Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP7357

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2010
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
insolventienummer 07/339-R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herroeping artt.390 jo 382 WBRv

Niet ontvankelijk, althans niet toewijsbaar.

Verzoeker tot herroeping van uitspraak op grond van artikel 354 F. is door het hof niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen die beslissing.

Verzoeker heeft cassatie van dat arrest gevraagd, waarop ten tijde van de indiening en behandeling van het verzoek tot herroeping nog niet is beslist.

De onherroepelijkheid van de uitspraak van de rechtbank waarvan de herroeping wordt verlangd staat daarom thans nog niet vast.

Indien die wel komt vast te staan is het verzoek niet toewijsbaar, omdat de gronden waarop het steunt niet de gronden zijn als bedoeld in artikel 390 jo 382 WBRv.

De beslissing wordt aangehouden totdat de beslissing in cassatie bekend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

insolventienummer: 07/339-R

datum beslissing (bij vervroeging): 18 oktober 2010

Op het verzoek tot herziening vonnis ex artikel 390 RV van:

[A],

geboren op -- te --

wonende te --, --,

raadsvrouwe mr. S. Mahabier,

tegen de beslissing van 2 juni 2010 van deze rechtbank waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd en de schuldenaar niet de “schone lei” is verleend.

1. Verloop van de procedure.

1.1. Het verzoekschrift met bijlagen is ingekomen bij deze rechtbank op 7 september 2010.

1.2. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het verzoek gehouden op 13 oktober 2010. Verschenen is verzoeker, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. S. Mahabier.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van 25 april 2007 is op [A] (hierna te noemen: [A]) de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, met benoeming van mr. H.M. Patijn als rechter-commissaris en [B] tot bewindvoerder.

2.2. [A] is vervolgens bij beschikking van 12 maart 2010, waarvan de oproep is verzonden op 15 maart 2010, opgeroepen voor de pro forma behandeling van de verificatievergadering van 29 april 2010 alsmede voor de behandeling van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van 26 mei 2010. Uit genoemde beschikking blijkt dat zowel de bewindvoerder als de schuldenaar ter terechtzitting van 26 mei 2010 dienen te verschijnen.

2.3. Door toezending van een afschrift van het proces-verbaal van de verificatievergadering van 29 april 2010 is [A] (nogmaals) gewezen op de behandeling van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van 26 mei 2010 en de daarbij vereiste aanwezigheid.

2.4. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling van 26 mei 2010 is [A], hoewel rechtsgeldig opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2.5. De rechtbank heeft bij beslissing van 2 juni 2010 de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd en [A] daarbij wegens een hem toerekenbare tekortkoming niet de schone lei verleend.

2.6. Van deze beslissing is [A] bij verzoekschrift van 22 juni 2010 in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof in Amsterdam. Bij arrest van 31 augustus 2010 heeft het hof [A] niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, samengevat, omdat hij niet binnen de daartoe in de wet vastgestelde termijn van 8 dagen zijn hoger beroep had ingesteld en het hof de overschrijding van die termijn niet verschoonbaar heeft geoordeeld.

3. Beoordeling

3.1 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [A] verklaard dat hij van het onder 2.6 genoemde arrest in cassatie is gegaan bij de Hoge Raad. Stukken waaruit dit blijkt heeft hij niet in geding gebracht.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat hij cassatie heeft aangetekend leidt dit tot de volgende overwegingen.

3.2 Nu [A] in cassatie is gegaan van het arrest van het hof gaat hij er zelf van uit dat de beslissing van de rechtbank waarvan hij herroeping heeft gevraagd nog niet onherroepelijk is.

Aangezien slechts herroeping mogelijk is van rechterlijke beslissingen waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, moet [A] op grond van zijn eigen standpunt in cassatie zoals de rechtbank dit begrijpt, namelijk dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank niet kan worden ontvangen, in dit verzoek tot herroeping van die beslissing niet ontvankelijk worden verklaard.

3.3 Daar komt nog het volgende bij.

Indien [A] in cassatie in het gelijk wordt gesteld en de zaak wordt terugverwezen naar een hof om op het hoger beroep te beslissen zal dat hof de laatste feitelijke instantie zijn die over deze zaak beslist, zodat ook in dat geval [A] niet door de rechtbank in zijn verzoek kan worden ontvangen.

3.4 Slechts indien [A] in cassatie in het ongelijk wordt gesteld kan, achteraf, worden vastgesteld dat de beslissing van de rechtbank na het verstrijken van de termijn van acht dagen na de uitspraak onherroepelijk is geworden. In dat geval kan [A] door de rechtbank in zijn verzoek tot herroeping worden ontvangen, indien het tijdig is ingediend.

3.5 De beslissing moet derhalve worden aangehouden totdat de Hoge Raad op het verzoek tot cassatie van de uitspraak van hof heeft beslist.

Thans kan wel reeds het volgende worden overwogen.

3.6 Vastgesteld kan worden dat, indien op grond van de uitspraak van de Hoge Raad komt vast te staan dat de beslissing van de rechtbank van 2 juni 2010 onherroepelijk is geworden, [A] zijn verzoek tot herziening tijdig bij de rechtbank heeft ingediend, namelijk binnen de termijn van 3 maanden nadat de beslissing in dat geval onherroepelijk is geworden, 10 juni 2010, nu het verzoek tot herroeping door de rechtbank is ontvangen op 9 september 2010.

3.7 Thans kan reeds worden overwogen dat indien blijkt dat [A] in zijn verzoek door de rechtbank kan worden ontvangen dat verzoek niet kan worden toegewezen. Een dergelijk verzoek is slechts toewijsbaar op de gronden als genoemd in de artt Rv. 390 jo Rv. 382.

Weliswaar noemt [A] in zijn verzoekschrift een aantal feiten die zouden zijn gebleken nadat de rechtbank haar beslissing waarvan herroeping is gevraagd heeft gegeven, namelijk een brief van DWI van 3 augustus 2010 en een besluit van DWI van 11 juni 2010, maar de enkele bekendheid met nieuwe feiten of omstandigheden is geen grond voor herroeping. Daarvoor is (nog) slechts plaats indien de beslissing berust op bedrog van de wederpartij van [A], indien de beslissing berust op stukken waarvan de valsheid na de beslissing is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of indien [A] eerst na de beslissing van de rechtbank stukken in handen heeft gekregen, die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

3.8 Geen van deze gronden doet zich hier voor.

Uit het verzoekschrift blijkt ook niet welke stukken vals zouden zijn, wie stukken zou hebben achtergehouden of wie bedrog zou hebben gepleegd, waardoor een verkeerde beslissing zou zijn genomen door de rechtbank. In het verzoekschrift wordt slechts betoogd dat indien de rechtbank zou hebben geweten van de ziekte van [A] zij de behandeling van zijn zaak zou hebben aangehouden, dat hij wel contact heeft onderhouden met de bewindvoerder en dat hij na het vonnis van de rechtbank

de beschikking heeft gekregen over nieuwe gegevens die tot een ander oordeel zouden hebben geleid, indien de rechtbank die zou hebben gekend.

Een beslissing als hier ter beoordeling voorgelegd berust niet op stukken afkomstig van een wederpartij.

Daarnaar gevraagd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de raadsvrouwe van [A] verklaard dat de bewindvoerder de rechtbank niet juist zou hebben voorgelicht, zodat de rechtbank op grond van verkeerde informatie over [A] haar beslissing heeft genomen.

Daargelaten dat de bewindvoerder voor de beslissing waarvan herroeping wordt gevraagd niet kan worden beschouwd als de wederpartij van [A], zodat reeds daarom de onder Rv. 382 leden a. en c. genoemde gronden niet in aanmerking komen, moet worden vastgesteld dat de beslissing van de rechtbank berust op berichten van de bewindvoerder, samengevat, dat [A] gedurende een jaar niets meer van zich had laten horen aan de bewindvoerder en dat hij heeft nagelaten aan te tonen dat hij een tweetal nieuwe schulden heeft voldaan. De enkele ontkenning door [A] dat hij gedurende een jaar geen contact meer had gehad met de bewindvoerder en zijn stelling dat hij bij herhaling telefonisch contact heeft opgenomen met de bewindvoerder volstaan niet om te kunnen vaststellen dat de bewindvoerder onwaarheid heeft gesproken in zijn verslaglegging aan de rechter-commissaris en zich aldus schuldig zou hebben gemaakt aan bedrog van de rechter.

Evenmin is gesteld of gebleken dat het aan de bewindvoerder was te wijten dat de door [A] genoemde stukken niet eerder aan hem door DWI ter beschikking zijn gesteld.

Tenslotte is ook niet gebleken, als bedoeld in art. 382 Rv. lid b, dat de uitspraak berust op valse stukken, waarvan de valsheid inmiddels is erkend of in rechte is vastgesteld.

3.9. De slotsom zal dan ook moeten zijn dat hetzij [A] niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot herroeping, hetzij dat zijn verzoek moet worden afgewezen, omdat het niet berust op de in de wet bedoelde gronden.

De beslissing zal echter worden aangehouden totdat de Hoge Raad op het cassatieverzoek van [A] heeft beslist.

De rechtbank verzoekt de raadsvrouwe van [A] haar het arrest van de Hoge Raad toe te sturen, zodra zij dat in haar bezit heeft gekregen.

BESLISSING

De rechtbank:

- houdt iedere beslissing aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2010.