Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BQ5702

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
13.706255-10, 10/2348
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Frankrijk van Nederlander toegestaan. Garantie art 12 OLW voldoende en terugkeergarantie. Franse douane bepalingen. Verweer overlevering niet opportuun gelet op de reeds in voorl hechtenis doorgebrachte tijd en terugkeer naar Nederland verworpen. De OLW voorziet voorts niet in het stellen van een termijn voor teruglevering naar onherroepelijk worden van het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706255-10

RK nummer: 10/2348

Datum uitspraak: 1 juni 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 april 2010 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 23 februari 2010 door de Advocaat-Generaal bij het Parquet General de la Cour d’Appel de Bordeaux, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

wonende op het adres [adres].

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 mei 2010. Daarbij zijn de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. M.J. van Gessel, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB liggen een aanhoudingbevel van de Voorzitter van het Hof van Assisen van de Gironde van 7 september 2009 en een vonnis van het Hof van Assisen van de Gironde van 21 mei 2008 ten grondslag.

Bij dit vonnis is aan de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf van 5 jaren opgelegd.

Het EAB houdt, gelet op het hieronder, onder punt 5 overwogene, het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan 5 naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

De feiten zijn in onderdeel e) van het EAB – kort gezegd - als volgt omschreven:

Op 17 december 2003 is bij een controle van een vrachtwagenstel door ambtenaren van het douanekorps van Ulis (Essonne) aan de tolmuur van Saint-Arnoult-en Yvelines (Yvelines) een lading van 3.870 kilogram cannabishars, verborgen onder laadborden, ontdekt.

De twee chauffeurs, [opgeëiste persoon] en [chauffeur 1] wisten van de ongeloorloofde aard van de lading en beschreven het bestaan van een omvangrijke gestructureerde criminele organisatie.

De rechtbank begrijpt het EAB aldus dat de Franse autoriteiten voor bovenstaand feitencomplex de overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken. Waar zij spreken over vijf strafbare feiten begrijpt de rechtbank het verzoek zo dat hiermee gedoeld wordt op de vijf verschillende Franse kwalificaties die aan het feitencomplex betreffende de aangetroffen cocaïne op 17 december 2003 kunnen worden gegeven.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt en daarbij in onderdeel e) de lijstfeiten Deelneming aan een criminele organisatie en Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen aangekruist.

Het IRC heeft de uitvaardigende autoriteit op 19 april 2010 om nadere informatie verzocht ten aanzien van het aangekruiste lijstfeit Deelneming aan een criminele organisatie en verzocht om een nadere omschrijving van de feiten en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon, indien het zou gaan om een aparte strafbaarstelling van een criminele organisatie en de periode waarin dit feit heeft plaatsgevonden.

Bij brief van 20 april 2010 heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof van Beroep van Bordeaux meegedeeld dat de opgeëiste persoon in Frankrijk veroordeeld is voor inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen gepleegd in georganiseerde bende. Om die reden is in het EAB het vakje Deelneming aan een criminele organisatie aangekruist. Het plegen van een strafbaar feit in georganiseerde bende is in het Franse recht een verzwarende omstandigheid.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de brief van 20 april 2010 genoegzaam blijkt dat het niet de bedoeling is om de opgeëiste persoon afzonderlijk te vervolgen voor deelneming aan een criminele organisatie en dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet in redelijkheid dat lijstfeit heeft aangekruist.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de mededeling van de Advocaat-Generaal van 20 april 2010 alsmede de hierboven onder 2. opgenomen omschrijving van het feitencomplex, voor wat betreft de periode en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon, de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft kunnen aanduiden als Deelneming aan een criminele organisatie.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij ten aanzien van het in georganiseerd verband plegen van handel in verdovende middelen wel in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat voor deze omschrijving het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Dit feitencomplex valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel van het feitencomplex, te weten het smokkelen van verboden goederen, niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De raadsman heeft aangevoerd dat geen overlevering zou mogen plaatsvinden waar het de overtreding van de Franse douanebepalingen betreft.

De rechtbank neemt het volgende in overweging.

De Franse justitiële autoriteiten hebben in de omschrijving in het EAB onder e) II aangegeven dat het feit dat niet als lijstfeit onder e)I is aangekruist ziet op het smokkelen van verboden goederen.

Op dit feit is in Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste 12 maanden gesteld.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat, mede gelet op bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad in uitleveringszaken, in het onderhavige geval de strafbaarstelling in de Franse douanewetgeving, waarop het overleveringsverzoek – deels – is gebaseerd, in de kern eenzelfde rechtsgoed beoogt te beschermen als artikel 2, onder A, Opiumwet. Hierop is een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld en is daarmee voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.

Daarbij doet niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beoogt te beschermen als de Nederlandse strafbaarstelling.

Dit deel van het feitencomplex levert naar Nederlands recht op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A en B, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW

Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting naar aanleiding waarvan dat vonnis is gewezen.

Op grond van artikel 12 OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voldoende garantie geeft, dat de opgeëiste persoon na de overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel d) van het EAB de volgende garantie gegeven:

Krachtens het artikel 379-4 van het Franse Wetboek van Strafvordering is, indien de beschuldigde veroordeeld bij verstek zich overgeeft of aangehouden wordt voordat de straf vervalt door verjaring, het arrest van het Hof van Assisen automatisch van gener waarde in al zijn bepalingen en wordt overgegaan tot een nieuw hoor en wederhoor van de zaak.

Voorts is deze garantie nogmaals bevestigd en aangevuld bij brief van 5 mei 2010 van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Beroep van Bordeaux. Uit deze brief blijkt het onder meer het volgende:

Op grond van artikel 379-4 van het Franse Wetboek van Strafvordering zal [opgeëiste persoon] verplicht opnieuw berecht worden door het Hof van Assisen van de Gironde in geval van overlevering door de Nederlandse rechterlijke autoriteiten en zal hij aanwezig (kunnen) zijn op de zitting en kunnen genieten van de bijstand van een advocaat voor de verdediging van zijn belangen.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12 OLW.

Nu uit de gegeven garantie volgt dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, verstaat de rechtbank het EAB aldus dat het strekt tot strafvervolging van de opgeëiste persoon.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie geeft.

Het Franse Ministerie van Justitie, directie Criminele zaken en gratie heeft op 20 april 2010 de volgende garantie gegeven:

In antwoord op uw verzoek heb ik de eer u mede te delen dat het Franse Ministerie van Justitie en Vrijheid de garantie verleent volgens welke, als [opgeëiste persoon] tijdens een nieuw proces dat automatisch plaats moet vinden overeenkomstig artikel 379-4 van het Wetboek van Strafvordering, veroordeeld zou worden tot een definitieve vrijheidsstraf voor de feiten waarvoor zijn uitlevering verzocht is, hij zijn straf in Nederland kan uitzitten en wel in het kader van de aanpassing daarvan door de gerechtelijke autoriteiten van Nederland via de omzetprocedure beschreven bij artikel 11 van de overeenkomst van 21 maart 1983 met betrekking tot het overbrengen van veroordeelde personen.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A en B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van het feitencomplex waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Verweren

De raadsman

De raadsman heeft naar voren gebracht dat overlevering van de opgeëiste persoon in dit geval niet opportuun is. Gelet op de tweeëneenhalf jaar die de opgeëiste persoon al in Frankrijk in detentie heeft verbleven en de te verwachten duur van een herberechting aldaar, zal de opgeëiste persoon zeer waarschijnlijk afstand doen van het recht de zaak opnieuw in zijn aanwezigheid te laten behandelen. De verwachting is voorts dat, na het onherroepelijk worden van het vonnis, het nog lange tijd zal duren voordat de opgeëiste persoon naar Nederland zal worden overgebracht en aannemelijk is dat hij die tijd in Franse detentie zal moeten doorbrengen. De raadsman heeft zich daarbij gebaseerd op andere aan hem bekende Franse overleveringszaken waarbij het zeer lang heeft geduurd voordat de opgeëiste personen konden terugkeren naar Nederland. Omgerekend naar Nederlandse maatstaven heeft de opgeëiste persoon op dit moment al lang genoeg gedetineerd gezeten. Elke dag in detentie is er één teveel, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling aan te houden teneinde de Franse justitiële autoriteiten te vragen op welke gronden de opgeëiste persoon destijds in Frankrijk op vrije voeten is gesteld. Indien de voorlopige hechtenis op een eerder moment is opgeheven, is niet duidelijk waarom op dit moment zijn overlevering wordt verzocht.

Meest subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht, indien de overlevering wordt toegestaan, in de uitspraak te bepalen dat de opgeëiste persoon binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis terug kan keren naar Nederland, zodat in die zin enigszins tegemoet kan worden gekomen aan zijn belangen.

De officier van justitie.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd, waarbij de opgeëiste persoon recht heeft op een nieuwe behandeling van zijn zaak. Nu het een Nederlander betreft dient de overlevering te worden toegestaan ter vervolging en berechting van zijn zaak. Welke straf uiteindelijk in Frankrijk aan hem wordt opgelegd en welke straf daar vervolgens in Nederland na omzetting op zal volgen is een vraag die op dit moment niet ter beoordeling voorligt aan de rechtbank.

De officier van justitie heeft zich voorts verzet tegen aanhouding van de behandeling teneinde nadere vragen te stellen aan de Franse justitiële autoriteiten ten aanzien van de onderbreking van de detentie in Frankrijk, nu dit in zou druisen tegen het vertrouwensbeginsel.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het meest subsidiaire verzoek op het standpunt gesteld dat de wet niet voorziet in die mogelijkheid.

De rechtbank overweegt het volgende

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat op dit moment overlevering niet opportuun is. Overlevering wordt gevraagd terzake een nog niet onherroepelijk vonnis, waarbij de opgeëiste persoon het recht heeft op een nieuwe inhoudelijke behandeling van zijn zaak. De vraag welke straf uiteindelijk in Frankrijk zal worden opgelegd en of - in het kader van een overdracht van de tenuitvoerlegging van de Franse straf door Nederland - een naar Nederlandse maatstaven op te leggen straf al dan niet reeds is uitgezeten is daarmee nog niet aan de orde.

De rechtbank zal de behandeling van het overleveringsverzoek evenmin heropenen en aanhouden om navraag te doen naar de beweegredenen van de Franse justitie om de opgeëiste persoon op 8 juni 2006 in vrijheid te stellen. Gelet op het in het overleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank ervan uit dat de Franse justitiële autoriteiten bij de afweging tot het uitvaardigen van een EAB rekening hebben gehouden met de reeds door de opgeëiste persoon in detentie doorgebrachte tijd en daarbij de redenen die tot beëindiging van die detentie hebben geleid in aanmerking hebben genomen.

Ten aanzien van het meest subsidiaire verzoek is de rechtbank van oordeel dat de wet niet voorziet in het stellen van een termijn aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor teruglevering van de opgeëiste persoon na het onherroepelijk worden van het vonnis.

De rechtbank vertrouwt er echter op dat de Franse justitiële autoriteiten zullen trachten, mede gelet op de reeds in Frankrijk ondergane detentie, de opgeëiste persoon zo spoedig mogelijk naar Nederland terug te laten keren nadat het vonnis in Frankrijk onherroepelijk is geworden, zodat hij het restant van de aan hem opgelegde straf in Nederland kan uitzitten.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van het feitencomplex waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Advocaat-Generaal bij het Parquet General de la Cour d’Appel de Bordeaux (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feitencomplex van 17 december 2003, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. L. Biller, voorzit¬ter,

mrs. J.W. Vriethoff en W.H. van Benthem, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2010.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C