Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP8865

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
449509 - HA ZA 10-322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Eindvonnis zie lj nummer BP8386.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 449509 / HA ZA 10-322

Vonnis in incident van 25 augustus 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

BANK INSINGER DE BEAUFORT N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. B.L.P. van Reeken te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CENTRIC FINANCIAL SOLUTIONS & SERVICES B.V.,

gevestigd te Gouda,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. H. Struik te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

ORDINA N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.H.R.N.Y. Cordewener te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Insinger de Beaufort, Centric en Ordina genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de gelijkluidende dagvaarding van 9 en 13 en14 januari 2010, met producties

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van Centric

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van Ordina

- de conclusie van antwoord in het incident tot vrijwaring inzake de oproeping van Liberty Mutual Insurance Europe Ltd, Zurich Insurance P.L.C. en CNA Insurance Company Ltd, tevens voorwaardelijk verzoek tot splitsing, tevens akte houdende overlegging producties van de zijde van Insinger de Beaufort

- de conclusie van antwoord in het incident tot vrijwaring inzake de oproeping van Centric Holding B.V., tevens voorwaardelijk verzoek tot splitsing, tevens akte houdende overlegging producties van de zijde van Insinger de Beaufort

- de nadere conclusie in het incident van de zijde van Centric, met productie

- de antwoordakte in het incident tot oproeping in vrijwaring van de zijde van Ordina.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten in het incident

2.1. De rechtbank zal in het incident van de volgende feiten uitgaan.

2.2. Insinger de Beaufort is een bank en beleggingsonderneming die aan particuliere en professionele partijen financiële producten en diensten aanbiedt.

2.3. Centric is een onderneming die outsourcingdiensten verleent aan financiële instellingen. Insinger de Beaufort en Centric hebben in september 2005 een outsourcingovereenkomst gesloten.

2.4. Ordina heeft (als verkoper) op 26 februari 2009 een koopovereenkomst gesloten met Centric Software Engineering Holding B.V. (als koper), ten aanzien van alle aandelen in het kapitaal van Centric (toen nog handelend onder de naam Ordina BPO B.V.). Ordina heeft de nakoming van de outsourcingovereenkomst door Centric aan Insinger de Beaufort gegarandeerd.

2.5. In de hoofdzaak vordert Insinger de Beaufort onder meer een hoofdelijke veroordeling van Centric en Ordina tot betaling van een bedrag van (primair) EUR 17.000.000,-, althans (subsidiair) EUR 11.890.000,-, vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de outsourcingovereenkomst door Centric, alsmede schadevergoeding op te maken bij staat in verband met tekortkomingen door Centric en Ordina in de nakoming van de onder 2.3 bedoelde overeenkomst.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Centric vordert vóór alle weren dat het haar wordt toegestaan de verzekeraars Liberty Mutual Insurance Europe Ltd., Zurich Insurance P.L.C. en CNA Insurance Company Ltd. (hierna: de Verzekeraars) in vrijwaring op te roepen.

Ordina vordert vóór alle weren dat het haar wordt toegestaan Centric Holding B.V. in vrijwaring op te roepen.

Insinger de Beaufort voert verweer tegen beide vorderingen en verzoekt op haar beurt voorwaardelijk – indien de incidentele vorderingen tot oproeping in vrijwaring worden toegewezen – splitsing van de hoofdzaak en de beide vrijwaringsprocedures. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.2. Voor toewijzing van een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is nodig dat de gedaagde partij in de hoofdzaak voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de in vrijwaring op te roepen derde(n) krachtens zijn/hun rechtsverhouding tot hem de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gewaarborgde in de hoofdzaak dienen te dragen.

3.3. De rechtbank zal de incidentele vorderingen van Centric en Ordina ieder afzonderlijk behandelen.

De incidentele vordering van Centric

3.4. Centric stelt dat de Verzekeraars krachtens hun rechtsverhouding tot haar de voor Centric nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak zouden moeten dragen, omdat tussen Centric en de Verzekeraars overeenkomsten zijn gesloten waaruit dat blijkt. Nu Centric geen afschriften van de polissen heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel – mede in het licht van het verweer van Insinger de Beaufort op dit punt – dat thans niet kan worden gezegd dat deze stelling van Centric voldoende is onderbouwd. Het ligt op de weg van Centric om haar stellingen aannemelijk te maken, door het overleggen van de betreffende verzekeringspolissen. Zij zal daartoe thans in de gelegenheid worden gesteld.

3.5. Indien op het eerste gezicht daadwerkelijk sprake is voor verzekeringsdekking van het bedrag aan schadevergoeding dat Centric krachtens een rechterlijke uitspraak gehouden is aan derden te betalen, zoals Centric stelt, is het belang van Centric bij en de gegrondheid van haar incidentele vordering gegeven. Voor de beoordeling van de vraag of Centric in de gelegenheid moet worden gesteld de verzekeraars in vrijwaring op te roepen, is – anders dan Insinger de Beaufort stelt – niet van belang of de Verzekeraars de claim kennen en of zij de dekking betwisten. Evenmin is voor die beoordeling van belang dat de verzekeraars in het buitenland zijn gevestigd en vermoedelijk aldaar zullen moeten worden gedagvaard.

3.6. Insinger de Beaufort voert nog aan dat de onderhavige incidentele vordering een onredelijke en onnodige vertraging oplevert en om die reden moet worden afgewezen. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Weliswaar heeft het enige tijd geduurd voordat Centric de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring heeft ingesteld, maar dat is op zichzelf nog geen reden voor afwijzing. De rechtbank ziet geen aanleiding om de hoofdprocedure nog langer aan te houden in afwachting van de eindbeslissing in het vrijwaringsincident. De hoofdzaak zal dan ook verwezen worden naar de rol voor het nemen van de conclusie van antwoord aan de zijde van Centric en Ordina. Gezien het aantal reeds gehonoreerde uitstelverzoeken sinds het uitbrengen van de dagvaarding, wordt van Centric en Ordina verwacht dat zij op de eerstvolgende roldatum ook daadwerkelijk van antwoord dienen.

3.7. De rechtbank merkt hierbij op dat nu de rechtsverhoudingen in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak los van elkaar staan, er geen noodzaak is de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gezamenlijk te behandelen. Er zal dan ook geen gecombineerde comparitie na antwoord worden bepaald. Eventuele toewijzing van het vrijwaringsverzoek zal daarom geen vertraging van de behandeling van de hoofdzaak opleveren.

3.8. Het voorwaardelijk verzoek van Insinger de Beaufort tot splitsing ex artikel 215 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) kan onbesproken blijven. De hoofdzaak en de vrijwaringsprocedure(s) zijn afzonderlijke procedures. Van splitsing van procedures is dan ook geen sprake. Artikel 215 Rv. bepaalt slechts dat indien de hoofdzaak en de zaak in vrijwaring niet tegelijk in staat van wijzen zijn, op de hoofdzaak afzonderlijk kan worden beslist. Van een dergelijke situatie is in dit stadium in elk geval (nog) geen sprake.

De incidentele vordering van Ordina

3.9. Ordina stelt dat Centric Holding B.V. zich op grond van de koopovereenkomst tussen Ordina en Centric Software Engineering Holding B.V. heeft verplicht Ordina schadeloos te stellen voor alle bedragen die Ordina uit hoofde van enige door haar ten behoeve van bepaalde derden afgegeven moedergarantie (waaronder de ten gunste van Insinger de Beaufort afgegeven garantie) heeft betaald of dient te betalen. Nu Ordina geen afschrift van de betreffende koopovereenkomst heeft overgelegd waaruit de gestelde garantstelling blijkt, is de rechtbank van oordeel – mede in het licht van het verweer van Insinger de Beaufort op dit punt – dat thans niet kan worden gezegd dat deze stelling van Ordina voldoende is onderbouwd. Het ligt op de weg van Ordina om haar stellingen aannemelijk te maken, door het overleggen van de betreffende garantstelling. Zij zal daartoe thans in de gelegenheid worden gesteld.

3.10. Indien daadwerkelijk sprake is van een garantstelling door Centric Holding B.V., zoals Ordina stelt, is haar belang bij en de gegrondheid van haar incidentele vordering gegeven. Voor de beoordeling van de vraag of Ordina in de gelegenheid moet worden gesteld Centric Holding B.V. in vrijwaring op te roepen is – anders dan Insinger de Beaufort stelt – niet van belang of Centric Holding B.V. de garantie betwist.

3.11. Ten aanzien van het verweer van Insinger de Beaufort dat de onderhavige incidentele vordering een onredelijke en onnodige vertraging oplevert, wordt verwezen naar hetgeen daarover onder 3.6 en 3.7 is overwogen. Wat betreft het voorwaardelijk verzoek van Insinger de Beaufort tot splitsing ex artikel 215 Rv. Wordt verwezen naar hetgeen daarover onder 3.8 is overwogen.

3.12. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. verwijst de zaak naar de rol van 8 september 2010 voor akte aan de zijde van Centric, zoals omschreven in r.o. 3.4, alsmede voor akte aan de zijde van Ordina, zoals omschreven in r.o. 3.9,

in de hoofdzaak

4.2. verwijst de zaak naar de rol van 6 oktober 2010 voor conclusie van antwoord van de zijde van Centric en Ordina,

In de hoofdzaak en het incident

4.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.?