Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP7542

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
455130 / HA ZA 10-1043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot teruggave schilderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 455130 / HA ZA 10-1043

Vonnis van 13 oktober 2010

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. N. van 't Hoogerhuijs,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. E.L. Polak.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 juni 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 9 september 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is gehuwd geweest met [B]. In de akte houdende huwelijksvoorwaarden, verleden op 1 augustus 1963, is bepaald dat tussen echtgenoten geen gemeenschap van goederen zal bestaan, behoudens die van inboedel en dat onder inboedel onder andere wordt verstaan verzamelingen van voorwerpen van kunst.

2.2. De huwelijksvoorwaarden bevatten een staat van aanbrengsten, waarin onder meer aan de zijde van [A] is opgenomen dat door hem ten huwelijk is aangebracht het 1/13e onverdeeld aandeel in de nalatenschap van mevrouw [C], in behandeling bij notaris mr. M.J. Meijer te Amsterdam.

2.3. In een door [A] overgelegd taxatierapport staat, voor zover hier relevant, vermeld:

‘(..) de hierna omschreven (..) zaken, behorende tot de nalatenschap van de heer [D], overleden de 5e mei 1961, laatst gewoond hebbende te --, --, alwaar de gemelde goederen, ten woonhuize van mevrouw [E], aanwezig werden bevonden (..)

(..)

Een schilderij door XVIIe eeuwse meester (toeschrijving Nicolaes Maes), voorstellende:

Jongen met hoed en in rode jas, met geit en hondje; op de achtergrond een bos’ (hierna: het schilderij).

2.4. Bij brief van 15 mei 2008 heeft [A] [B], voor zover hier relevant, als volgt bericht:

‘Het is al weer heel wat weken geleden dat ik je schreef over de Nicolaas Maes. Ik had [G] al eerder op de hoogte gesteld van het feit dat het schilderij van mij is.

(..)

Dat mijn eigendom van het schilderij een feit is, is duidelijk. Je kunt je niet beroepen op het verjaard zijn van een boedelverdeling, want die heeft nooit plaats gevonden. Ik zou ook geen andere reden kunnen bedenken op grond waarvan je mijn eigendom kunt betwisten.

Ik zou gemakkelijk bij [G] met mijn vaderlijke autoriteit het schilderij kunnen weghalen. Maar dat vind ik niet fair tegenover [G] die het schiderij in goed vertrouwen van jou als bruikleen heeft aanvaard.

(..)

Ik wil je verzoeken [G] te schrijven dat je je terugtrekt als bruikleengeefster van het schilderij.

Omdat de zaak al zo lang zeurt stel ik een termijn:ik verzoek je die brief binnen twee weken te versturen’

2.5. Het schilderij bevindt zich thans bij [B].

3. Het geschil

3.1. [A] vordert samengevat - veroordeling van [B] om binnen twee maal 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis het ten processe bedoelde schilderij af te geven aan [A], onder verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van EUR 5.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat [B] in gebreke blijft aan het bevel te voldoen, alsmede veroordeling van [B] in de proceskosten.

3.2. [A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij de rechtmatige eigenaar is van het schilderij. Het schilderij maakte deel uit van zijn 1/13e aandeel in de nalatenschap van mevrouw [C]. Gelet op de huwelijksvoorwaarden van [A] en [B] is dit aandeel, waaronder het schilderij, zowel gedurende het huwelijk als na de scheiding uitsluitend eigendom van [A] gebleven. [B] heeft in de winter 1991-1992 het schilderij zonder zijn toestemming meegenomen uit de woning op de --, en [A] is op grond van artikel 5:2 BW bevoegd om het schilderij van [B] op te eisen.

3.3. [B] voert primair aan dat het schilderij bij de inboedelverdeling die tussen partijen in 1983 heeft plaatsgevonden aan [B] is toebedeeld, zodat het schilderij sindsdien haar eigendom is. Volgens [B] is het schilderij als kunstvoorwerp tot de inboedel gaan behoren, waardoor het onderdeel is gaan uitmaken van de huwelijksgemeenschap. [A] heeft niet bewezen dat het schilderij onderdeel uitmaakte van het 1/13e aandeel in de nalatenschap van mevrouw [C] en dat het daardoor buiten de verdeling zou vallen. Het door hem overgelegde taxatierapport, waarin het schilderij wordt vermeld, heeft blijkens de tekst geen betrekking op de nalatenschap van mevrouw [C], maar op de nalatenschap van de heer [D] en op de zaken die zich bevonden in het woonhuis van mevrouw [E].

3.4. Subsidiair beroept zich [B] op verjaring. Na de boedelverdeling mocht zij zich als rechthebbende beschouwen, zodat zij op grond van artikel 3:99 BW na een bezitsperiode van drie jaar eigenaar van het schilderij is geworden. Voor het geval de rechtbank dit anders mocht beoordelen voert [B] aan dat zij het schilderij sinds 1983 in bezit heeft en dat zij op grond van artikel 3:105 BW eigenaar is geworden. [A] heeft immers pas bij brief van 15 mei 2008 het schilderij opgeëist en toen was zijn rechtsvordering – wat daar ook van zij - reeds verjaard.

3.5. Ter comparitie heeft [B] aangevoerd dat [A] ook op grond van artikel 5:18 BW de eigendom van het schilderij heeft verloren. Door de toebedeling van het schilderij aan [B] toe te staan en door in de afgelopen jaren er geen aanspraak op te doen heeft hij het schilderij volgens [B] prijsgegeven.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vaststaat tussen partijen dat het 1/13e aandeel van [A] in de nalatenschap van mevrouw [C] uitgesloten is van de gemeenschap van goederen en derhalve geen onderdeel kon uitmaken van een boedelverdeling. De vraag is of het schilderij onderdeel uitmaakte van dit 1/13e aandeel.

4.2. Ter ondersteuning van zijn stelling dat dit zo is heeft [A] een taxatierapport waarin onder andere het schilderij is opgenomen in het geding gebracht. [B] voert echter aan dat het taxatierapport de stelling van [A] niet ondersteunt, omdat niet blijkt dat het rapport op de nalatenschap van mevrouw [C] betrekking heeft. Ter comparitie heeft [A] verklaard dat het taxatierapport betrekking had op de boedel van zijn oom [D] en dat de boedel na diens overlijden naar zijn weduwe is gegaan. De weduwe droeg in verband met haar Schotse oorsprong een dubbele familienaam, te weten [F], en zij werd soms [E] en soms [C] genoemd. De mevrouw [E] die in het taxatierapport wordt genoemd is dus dezelfde persoon als mevrouw [C].

4.3. [B] heeft - desgevraagd - deze verklaring van [A] niet weersproken. Ook heeft zij geen andere mogelijke uitleg gegeven voor de wijze waarop het schilderij dan wel in de gemeenschap van [A] en [B] is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee als voldoende gesteld en onvoldoende betwist vast dat het schilderij onderdeel uitmaakte van het 1/13e aandeel in de nalatenschap van mevrouw [C], en dat zij derhalve uitgesloten is van de gemeenschap van goederen van partijen.

4.4. Ten aanzien van het ter comparitie gedane beroep op artikel 5:18 BW overweegt de rechtbank als volgt. De stelling van [B] dat er in 1983 een boedelverdeling heeft plaatsgevonden is door [A] gemotiveerd betwist. Niet is komen vast te staan in hoeverre een verdeling destijds feitelijk heeft plaatsgevonden. Nu het schilderij bij uitsluiting eigendom was van [A], kon het echter niet op rechtmatige wijze worden betrokken in een eventuele boedelverdeling. Uit het dossier blijkt ook niet van een andere rechtsgeldige overdracht van het schilderij, en evenmin van enige handeling van [A] op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [A] het schilderij prijsgaf met het oogmerk om zich van de eigendom ervan te ontdoen. Het enkele feit dat [A] een langere tijd heeft gewacht met het opvorderen van het schilderij is voor een dergelijk oordeel onvoldoende, en andere mogelijk redengevende handelingen zijn door [B] niet aangevoerd.

4.5. Het beroep van [B] op grond van artikel 3:99 BW op verkrijgende verjaring kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Voor een geslaagd beroep hierop is vereist dat de bezitter bij aanvang van de periode te goeder trouw is, hetgeen betekent dat hij zich redelijkerwijze als rechthebbende mocht beschouwen. Vaststaat echter dat [B] de huwelijkse voorwaarden, inhoudende onder andere de clausule omtrent het 1/13e aandeel van [A] in de nalatenschap van mevrouw [C], voor akkoord heeft ondertekend. Daarmee moet worden aangenomen dat zij kennis heeft genomen van de inhoud van deze clausule, zodat zij toen het schilderij in eigendom overging op [A] hiervan op de hoogte was. Derhalve kan zij niet als te goeder trouw worden beschouwd en faalt het beroep op verkrijgende verjaring op de voet van artikel 3:99 BW.

4.6. [B] beroept zich op grond van artikel 3:306 BW voorts op extinctieve verjaring. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Vaststaat tussen partijen dat [B] het schilderij in onafgebroken bezit heeft vanaf de winter 1991-1992 tot heden. Eveneens staat vast dat de verjaring van de rechtsvordering op grond van revindicatie van [A] is gestuit bij brief van 15 mei 2008 van [A] aan [B]. Of het beroep van Demotié op extinctieve verjaring slaagt is daarmee afhankelijk van de vraag of zij, zoals zij stelt, in de periode van 15 mei 1988 tot de winter 1991-1992 onafgebroken bezit heeft gehad van het schilderij. Gelet op de betwisting hiervan door [A] zal [B] tot het bewijs van deze stelling worden toegelaten. De rechtbank zal in het kader van deze bewijsopdracht de tijdsaanduiding winter 1991-1992 preciseren tot 1 maart 1992.

4.7. Indien komt vast te staan dat [B] in de periode van 15 mei 1988 tot en met 1 maart 1992 het onafgebroken bezit heeft gehad van het schilderij, zal de vordering worden afgewezen.

4.8. Indien [B] niet slaagt in haar bewijsvoering zal de vordering tot teruggave van het schilderij worden toegewezen. De gevorderde dwangsommen zullen daarbij worden toegewezen, nu [B] dit deel van de vordering niet heeft weersproken, waarbij de dwangsom per dag zal worden gematigd tot EUR 2.000,-- per dag of deel daarvan. De hoogte van de verbeurde dwangsommen zal worden gemaximeerd tot EUR 20.000,--.

4.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [B] op feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat zij het onafgebroken bezit had van het schilderij in de periode van 15 mei 1988 tot en met 1 maart 1992,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 oktober 2010 voor uitlating door [B] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [B], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [B], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten en zo mogelijk getuigen in de maanden december 2010 tot en met maart 2011 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.E.B. Nyman in het gerechtsgebouw aan de Parnassusweg 220 te Amsterdam,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. Nyman en in het openbaar uitgesproken op

13 oktober 2010.?