Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP7902

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
442376 / HA ZA 09-3536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie? Artikel in tijdschrift zou te veel onwaarschijnlijkheden en onaannemelijkheden bevatten alsmede onjuiste beschuldigingen van het plegen van strafbare feiten. Schending hoor en wederhoor?

Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 442376 / HA ZA 09-3536

Vonnis van 24 november 2010

in de zaak van

R. AA,

wonende te D,

eiser,

advocaat mr. H.A.J.M. van Kaam te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging naar burgerlijk recht

KONINKLIJK NEDERLANDSCH GENOOTSCHAP VOOR GESLACHT- EN WAPENKUNDE,

gevestigd te ’s-Gravenhage ,

2. R. G. BB,

wonende te S,

gedaagden,

advocaat mr. C. van Schaik te Zwolle.

Partijen zullen hierna AA, KNGGW en BB worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 23 producties;

- de conclusie van antwoord met 44 producties;

- het tussenvonnis van 28 juli 2010, waarbij de vordering van KNGGW en BB tot onbevoegdheid van deze rechtbank is afgewezen en een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. AA is [beroep] en [functie] van de Vereniging 1 in Nederland. Hij heeft deze vereniging omstreeks [jaartal] samen met A.A. CC (hierna: CC) opgericht.

2.2. De vader en de twee broers van AA hebben op enig moment verzocht om inlijving in de Nederlandse adel, omdat zij, naar zij stellen, in wettelijke lijn afstammen van een Duits adellijk geslacht. Zij hebben ter onderbouwing van hun verzoek een adelsdiploma, een verklaring van ‘het Heroldsamt’ en afstammingsbewijzen ingediend. Bij besluiten van [datum] en [datum] heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de minister), na advies van de Hoge Raad van Adel, de verzoeken afgewezen. Bij besluit van [datum] heeft de minister het daartegen door de vader en twee ooms van AA gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van [datum] heeft de Rb. te 's-Gravenhage het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van [datum] bevestigd. Inlijving in de Nederlandse adel is geweigerd omdat Duitsland geen wettelijk erkende adel kent en artikel 8 van de Wet op de adeldom zich in dat geval verzet tegen inwilliging van een verzoek om inlijving in de Nederlandse adel.

2.3. Het inlijvingsverzoek is aan de orde geweest in diverse media. Het kreeg aandacht in Krant 1 van [datum] en Krant 2 van [datum]. AA werkte mee aan artikelen in Krant 3 van datum en Tijdschrift 1 in [jaartal]. In de Krant 3 wordt AA onder andere als volgt geciteerd:

“De Hoge Raad heeft geblunderd, maar wil dat niet toegeven. (…) Als ik eerlijk was behandeld en verloren had, zou ik me erbij neerleggen. Maar door het willekeurige beleid en onrechtvaardige beleid ga ik door met vechten.”

“Ik wil de discriminatie van buitenlandse adel bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aan de kaak stellen.”

Naar aanleiding van het feit dat de heer DD (hierna DD) van de Hoge Raad van Adel heeft gezegd dat het om hooguit drie families van buitenlandse adel gaat die een inlijvingsverzoek willen doen, zegt AA in de Krant 3:

“Ik heb vier zaken in behandeling. DD liegt daarom als hij zegt dat er maar drie aanvragen zijn ingediend. Bij mijn weten zijn het er minstens tien.”

In de Tijdschrift 1 is onder andere het volgende citaat van AA te vinden:

“De Hoge Raad van Adel heeft mij tot querulant gemaakt.”

Naar aanleiding van het advies van de Hoge Raad van Adel aan de minister zegt AA voorts:

“Ze meten met twee maten. (…) Maar de minister is voorgelogen door de Hoge Raad van Adel.”

2.4. KNGGW is een vereniging die zich bezighoudt met genealogie en heraldiek. Zij is in 1883 opgericht en stelt zich ten doel de wetenschappelijke beoefening van de geslacht- en wapenkunde in ruime zin. Zij tracht dit doel onder andere te bereiken met de uitgave van een tijdschrift met de titel ‘Tijdschrift 2’.

2.5. BB is [beroep] en [beroep]. Hij is onder andere [functie] van de Nederlandse Vereniging van Historische Onderzoeksbureaus, [functie] van de Indische Navorscher (het jaarboek van de Indische Genealogische Vereniging) en auteur van verschillende publicaties op het gebied van genealogie. Hij is lid van de Werkgroep Adelsgeschiedenis en opgenomen in een in [datum] door het Centraal Bureau voor Genealogie gepubliceerde lijst van Nederlandse genealogische onderzoekers. In die lijst is BB geplaatst in de meest deskundige categorie.

2.6. In [datum] heeft het KNGGW een door BB geschreven artikel gepubliceerd in Tijdschrift 2. Dit artikel heeft de titel ‘--’ (hierna: het artikel). BB heeft het artikel tevens op zijn eigen website geplaatst. Het artikel bestaat uit 16 pagina’s. In het artikel gaat BB in op de weigering om de vader en de twee broers van AA in te lijven in de Nederlandse adel. In het artikel schrijft BB onder andere het volgende:

Inleiding

‘De Hoge Raad van Adel heeft mij tot querulant gemaakt [...] We behoren tot de Duitse adelstand. Mijn familie is opgenomen in het Duitse adelsboek. Het originele adelsdiploma van mijn familie ligt thuis’.

Aldus sprak AA tijdens het interview dat hij medio 2004 met een verslaggever van het blad Tijdschrift 1 had. AA, die zich bij gelegenheid ook presenteert als Freiherr von AA of baron von AA, was boos aangezien zijn verzoek met de titel baron in de Nederlandse adel te worden ingelijfd, om formele redenen op een onverbiddelijk nee stuitte. Wat hem betreft, maakte de Nederlandse overheid zich daarmee schuldig aan discriminatie. In zijn ogen was dat vooral in de hand gewerkt door de leugenachtigheid van de Hoge Raad van Adel, die de Minister verkeerd zou hebben geïnformeerd.

(…)

Zoals gezegd, zagen AA en CC zich op formele grond (…) de toegang tot de Nederlandse adel ontzegd. Hun inlijvingsverzoeken zijn getoetst aan het in ons land vigerende adelsbeleid en de boosheid en kritiek van beide indieners betrof dan ook met name de adelsrechtelijke kant van hun zaak. Het genealogische aspect is tot op heden geheel buiten beschouwing gebleven. De afwijzing van hun inlijvingsverzoeken zegt daarom niets over de vraag of zij zich al dan niet terecht beroepen op een (buitenlandse) adellijke afstamming. Teneinde het antwoord daarop te vinden, moet men het domein van het (Nederlandse) adelsrecht en inlijvingsbeleid verlaten en zich op het werkterrein van de genealoog begeven.

AA en CC publiceerden in [jaartal] in Nederlandse Genealogieën elk een artikel over hun familie, dat – zo mag worden verondersteld – mede tot doel had hun inlijvingsverzoeken kracht bij te zetten. Daarnaast liet AA nog via enkele andere publicaties van zich horen, waardoor de vermeende adeldom van zijn familie extra onder de aandacht werd gebracht. Hun inlijvingsverzoeken en publicaties, alsmede de media-aandacht die zij zochten en kregen, maken het de moeite waard eens kritisch te kijken naar de manier waarop beiden hun pretenties genealogisch en heraldisch onderbouwden.

In dit artikel staat dan ook de vraag centraal of zij aannemelijk hebben gemaakt dat hun claims serieus genomen dienen te worden.

Casus AA

(…)

Resumerend kan worden gesteld dat de beweerde afstamming van de familie AA uit het Duitse oeradellijke geslacht Von AA niet is aangetoond en dat J. AA (generatie VI in bovenstaande stamreeks en generatie I bij GG) nog steeds als haar oudst bewezen stamvader moet worden beschouwd.

Adeldom van de familie AA

(…)

De tekst van het diploma maakt duidelijk dat er sprake was van een Standeserhöhung en verder dat de genobiliteerde tot een familie behoorde, die noch het predicaat Von, noch een adellijke titel voerde. De adeldom van J. A. von AA werd begründet en niet bestätigt, erneuert of anerkannt. Dit is opnieuw een aanwijzing dat de beweerde afstamming van de familie AA uit het oeradellijke geslacht Von AA onaannemelijk is.

(…)

Dat de adeldom van J. A. von AA via een door de koning van Beieren goedgekeurde adoptie was overgegaan op zijn familie op Curaçao, vindt men vermeld

in Nederland’s Wapenboek (jaartal): ‘Blijkens een verklaring van het Heroldsamt (met afstammingsbewijzen op [datum] gedeponeerd bij notaris Mr. J.K. Schmitz) te Berlijn, werd

wegens het uitsterven van de tak van J. A. von AA diens adelspredikaat Von en titel Freiherr met Koninklijke Beierse toestemming door adoptie overgedragen op de kapitein

der artillerie J. H. AA’. In het midden werd gelaten op welke overwegingen het Heroldsamt zijn verklaring baseerde, wanneer die verklaring werd afgegeven en hoe de desbetreffende passage letterlijk luidde. Gelet op het belang van deze verklaring, zou het zeker niet hebben misstaan, indien daaruit letterlijk was geciteerd.

Het verhaal dat de familie vertelt (Adelsausdehnung in plaats van Neunobilitierung), moet worden gezien als een onjuiste voorstelling van zaken. Zij probeert de lezers van haar publicaties te overtuigen van het feit dat een koninklijk ja jegens een adoptie haar voorvader J. H. AA automatisch tot een Beiers edelman maakte. Bovendien is dit alles uitsluitend gefundeerd op ‘een verklaring’ van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen van een niet nader genoemde datum, die op [datum] notarieel (notarissen Smeets en Druncks te Maastricht) werd ‘bevestigd door akte van verklaring’. Nu weet elke (serieuze) genealoog dat het gevaarlijk is al te zeer te vertrouwen op verklaringen van hooggeplaatste personen of bekleders van publieke ambten, waaruit een bepaalde afstamming of adeldom moet blijken. De geschiedenis heeft immers meer dan eens laten zien dat zij in dergelijke gevallen, gewild dan wel ongewild, niet per se de waarheid hoeven te spreken. Voor het leveren van genealogisch bewijs dient men, voor zover mogelijk, boven alles de primaire bronnen te laten spreken. Aan de verklaring van de gouverneur mag dan ook geen bewijskracht worden toegekend. Navraag bij het Nationaal Archief van de Nederlandse Antillen leverde overigens de mededeling op, dat in de door deze instelling beheerde archieven (onder andere het archief van het Kabinet van de Gouverneur, 1951-1990) geen verklaring van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen te vinden is, ‘waarbij de adoptie van een familielid van de familie AA bevestigd wordt’. Het Kabinet van de Gouverneur berichtte eveneens negatief (‘wij moeten u helaas informeren dat wij na een grondig onderzoek in de zaak “Familie AA” geen bewijskracht konden vinden met betrekking tot de adoptie van de heer J. H. AA. Dit heeft vooral te maken met het feit dat onze “burgerzaken” [lees registers Burgerlijke Stand] pas in het jaar [jaartal] was begonnen en alle rechtsfeiten die voorheen zijn gebeurd niet geregistreerd werden in onze registers’).

Aan het adoptieverhaal (inclusief de “overdracht” van adeldom) moet dan ook geen waarde worden gehecht, te meer daar de familie in haar publicaties geen enkel authentiek document opvoerde dat daarop betrekking heeft.

(…)

Zoals bekend zijn adellijke titels en predicaten in Duitsland sinds 1919 onderdeel van de familienaam. De historische adel van Duitsland wordt gevormd door personen met een voorvader die in 1919 in de (Duitse) burgerlijke stand met een adellijke titel en/of predicaat stond ingeschreven en van wie zij in wettige, mannelijke lijn afstammen. Als vaststaand mag worden aangenomen dat geen enkel lid van de familie AA ooit bij enige burgerlijke stand als adellijk bekend stond. De familie staat in Duitsland niet te boek als Freiherr en behoort niet tot de historische adel van Duitsland. Door de titel Freiherr en het predicaat Von in haar naam te voeren, handelt zij dus in strijd met het thans geldende Duitse naamrecht.

(…)

Resumerend kan worden gesteld dat de publicaties over de familie AA niet aantonen dat de titel en het predicaat van J. A. von AA daadwerkelijk zijn overgegaan op zijn Curaçaose neef J. H. AA en diens nazaten. De familie AA matigt zich dan ook ten onrechte de titel Freiherr en het predicaat Von aan.

(…)

Conclusies met betrekking tot de casus AA

Geconcludeerd kan worden dat AA met de publicaties over zijn familie niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn adellijke pretenties serieus moeten worden genomen. Om te beginnen is de gepretendeerde afstamming uit het oeradellijke geslacht Von AA, dat werd opgenomen in onder andere Gothaisches Genealogisches Taschenbuch der Adeligen Häuser (jaartal), niet aangetoond. Sterker nog, die afstamming is onwaarschijnlijk, aangezien elke betrouwbare aanwijzing voor het bestaan van het echtpaar JJ. von AA-C. von EE ontbreekt. Als oudst bewezen stamvader van de familie moet worden aangemerkt J. AA (±jaartal), generatie I in GG (jaartal), generatie III in De Indische Navorscher (jaartal) en generatie VI in Nederlandse Genealogieën (jaartal).

Verder is van enige adeldom van zijn voorvader J. H. AA (jaartal) nimmer iets gebleken. Diens directe nazaten hebben niet tot de adel van het Heilige Roomse Rijk, het koninkrijk Beieren of een andere Duitse staat behoord en de huidige generaties maken dan ook geen deel uit van de historische adel van Duitsland. De vermelding van een familie Von AA in overzichten van buitenlandse adellijke geslachten in Nederland is daarom onjuist en geeft toekomstige generaties een verkeerd beeld van het verleden. Leden van de familie AA behoren dan ook niet te worden toegelaten tot Vereniging 1 in Nederland. Voor zover zij de titel Freiherr (baron) en het predicaat Von voeren, is dat onrechtmatig.

(…)

Epiloog

A.A. en CC verkeren met hun adellijke pretenties historisch gezien in illuster gezelschap. Kijken we naar de Republiek, dan zijn het vooral regentenfamilies die hun best deden een oude en vooral adellijke afstamming aannemelijk te maken. Hun negentiende eeuwse nazaten, veelal opgenomen in de Koninkrijksadel, zetten ook op dat punt de familietraditie voort, al was het maar om de in hun ogen hatelijke verheffing ingewisseld te krijgen voor de meer aanzien verschaffende erkenning of om van jonkheer tot baron te promoveren.

Tot de achtiende-eeuwers die weinig op hadden met adellijke parvenu’s behoorde ook Justus van Effen (1684-1735), in de Republiek de belangrijkste schrijver van spectatoriale geschriften. Op 18 juli 1732 schreef hij in een gefingeerde, met Plebejus Simplex ondertekende brief dat zulke lieden ‘niet ’t minste regt’ hadden ‘als edelluiden voor den dag te komen, of ze moeten hetzelve afleiden van eene aangeborene of verkreege zotheid, die ieder een ontwijfelbaar recht geeft om alle mogelijke buitensporigheden te begaan’. Die door al dan niet aangeboren zotheid ingegeven buitensporigheden varieerden van het verfraaien van familienamen en het usurperen van familiewapens van adellijke families tot het in elkaar vlechten van feiten, overleveringen en eigentijdse verzinsels tot indrukwekkende stambomen en familiegeschiedenissen met als enige doel het gewenste (adellijke) voorgeslacht in beeld te brengen en de voornaamheid van de familie te benadrukken. Met betrekking tot de genealogieën van veel families ontstond daardoor een schemergebied waarin het onderscheid tussen feit en fictie vervaagde. Die merkwaardige en tegelijkertijd intrigerende drang van “burgermensen” zich voor te doen als iemand van adel, is onuitroeibaar gebleken en zal zonder twijfel van alle tijden blijven.

In vroegere eeuwen kwamen adelspretenties niet zelden voort uit een oprechte overtuiging tot een adellijk geslacht te behoren en hoefde er niet per se sprake te zijn van bewuste misleiding. Of dit laatste in de casussen AA en CC eveneens het geval is, valt te bezien. Hoewel dit artikel niet de intentie had opzettelijke geschiedvervalsing aan te tonen, geven het genealogisch en heraldisch gegoochel van beide auctores intellectuales wel stof tot nadenken. Hoewel in ons rechtssysteem onschuld gelukkig niet behoeft te worden bewezen, berust in de wetenschappelijke, of zo men wil gedegen, genealogiebeoefening de bewijslast al even gelukkig bij de genealoog. Wat hij beweert mag per definitie als een (bewuste) onwaarheid worden beschouwd, tenzij of totdat het tegendeel door hem aan de hand van archiefbronnen is aangetoond of op zijn minst aannemelijk is gemaakt. Dit geldt

in nog sterkere mate wanneer de genealogie en heraldiek dienstbaar worden gemaakt aan het instandhouden en ventileren van een adellijke pretentie, om nog maar te zwijgen over de gevallen waarin die pretentie daadwerkelijk uitmondt in een verzoek te worden opgenomen in de Nederlandse adel. Dit artikel heeft niet alleen aandacht willen schenken aan enkele hedendaagse uitingen van een hardnekkig fenomeen, maar is ook bedoeld als waarschuwing aan het adres van toekomstige fantasten. Degenen onder hen die publicaties het licht doen zien, waarin zij op valse gronden voorwenden van adel te zijn, verdienen eigenlijk niet anders dan te worden betiteld als “Baron von (woordgrap op naam AA)”. Daarnaast moet men beseffen dat er formeel gesproken sprake is van valsheid in geschrifte, indien daadwerkelijk actie wordt ondernomen de voorgewende adeldom in adelsrechtelijke zin bevestigd te krijgen.

Dit artikel maakt, zo mag worden gesteld, duidelijk dat beide behandelde casussen te veel halve waarheden, onjuistheden, vaagheden, onwaarschijnlijkheden en oncontroleerbare zaken bevatten om in positieve zin te overtuigen. De inlijvingsverzoeken van AA en CC vinden, zo moet de conclusie luiden, geen enkele grond in de door hen gepubliceerde genealogieën van hun familie. De rechtmatigheid van beide verzoeken moet dan ook ten zeerste worden betwijfeld. De indieners dienen te beseffen dat het onrechtmatig aannemen en voeren van een buitenlandse, adellijke titel mogelijk strijdig is met artikel 435 van het Wetboek van Strafrecht. De indruk ontstaat dat de pennevruchten van beide “edellieden” niet zo zeer zijn voortgekomen uit een gezonde drang tot voorouderonderzoek, maar eerder lijken te passen in een eeuwenoude traditie, waarin de genealogiebeoefening slechts ‘een strategisch instrument vormde van positiebepaling in de samenleving’.

2.7. Naar aanleiding van de publicatie van het artikel stuurt AA aan de hoofdredacteur van Tijdschrift 2, P. FF (hierna: FF), een e-mailbericht met onder andere de volgende inhoud:

“ik heb het artikel (…) gelezen. Het artikel bestempel ik als een rioolartikel, dat elke vorm van zorgvuldigheid mist. Ik wil graag op korte termijn met u een gesprek hebben om te bespreken op welke wijze de schadelijke effecten kunnen worden beperkt.”

2.8. Bij e-mailbericht van [datum] schrijft FF AA onder het volgende:

“Vanzelfsprekend kunt u mij spreken, maar mij lijkt het beste dat – wanneer u wilt reageren op het artikel-BB – u een weerwoord voor de Leeuw schrijft. Als redactie hebben wij het artikel van BB op wetenschappelijke onderbouwing en verantwoording getoetst. En de redactie wil graag dit soort artikelen plaatsen, mede in de hoop en verwachting als podium voor wetenschappelijke discussie te kunnen fungeren.

Ik nodig u dus uit tot een weerwoord te komen, dat wij aan dezelfde toetsing zullen onderwerpen als wij met het artikel van BB hebben gedaan.”

2.9. AA heeft naar aanleiding van het e-mailbericht van FF op [datum] een reactie ingestuurd naar Tijdschrift 2. Naar aanleiding daarvan stuurt FF AA op 22 november 2007 het volgende e-mailbericht.

“Het artikel ‘De adeldom van de families AA en CC’ als reactie op het artikel van BB is dinsdag in onze redactievergadering besproken. Daaruit is het volgende besluit gekomen.

In maart jl. heb ik je geschreven dat de redactie aangeboden artikelen toetst op wetenschappelijke onderbouwing en verantwoording. Een weerwoord onderwerpen wij aan dezelfde toetsing en dat hebben wij dus ook gedaan met jouw reactie. De conclusie was dat een inhoudelijke weerlegging van het door BB gestelde daarin ontbreekt. De huidige redactie heeft meer de vorm van een pleitnota dan van een met bewijsstukken onderbouwd artikel.

Ik wil je dan ook vragen om je reactie in deze zin aan te passen alvorens de redactie tot publicatie zal overgaan.”

2.10. Op [datum] stuurt AA een tweede versie van zijn reactie in. De redactie van Tijdschrift 2 gaat wederom niet tot publicatie over. Middels een

e-mailbericht van [datum] laat de redactie AA weten dat zij de kwaliteit ervan onvoldoende vindt om tot publicatie over te gaan.

2.11. Bij brief van [datum] sommeert (de rechtsbijstandverzekeraar van) AA KNGGW tot publicatie van de reactie over te gaan. KNGGW wordt bovendien aansprakelijk gesteld voor de (nog te lijden) schade die het gevolg is van de publicatie van het artikel. De advocaat van AA heeft dit nogmaals gedaan bij brief van [datum].

3. Het geschil

3.1. AA vordert verkort weergegeven:

I een verklaring voor recht dat de door BB geuite beschuldigingen in het artikel jegens hem onrechtmatig zijn;

IIa KNGGW primair te gebieden de op 13 december 2007 door AA ingezonden reactie te (doen) publiceren in Tijdschrift 2, dit op straffe van een dwangsom;

IIb KNGGW subsidiair te veroordelen in Tijdschrift 2 een rectificatie te plaatsen, dit op straffe van een dwangsom;

III BB te verbieden het artikel openbaar te maken en/of te verveelvoudigen, dit op straffe van een dwangsom;

IV KNGGW en BB hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 25.000,00 immateriële schadevergoeding;

V KNGGW en BB hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. AA stelt daartoe dat de beschuldigingen in het artikel van BB van onrechtmatig handelen en van strafbare feiten ongefundeerd zijn en geen steun vinden in het feitenmateriaal. Daarnaast heeft BB de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht ten aanzien van het aan het artikel ten grondslag liggende onderzoek geschonden (door zich niet te houden aan de eisen voor deugdelijke genealogie en verantwoordelijke journalistiek en door het ontbreken van hoor en wederhoor). De uitingen zijn voorts onnodig grievend.

Op grond hiervan dient een belangenafweging in het kader van de botsing van grondrechten in het voordeel van AA uit te vallen. Voor zover AA plaatsing vordert van de tweede versie van de door hem opgestelde reactie (ingezonden op [datum]) legt hij daaraan een overeenkomst ten grondslag. Hij heeft de reactie immers ingezonden op uitnodiging van de redactie van Tijdschrift 2.

3.3. KNGGW en BB voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Nakoming

4.1. AA vordert nakoming van een overeenkomst. Dit betreft plaatsing in Tijdschrift 2 van de tweede versie van de door hem geschreven reactie met de titel ‘De adeldom van de familie AA en CC’.

4.2. AA stelt dat de reactie op uitnodiging van KNGGW is opgesteld en dat het niet plaatsen daarvan wanprestatie inhoudt. AA heeft er in dit verband ter zitting op gewezen dat aan het plaatsen van een reactie geen voorwaarden zijn gesteld. Hij gaat er daarbij echter aan voorbij dat de uitnodiging expliciet vermeldt (net als het e-mailbericht van FF van [datum]) dat een reactie aan dezelfde wetenschappelijke criteria zal worden getoetst als het artikel van BB. AA mocht op grond hiervan niet gerechtvaardigd de verwachting koesteren dat de door hem ingezonden reactie zonder meer zou worden geplaatst. Dat is alleen het geval indien en voor zover de reactie aan dezelfde wetenschappelijke criteria voldoet als waaraan het artikel van BB is getoetst. Nu niet wordt gesteld en evenmin is gebleken dat de reactie van AA voldoet aan de daaraan blijkens de uitnodiging van FF te stellen eisen, moet de vordering de tweede versie van de reactie van AA in Tijdschrift 2 te plaatsen worden afgewezen. De enkele omstandigheid dat AA zich bij het opstellen van zijn reactie, naar hij stelt, heeft laten bijstaan door het Nederlands Centrum voor de Promotieopleiding van de RijksUniversiteit Utrecht laat het voorgaande onverlet. Daarmee wordt immers nog niets gezegd over de reactie zelf en de daaraan te stellen eisen.

Juridisch kader

4.3. De publicatie van BB betreft een meningsuiting in de zin van artikel 10 lid 1 EVRM. Een beperking van de vrijheid van meningsuiting is ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan, indien die beperking bij wet is voorzien (hetgeen het geval is indien sprake is van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek) en noodzakelijk is in een democratisch samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde belangen. Tot die belangen zijn de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen te rekenen. De beperking dient bovendien proportioneel te zijn. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen.

Onrechtmatig handelen?

4.4. AA stelt dat hij in het artikel ten onrechte persoonlijk wordt beschuldigd van bewuste misleiding en geschiedvervalsing ten aanzien van het verzoek van zijn vader en twee ooms om te worden opgenomen in de Nederlandse adelstand. Hij zou door middel van te veel halve waarheden, onjuistheden, vaagheden, onwaarschijnlijkheden en oncontroleerbare zaken een moedwillige poging hebben ondernomen in de adelstand te worden verheven, waarvoor geen enkele grond zou hebben bestaan. AA stelt dat het artikel niet meer behelst dan persoonlijke kanttekeningen van BB en dat nergens harde feiten worden aangevoerd die tot de conclusie leiden dat de aanspraak van de familie AA op een adellijke afkomst onjuist zou zijn. Ook blijkt nergens uit dat hij moedwillig zou hebben getracht een verkeerde voorstelling van zaken te geven ten aanzien van zijn afkomst. Het blijft bij vermeende onwaarschijnlijkheden en onaannemelijkheden, of alternatieve interpretaties en waarderingen van de beschikbare bronnen. Dit is onvoldoende voor een beschuldiging van het plegen van strafbare feiten.

4.5. De rechtbank stelt voorop dat de ‘beschuldigingen’ waar AA op doelt, in algemene zin zijn geformuleerd en niet zien op AA. Wel wordt door de context waarin een en ander wordt geplaatst een verband gelegd met AA, maar dat gebeurt minder stellig dan AA het doet voorkomen. Dit blijkt wat de gestelde beschuldiging van geschiedvervalsing betreft uit het volgende citaat:

“In vroegere eeuwen kwamen adelspretenties niet zelden voort uit een oprechte overtuiging tot een adellijk geslacht te behoren en hoefde er niet per se sprake te zijn van bewuste misleiding. Of dit laatste in de casussen AA en CC eveneens het geval is valt te bezien. Hoewel dit artikel niet de intentie had opzettelijke geschiedvervalsing aan te tonen, geven het genealogisch en heraldisch gegoochel van beide auctores intellectualis wel stof tot nadenken.”

Hetzelfde geldt voor de gestelde beschuldiging van strafbare feiten:

“Dit artikel heeft niet alleen aandacht willen schenken aan enkele hedendaagse uitingen van een hardnekkig fenomeen, maar is ook bedoeld als waarschuwing aan het adres van toekomstige fantasten. Degenen onder hen die publicaties het licht doen zien, waarin zij op valse gronden voorwenden van adel te zijn, verdienen eigenlijk niet anders dan te worden betiteld als “Baron von (woordgrap op naam AA)”. Daarnaast moet men beseffen dat er formeel gesproken sprake is van valsheid in geschrifte, indien daadwerkelijk actie wordt ondernomen de voorgewende adeldom in adelsrechtelijke zin bevestigd te krijgen.

Dit artikel maakt, zo mag worden gesteld, duidelijk dat beide behandelde casussen te veel halve waarheden, onjuistheden, vaagheden, onwaarschijnlijkheden en oncontroleerbare zaken bevatten om in positieve zin te overtuigen. De inlijvingsverzoeken van AA en CC vinden, zo moet de conclusie luiden, geen enkele grond in de door hen gepubliceerde genealogieën van hun familie. De rechtmatigheid van beide verzoeken moet dan ook ten zeerste worden betwijfeld. De indieners dienen te beseffen dat het onrechtmatig aannemen en voeren van een buitenlandse, adellijke titel mogelijk strijdig is met artikel 435 van het Wetboek van Strafrecht. De indruk ontstaat dat de pennevruchten van beide “edellieden” niet zo zeer zijn voortgekomen uit een gezonde drang tot voorouderonderzoek, maar eerder lijken te passen in een eeuwenoude traditie, waarin de genealogiebeoefening slechts ‘een strategisch instrument vormde van positiebepaling in de samenleving’.”

BB stelt wel in algemene zin dat het onrechtmatig aannemen en voeren van een buitenlandse adellijke titel mogelijk strijdig is met artikel 435 Wetboek van Strafrecht, maar hij laat in het midden of en in hoeverre daarvan in het geval van AA sprake is. Dit laat onverlet dat de door BB geuite twijfel en de door hem verwoorde ‘indruk’ bij de lezer ten minste de suggestie wekt dat dit bij AA ook het geval zou kunnen zijn. De woorden “Baron von (woordgrap op naam AA)” en “toekomstige fantasten” verwijzen terug naar AA en plaatsen AA in de context van het op valse gronden voorwenden van adel te zijn en sterker, het plegen van valsheid in geschrifte. Dit wordt versterkt doordat AA genealogisch en heraldisch gegoochel wordt verweten en doordat BB zich rechtstreeks tot de indieners (CC en AA) richt met de mededeling dat zij zich dienen te beseffen dat het onrechtmatig aannemen en voeren van een buitenlandse adellijke titel mogelijk in strijd is met artikel 435 van het Wetboek van Strafrecht. De aard van deze beschuldigingen - bezien in de context van genoemde strafbare feiten - is, mede gelet op het feit dat AA werkzaam is als [beroep], ernstig te noemen. Daarmee is nog niet gezegd dat de beschuldigingen onrechtmatig zijn en evenmin dat – zo dat wel het geval zou zijn – daarin een noodzaak kan worden gevonden de vrijheid van meningsuiting te beperken. De omstandigheden van het geval zijn daartoe van belang. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Steun in de feiten/zorgvuldig onderzoek?

4.6. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of de geuite beschuldigingen steun vinden in het feitenmateriaal. AA stelt dat dit niet het geval is, maar onderbouwt die stelling niet. Het betoog van AA komt er veeleer op neer dat hij BB meer in algemene zin verwijt dat hij onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Zo heeft BB volgens AA geen onderzoek gedaan naar de door AA genoemde en aan de onder 2.2 bedoelde aanvraag ten grondslag gelegde (van overheidswege opgemaakte) documenten. Dit verwijt is ongegrond. Het artikel van BB is doorwrocht van een notenapparaat met vele verwijzingen naar literatuur, handboeken en documenten. Hij gaat daarbij ook in op de door AA bedoelde documenten, zoals ook blijkt uit de onder 2.6 weergegeven gedeelten van het artikel. Dit betreft in de eerste plaats het zogenoemde ‘Adelsdiploma’. BB gaat op pagina 19 van het artikel op dit Adelsdiploma in, waarna hij op pagina 20 tot de conclusie komt dat de tekst van de diploma duidelijk maakt dat er sprake was van “een Standserhöhung” en dat “de genobiliteerde (Rb: lees J.A. von AA) tot een familie behoorde die noch het predicaat Von, noch een adellijke titel voerde”.

Op pagina 20-21 gaat BB in op ‘de verklaring van het Heroldsambt’. Deze verklaring is volgens AA van belang omdat daaruit zou blijken dat het adelspredikaat ‘Von’ en de titel ‘Freiherr’ van J. H. von AA middels een door de koning van Beieren goedgekeurde adoptie zouden zijn overgedragen op de kapitein der artillerie J. H. AA. BB wijst erop dat de verklaring in het midden laat waarop deze is gebaseerd, als ook wanneer die verklaring is afgegeven. Aan de hand van het onvermeld blijven van de adoptie in de handboeken ‘Het Adelslexicon (jaartal)’, ‘De Indische Navorscher (jaartal)’ en ‘GG (jaartal)’ en het destijds geldende Duitse adelsrecht trekt BB de verklaring (en de adoptie) verder in twijfel. Dit mondt uit in de conclusie dat niet is aangetoond dat de titel en het predicaat zijn overgegaan op J. H. AA en zijn nazaten en dat de familie AA zich ten onrechte de titel ‘Freiherr’ en het predicaat ‘Von’ aanmatigt.

Ook de afstammingsbewijzen worden door BB aan de orde gesteld. Hij betwist de validiteit ervan aan de hand van de bij hem bestaande twijfel omtrent het bestaan van het echtpaar AA-Von EE en aan de hand van het ontbreken van een verklaring voor het feit dat het handboek ‘GG’ (zowel dat van [jaartal] als dat van [jaartal]) geen helderheid biedt omtrent de vraag de oom daarin niet voorkwam en waarom hij zich ‘Freiherr’ noemt. Ook wordt de authenticiteit van de verklaring van de gouverneurs van de Nederlandse Antillen gemotiveerd in twijfel getrokken.

4.7. Het onderzoek dat BB heeft verricht is niet onzorgvuldig omdat hij de door AA genoemde documenten niet zelf feitelijk aan een onderzoek heeft onderworpen/in handen heeft gehad, gelijk AA betoogt. Dit geldt ook voor de door BB in zijn artikel genoemde ‘familiepapieren’. BB zet in het artikel helder uiteen waarop hij zijn conclusies baseert, alsmede dat hij niet over de documenten beschikt. De door BB in zijn artikel geuite twijfel over de gegrondheid van de inlijvingsverzoeken vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag in het uitgebreide onderzoek. Dit uitgebreide onderzoek komt tot uitdrukking in de vele argumenten die naar voren worden gebracht, alsmede in het uitgebreide notenapparaat. Dat het onderzoek zorgvuldig is geweest, vindt ook steun in het feit dat AA alle argumenten die BB aan zijn twijfel ten grondslag legt als zodanig niet betwist. De rechtbank ziet niet in waarom het feit dat BB zich niet zou hebben gehouden aan de in een artikel van R. van GG (getiteld: Genealogie en bescherming persoonsgegevens) genoemde stappen, welke stappen een ‘gewetensvol’ genealoog zou moeten zetten, maken dat desalniettemin sprake is van onzorgvuldig handelen. Evenzeer vermag de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat en waarom de vermelding van de persoonsgegevens van AA in het artikel in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens.

Gezag van de bron

4.8. Het voorgaande wordt niet anders indien daarbij betrokken wordt dat BB een gezaghebbende genealoog is en Tijdschrift 2 een gezaghebbend tijdschrift is. Het gezag van BB (en de lezer van Tijdschrift 2 zal zich daarvan bewust zijn) ziet op de genealogie en niet op de meer juridisch getinte waardeoordelen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, betwist AA de inhoud van het artikel niet, daar waar BB de genealogische onderbouwing van het inlijvingsverzoek en de publicaties van AA in twijfel trekt.

Hoor en wederhoor

4.9. AA stelt voorts dat ten onrechte geen hoor en wederhoor is toegepast. Een absoluut recht op hoor en wederhoor bestaat echter niet. Ditzelfde geldt voor het voorafgaand aan de publicatie voorleggen van het artikel aan de betrokkene. Dat is in het onderhavige geval niet anders. Hierbij is van belang dat AA met betrekking tot het onderwerp van het artikel zelf diverse malen de openbaarheid heeft gezocht. Het artikel is daar (onder andere) een reactie op. Het artikel heeft een wetenschappelijk karakter en is geplaatst in een wetenschappelijk tijdschrift. BB heeft ter zitting onbetwist gesteld dat het binnen de genealogie en in de wetenschap niet gebruikelijk is hoor en wederhoor toe te passen. Daar komt bij dat, gelijk AA zelf ook stelt, het artikel niet meer behelst dan persoonlijke kanttekeningen van BB. Deze kanttekeningen (en waardeoordelen) worden ook als zodanig (en niet als feiten) gepresenteerd. Verder is AA in de gelegenheid gesteld een reactie in te sturen (welke aan dezelfde eisen moest voldoen als de publicatie).

Conclusie

4.10. De rechtbank stelt vast dat de beschuldigingen zoals AA die heeft verwoord, niet als zodanig en evenmin in de door AA gebruikte bewoordingen aan zijn adres zijn gericht. De context waarin ze zijn geplaatst, plaatst AA weliswaar in de context van het op valse gronden voorwenden van adel te zijn (en in het verlengde daarvan met valsheid in geschrifte), maar dit is op zich onvoldoende voor onrechtmatig handelen. De beschuldigingen moeten in de gehele context worden gezien. BB plaatst ze binnen het door hem aangegeven kader (in de genealogie ligt de bewijslast bij de genealoog (Rb: lees AA) en wat hij beweert mag volgens BB per definitie als een (bewuste) onwaarheid worden beschouwd, tenzij of totdat het tegendeel is aangetoond). Hij uit ze nadat hij uitgebreid heeft onderbouwd dat en waarom niet is aangetoond dat AA van adel is. De bevindingen van BB op dit punt vinden meer dan voldoende steun in het verrichte onderzoek dat hij als gezaghebbende bron op zijn gebied heeft verricht. BB laat de lezer bovendien zien waar hij twijfelt en waar ten aanzien van ‘de casus AA’ nog geen conclusies kunnen worden getrokken. Nu bovendien niet gezegd kan worden dat BB hoor en wederhoor had moeten toepassen, is de rechtbank van oordeel dat – het geheel overziend – BB niet onrechtmatig jegens AA heeft gehandeld. De omstandigheid dat BB AA plaatst in de context van mogelijk strafbaar handelen is daartoe op zichzelf onvoldoende. De rechtbank neemt daarbij – naast de hiervoor genoemde omstandigheden – in overweging dat AA ook zelf de publiciteit zoekt (zoals de artikelen in Tijdschrift 1 en Krant 3, waaraan hij zijn medewerking heeft verleend) en daarbij ook zelf krachtige waardeoordelen jegens derden uit.

4.11. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van AA ook moeten worden afgewezen voor zover deze zijn gegrond op onrechtmatig handelen.

Kosten

4.12. Als de in het ongelijk gestelde partij, zal AA in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Aan de zijde van KNGGW en BB tot op heden begroot op:

€ 550,00 vast recht

€ 904,00 kosten advocaat (2 punten volgens tarief II)

€ 1.454,00.

4.13. De gevorderde veroordeling de nakosten te voldoen, is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.14. De kostenveroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu dit niet is gevorderd.

5. De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt AA in de kosten van de procedure, aan de zijde van KNGGW en BB tot op heden begroot op € 1.454,00;

- veroordeelt AA in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en AA niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. van Straalen en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.?