Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BR3817

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
HA RK 10.639
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking op grond van art. 512 Sv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek had betrekking op twee leden de meervoudige strafkamer die zijn belast met de behandeling van de strafzaken tegen de verdachte.

De kern van het wrakingsverzoek is gelegen in het navolgende. Het verzoek tot wraking berust samengevat op de gedachte dat de voorzitter en de oudste rechter deel hebben uitgemaakt van de combinatie die de zaak tegen een mede verdachte van verzoeker hebben behandeld. Gelet op de verwevenheid tussen de zaak van de medeverdachte en die van verzoeker en de genomen beslissing in die zaak laat het zich raden tot welke beslissing de meervoudige kamer waarvan deze rechters deelt uitmaken zal komen ten aanzien van de verweren en onderzoekswensen van verzoeker. Dat zijn immers dezelfde verweren en onderzoekswensen als in de zaak tegen de medeverdachte.

De wrakingskamer concludeert dat er geen sprake is van vooringenomenheid bij de rechters. Uit het enkele feit dat de rechters onderdeel hebben uitgemaakt van een strafkamer die een ontnemingsvonnis heeft gewezen tegen een medeverdachte van verzoeker, kan nog niet worden afgeleid dat de rechters blijk hebben gegeven van een vooringenomenheid jegens de persoon van verzoeker. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat die strafkamer, in het door haar gewezen vonnis, een zodanig specifiek gemotiveerd en op hetgeen verzoeker eventueel verschuldigd zal zijn hebbend oordeel heeft gegeven dat daaruit een objectief gerechtvaardigd vermoeden valt af te leiden dat de rechters als lid van een strafkamer in een andere samenstelling, bij de behandeling van de ontnemingszaak van verzoeker vooringenomen zullen zijn. De zaak van verzoeker verschilt immers met die van de medeverdachte dat verzoeker door het Gerechtshof is vrijgesproken van het leiding geven aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2011/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 14 juli 2010 ter zitting gedane en onder rekestnummer HA RK 10.639 ingeschreven ver¬zoek tot wra¬king van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

raadsman mr. P.M. Rombouts,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter 1], voorzitter en mr. [rechter 2], lid van de strafkamer belast met de behandeling van een tegen verzoeker ingestelde ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, hierna de rechters.

Verloop van de procedure

Ter zitting van heden heeft verzoeker de rechters gewraakt.

De rechters hebben medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 juli 2010, waar de rechtbank verzoeker, diens raadsman, de rechters en de officier van justitie hebben gehoord.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende processtukken:

? Een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2006 waarbij verzoeker – samengevat - is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar wegens handelen in strijd met de Opiumwet, het bezitten van een vervalst reisdocument en het leidinggeven aan een criminele organisatie;

? Een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam 13 september 2007 waarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd en verzoeker samengevat is veroordeeld wegens handelen in strijd met de Opiumwet en het deelnemen aan een criminele organisatie;

? Een ontnemingsvonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2010 gewezen tegen een medeverdachte in de zaak van verzoeker

Na behandeling ter zitting is na schorsing en hervatting van de behandeling mondeling op het verzoek tot wraking beslist. De beslissing op het verzoek is in het openbaar uitgesproken, waarbij is meegedeeld dat de schriftelijke uitwerking zou volgen. Deze beschikking vormt die uitwerking.

Gronden van de beslissing

1. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking berust samengevat op de gedachte dat de voorzitter en de oudste rechter deel hebben uitgemaakt van de combinatie die de zaak tegen een

mede verdachte van verzoeker hebben behandeld. Gelet op de verwevenheid tussen de zaak van de medeverdachte en die van verzoeker en de genomen beslissing in die zaak laat het zich raden tot welke beslissing de meervoudige kamer waarvan deze rechters deelt uitmaken zal komen ten aanzien van de verweren en onderzoeks-wensen van verzoeker. Dat zijn immers dezelfde verweren en onderzoekswensen als in de zaak tegen de medeverdachte. Ook de conclusies van antwoord en de voordeelsberekening in de zaken tegen verzoeker en de medeverdachte zijn identiek. Verzoeker heeft heb kennis genomen van de beslissingen van de rechtbank in de zaak van de medeverdachte ten aanzien van de onderzoekswensen en de verweren. Kort gezegd betekenen die beslissingen dat de berekening in het door de verbalisant opgestelde ontnemingsrapport is gevolgd ten aanzien van het aantal betrokkenen, de inkoop- en verkoopprijs en het aantal transporten dat is uitgevoerd. Alles wat in de zaak tegen de medeverdachte door de verdediging is aangevoerd, is afgewezen. Verzoeker heeft er geen vertrouwen in dat deze rechters nu tot een ander inzicht zouden kunnen komen.

3. De reactie van de rechters

De rechters hebben bij monde van de voorzitter aangevoerd dat de zaak van verzoeker verschilt van die van de medeverdachte. In de zaak van zowel de medeverdachte als die van verzoeker is een conclusie van antwoord genomen waarop de officier van justitie heeft gedupliceerd. In de conclusie van repliek heeft de officier van justitie een aantal in de conclusie van antwoord gevoerde verweren gehonoreerd. Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld heeft verzoeker geen conclusie van repliek genomen. In de zaak van verzoeker zal de raadsman nog de gelegenheid krijgen om ter zitting zijn verweer te voeren.

4. Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie stelt zich samengevat op het standpunt dat het enkele feit dat de rechters deel hebben uitgemaakt van de meervoudige kamer die het vonnis tegen de medeverdachte van verzoeker hebben gewezen, niet maakt dat de rechters niet meer onpartijdig zouden zijn. Bovendien verschillen de zaken van elkaar in die zin dat de medeverdachte in de strafzaak als leidinggevende is veroordeeld. Verzoeker is daarvan door het Gerechtshof vrijgesproken. Het is de keuze van de verdediging geweest eerst samen op te trekken in de conclusie van antwoord. Dit betekent niet dat de raadsman van verzoeker niet meer in de gelegenheid is ter zitting zijn punten naar voren te brengen. De raadsman heeft niet gereageerd op de conclusie van repliek. De raadsman wilde eerst het vonnis in de zaak van de medeverdachte bestuderen. Dat vonnis is hem door het OM toegezonden maar hij heeft geen gelegenheid gemaakt van de mogelijkheid een conclusie van dupliek te nemen. Naar de mening van het OM dient het verzoek te worden afgewezen.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3 De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen enkele aanwijzing is te ontlenen dat de rechters - subjectief - partijdig zijn. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen aanknopingspunt gevonden.

5.5 Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is.

5.6 Uit het enkele feit dat de rechters onderdeel hebben uitgemaakt van een strafkamer die een ontnemingsvonnis heeft gewezen tegen een medeverdachte van verzoeker, kan nog niet worden afgeleid dat de rechters blijk hebben gegeven van een vooringenomenheid jegens de persoon van verzoeker. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat die strafkamer, in het door haar gewezen vonnis, een zodanig specifiek gemotiveerd en op hetgeen verzoeker eventueel verschuldigd zal zijn hebbend oordeel heeft gegeven dat daaruit een objectief gerechtvaardigd vermoeden valt af te leiden dat de rechters als lid van een strafkamer in een andere samenstelling, bij de behandeling van de ontnemingszaak van verzoeker vooringenomen zullen zijn. De zaak van verzoeker verschilt immers met die van de medeverdachte dat verzoeker door het Gerechtshof is vrijgesproken van het leiding geven aan een criminele organisatie.

5.7 In het bijzonder is in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen objectieve rechtvaardiging te vinden voor de vrees dat de strafkamer, waarvan de rechter deel uitmaakt, bij de beoordeling van hetgeen verzoeker wordt telastegelegd niet uitsluitend zal oordelen op de grondslag van de vordering en hetgeen in zijn zaak nog door verzoeker naar voren zal worden gebracht, maar zich zal laten leiden door hetgeen reeds is beslist in de andere zaak. Immers slechts van belang is of de strafkamer waarvan de rechters deel hebben uitgemaakt reeds zo specifiek en/of zodanig gemotiveerd op de nog te behandelen zaak van verzoeker is vooruitgelopen dat moet worden aangenomen dat de strafkamer zich in de zaak tegen verzoeker op enigerlei wijze gebonden zal achten.

5.8 Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is te laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en daarbij hetgeen hij (mede) heeft beslist in een andere zaak tegen andere mede(verdachten) buiten beschouwing te laten. Verzoeker zal nog de gelegenheid hebben hetgeen tegen hem is ingebracht te bespreken, aan te vechten en verzoeken te doen. Bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval anders moet worden geoordeeld zijn niet gebleken.

5.9 Nu van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, niet is gebleken, heeft de rechter geen gronden gegeven voor de vrees dat het hen bij de behandeling van deze zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt, zodat het wrakingsverzoek als ongegrond dient te worden afgewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I SS I NG

De rechtbank:

? wijst het verzoek tot wraking af;

? bepaalt dat de behandeling van de zaak tegen verzoeker zal worden hervat in de stand waarin deze zich ten tijde van het doen van het wrakingsverzoek bevond.

Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, G.H. Marcus en A.J. Dondorp,

leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 14 juli 2010, in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.