk dat een of ander lid van de organisatie zich heeft beziggehouden met de voorbereiding van liquidatie van bijvoorbeeld [ ]; Het toevoegen van de deeldossiers is wel een U-bocht van hier tot ginder. Die dossiers zouden bestudeerd en behandeld moeten worden.” Bij verzoekers hebben deze uitspraken de indruk gewekt dat de rechters reeds bezig zijn met het formuleren van het bewijs voor hun veroordeling en eveneens dat zij zich reeds een oordeel hebben gevormd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige. De rechters hebben voorts meermalen te kennen gegeven dat de verdediging bij pleidooi en bij verhoor de verklaring van de getuige ter discussie kan stellen en daarom onvoldoende belang heeft bij voeging. De rechters hebben ook hierdoor bij verzoekers de indruk gewekt dat de betrouwbaarheidsvraag reeds is beantwoord. Ook de proceseconomische redenen die de rechters hebben aangevoerd bij de afwijzing van het verzoek tot voeging dragen daartoe bij, terwijl de onderliggende stukken beschikbaar zijn, want er zijn zaakdossiers bij het Openbaar Ministerie en waarheidsvinding niet ondergeschikt gemaakt mag worden aan het extra werk dat een en ander met zich meebrengt.

3. De reactie van de rechters

3.1 De rechters hebben bij monde van de voorzitter het verzoek bestreden. Verzoeker sub 3 heeft het verzoek niet tijdig gedaan. Hij was ter zitting aanwezig en was toen in de gelegenheid om na overleg met zijn raadslieden het verzoek in te dienen. Diens verzoek en de verzoekers van verzoekers sub 1 en 2 zijn voorts ongegrond.

3.2 Voorafgaand aan de indiening van de verzoeken heeft op de zitting een gedachtewisseling plaatsgevonden over de vereisten van het bewijs van deelname aan een criminele organisatie. De rechters hebben daarbij als standpunt te kennen gegeven dat voor dat bewijs niet iedere concrete liquidatie bewezen behoeft te worden, noch de mogelijke rol van individuele verdachten daarbij en dat het dus de vraag is of toevoeging van de deeldossiers tegen die achtergrond noodzakelijk is. De verdediging heeft bij indiening van de wrakingsverzoeken de juridische juistheid van de opmerkingen van de rechters niet bestreden. Juridisch juiste en van het concrete geval geobjectiveerde opmerkingen kunnen niet de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid opleveren.

3.3 De rechters hebben bewust geen inhoudelijk standpunt ingenomen over de bewijswaarde van de verklaringen. Het gelasten van toevoeging van de betreffende dossiers zou lopende onderzoeken naar voltooide liquidaties mogelijk ernstig kunnen schaden en de voortgang van het proces zou wederom aanzienlijk kunnen worden gestagneerd, zonder dat de tenlastelegging daartoe noopt. Aan de orde is immers niet de vraag of verzoekers hebben deelgenomen aan de feitelijke liquidaties waarop de gevraagde deeldossiers betrekking hebben, maar aan verzoekers wordt verweten dat zij zich in de betreffende periode hebben georganiseerd teneinde liquidaties tot stand te brengen. Gelet op de voortgang van de procedure is enige zorg over de voortgang daarvan alleszins gerechtvaardigd, aldus de rechters.

4. De reactie van de officieren van justitie

4.1 Zij hebben primair aangevoerd dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn, omdat de wrakingsverzoeken niet onverwijld zijn ingediend. Hierbij is een beroep gedaan op de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 8 oktober 2007.

4.2 Subsidiair hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken ongegrond zijn. Er is geen enkele aanleiding voor de veronderstelling dat de rechters zich reeds een oordeel hebben gevormd over de betrouwbaarheid van de getuige en over de bewijswaarde van dat wat zich in het dossier bevindt (waaronder de verklaring van deze getuige).

5. De ontvankelijkheid van de verzoeken

5.1 Op grond van de wet dient het verzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die tot de wraking aanleiding hebben gegeven aan de verzoeker bekend zijn geworden. In deze zaak was dat maandag 25 januari 2010 aan het begin van de middag. Het verzoek is gedaan op dinsdag 26 januari 2010 aan het begin van de zitting.

5.2 Het gaat in deze zaak niet om een wraking louter gebaseerd op een ter zitting gemaakte opmerking, maar om een wraking die betrekking heeft op een juridisch technisch punt in een complexe zaak. Het is begrijpelijk dat de raadslieden enige tijd hebben genomen om zich te beraden en hierover te overleggen met hun cliënt alvorens het ingrijpende middel van wraking in te zetten. Onder deze omstandigheden zijn de verzoeken tijdig gedaan. Dat geldt zowel voor de ter zitting verschenen verzoeker als voor de niet verschenen verzoekers.

6. De beoordeling van de verzoeken

6.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2 Daarbij dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het standpunt van een verzoeker te dien aanzien is wel belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

6.3 Onderzocht dient te worden of de aangevoerde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekers geuite vrees dat de rechters jegens hen een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is.

6.4 Op de zitting is door de verdediging verzocht om toevoeging aan de stukken van de zaaksdossiers in de deelonderzoeken naar de moord op [ ], [ ] en [ ]. Die zaken zijn niet als zodanig ten laste gelegd, maar de getuige [ ] heeft daarover wel verklaard en die verklaring is in het kader van de artikel 140 Sr tenlastelegging door de voorzitter voorgehouden. Bij gebreke van toevoeging van deze zaakdossiers werd de rechtbank verzocht de verklaringen van [ ] op dit punt op voorhand van het bewijs uit te sluiten.

6.5 Door het verzoek om deze zaakdossiers toe te voegen af te wijzen en de verklaringen van [ ] niet op voorhand van het bewijs uit te sluiten, heeft de rechtbank geen blijk gegeven van vooringenomenheid. De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de betrouwbaarheid van deze verklaringen van [ ], maar deze juist uitdrukkelijk in het midden gelaten. De rechtbank heeft onderkend dat er een verdedigingsbelang is bij toevoeging van die zaaksdossiers aan de stukken, omdat dit een mogelijkheid tot toetsing van de betrouwbaarheid van deze getuige oplevert. De rechtbank heeft dat belang echter niet op laten wegen tegen het opsporingsbelang en het belang van de voortgang van het proces. Het blokkeren van verdere mogelijkheden om die verklaringen te toetsen betekent niet dat de rechtbank niet geïnteresseerd zou zijn in de betrouwbaarheid van de verklaring van deze getuige, of haar oordeel daarover al klaar zou hebben. Evenmin kan daaruit bij de verzoekers de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat het de rechters aan onpartijdigheid zou ontbreken.

6.6 Volgens verzoekers is het vooral de wijze waarop de voorzitter een en ander heeft verwoord die blijk geeft van vooringenomenheid. Ter illustratie hebben zij een viertal uitspraken van de voorzitter aangehaald. Die zinsneden komen terug in het uitgewerkte proces-verbaal van de zitting en moeten worden bezien in het geheel van het toen ter zitting behandelde. Uit dat proces-verbaal blijkt dat er een open discussie is geweest over de hiervoor bedoelde verzoeken. Daarbij is tussen de rechters en de verdediging aanvankelijk kennelijk enige verwarring opgetreden over wat men over en weer nu precies bedoelde. In dat licht moeten de uitspraken van de voorzitter worden gezien over wat er nodig is voor het bewijs in een artikel 140 Sr zaak. Toen duidelijk werd dat het alleen ging om het toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [ ] heeft de voorzitter met de uitdrukking “U-bocht van hier tot ginder” kennelijk willen zeggen dat hem veel gelegen is aan de voortgang van het proces.

6.7 Aldus in onderling verband en samenhang bezien geven deze uitspraken geen blijk van vooringenomenheid noch kan daaruit de objectief gerechtvaardigde vrees bij verzoekers zijn gerezen dat het de rechters aan de benodigde onpartijdigheid ontbreekt

7. De wrakingsverzoeken zullen dan ook als ongegrond worden afgewezen.

BESLISSING:

De rechtbank:

- wijst de verzoeken tot wraking af;

- bepaalt dat de behandeling van de zaken met de parketnummers [ ] en [ ] (verzoeker sub 1), [ ] en [ ] (verzoeker sub 2) en [ ] en [ ] (verzoeker sub 3) wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. M.W. van der Veen, G.H. Marcus en A.J. Beukenhorst leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 27 januari 2010 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Coll.:

Tegen de beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.