Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP6128

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
449821 - HA ZA 10-362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

akte van verpanding namens pandgever ondertekend?

Uit de tekst van een akte van verpanding blijkt niet dat de bestuurder van de beoogde pandgever deze mede namens de beoogde pandgever heeft ondertekend. Curator van de beoogde pandgever betwist op die grond de rechtsgeldigheid van de akte van verpanding. Bij de beantwoording van de vraag of de bestuurder de akte mede namens de beoogde pandgever heeft getekend is beslissend de zin die de personen die de akte hebben getekend in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Er zijn geen aanknopingspunten in de wet of rechtspraak die de stelling van de curator dat slechts op de (tekst van) de akte zelf acht mag worden geslagen ondersteunen. Het formele vereiste dat sprake is van een ondertekend geschrift brengt niet mee dat bij de beantwoording van de vraag namens wie iemand een geschrift getekend heeft, geen betekenis toekomt aan de intentie van de partijen. Nu de intentie van partijen onmiskenbaar was dat er een pandrecht werd gevestigd, stelt de rechtbank vast dat de bestuurder de akte mede namens de pandgever heeft ondertekend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 94
Burgerlijk Wetboek Boek 3 236
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 156
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2011/57
JOR 2011/159 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 449821 / HA ZA 10-362

Vonnis van 17 november 2010

in de zaak van

MR. ARNOLD LEONARD APPELMAN

in zijn hoedanigheid van curator van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Empee Projectontwikkeling B.V.,

kantoorhoudende te Almere,

eiser,

advocaat mr. A.L. Appelman,

tegen

de naamloze vennootschap

WESTLANDUTRECHT EFFECTENBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.R. van Lijf,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NATIONALE NEDERLANDEN FINANCIËLE DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gevoegde partij aan de zijde van WestlandUtrecht Effectenbank N.V.,

advocaat mr. D.R. van Lijf.

Partijen worden hierna de curator, WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 17 maart 2010,

- de conclusie van antwoord van WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden, met producties,

- het tussenvonnis van 12 mei 2010, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Empee Projectontwikkeling B.V., voorheen geheten [A] Projectontwikkeling B.V. (hierna: Empee), maakt deel uit van een groep van vennootschappen waar de heer [B] (hierna: [B]) direct of indirect bij betrokken is. De Specerij Beheer B.V is enig bestuurder en mede-aandeelhouder van Empee. [B] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van De Specerij Beheer B.V. Empee bezit onder meer de aandelen in een tweetal dochtervennootschappen, te weten De Soeverein Amersfoort Kantoren I B.V. en De Soeverein Amersfoort Kantoren II B.V. (hierna: de dochters).

2.2. Tot 1 oktober 2007 waren de dochters eigenaar van een tweetal kantoorpanden in Amersfoort. Op die datum zijn deze panden uit hoofde van een op 21 september 2007 gesloten koopovereenkomst geleverd aan [B] en de heer [C] en de heer [D] (hierna: [C] en [D]), tegen betaling van een koopsom van EUR 9.520.000,-.

2.3. [B], [C] en [D] hebben de koop gefinancierd bij Nationale-Nederlanden. Nationale-Nederlanden heeft als voorwaarde voor de door haar verstrekte lening gesteld dat, behalve een hypotheekrecht op de panden, extra zekerheid zou worden verschaft voor de nakoming van de aflossing- en renteverplichtingen door [B], [C] en [D]. [B] heeft zich daarop onder meer bereid verklaard om een deel van de verkoopopbrengst, dat de dochters aan Empee zouden uitkeren ter verrekening van een (gedeelte van) hun rekening-courantschuld aan Empee, aan Nationale-Nederlanden te verpanden. Het pandrecht zou aldus worden gevestigd op een saldo van EUR 500.000,-, dat door Empee zou worden gestort op een bij WestlandUtrecht lopende renterekening. Deze voorwaarde is opgenomen in het kredietvoorstel van Nationale-Nederlanden van 6 september 2007, en door [B], [C] en [D] aanvaard.

2.4. Op 29 oktober 2007 is, naast een tweetal contracten “bedrijfshypotheek”, een akte van verpanding opgemaakt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

De ondergetekenden:

1. De heer [B] (…)

De heer [D] (…)

De heer [C] (…)

hierna (gezamenlijk) te noemen “cliënt”, en

2. [A] Projectontwikkeling B.V. (…)

hierna te noemen “pandgever”, en

3. Nationale-Nederlanden Financiële Diensten B.V. (…), hierna te noemen “de bank”,

ZIJN OVEREENGEKOMEN

1. Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van al hetgeen de bank nu of te eniger tijd van cliënt te vorderen heeft of mocht hebben, meer speciaal uit hoofde van een op heden gesloten krediettransactie, verklaart pandgever hierbij in pand te geven aan de bank, die verklaart voor zich in pand aan te nemen, de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten voortvloeiend uit de renterekening, geadministreerd onder nummer 6100443 bij WestlandUtrecht Effectenbank N.V., die thans reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit voornoemde renterekening.

(…)

6. De mede-ondergetekende, WestlandUtrecht Effectenbank N.V., verklaart kennis te hebben genomen van de inhoud van deze akte van verpanding (…)

(…)

In het onderste deel van de akte, waar handtekeningen zijn gezet, is het volgende opgenomen:

Cliënt: Maatschappij: Nationale-Nederlanden

Financiële Diensten B.V.

* [B] WestlandUtrecht Effectenbank N.V.

(stempel + naam + handtekening)

* [D]

* [C]

[B], [D] en [C] hebben bij hun respectieve namen getekend. Blijkens een stempel heeft [E] de akte getekend namens WestlandUtrecht. De akte is namens Nationale-Nederlanden getekend door een niet met naam genoemde persoon.

2.5. Empee is op 28 juli 2009 failliet verklaard.

2.6. De curator heeft WestlandUtrecht op 5 november 2009 verzocht het creditsaldo op de renterekening van Empee, op dat moment een bedrag van EUR 500.161,93, aan de boedel uit te keren, en zich op het standpunt gesteld dat dit saldo niet rechtsgeldig aan Nationale-Nederlanden is verpand. Nationale-Nederlanden heeft de curator bij brief van 9 november 2009 bericht dat WestlandUtrecht het creditsaldo niet zou uitkeren, omdat WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden van mening zijn dat dit wel rechtsgeldig aan Nationale-Nederlanden is verpand.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert samengevat - veroordeling van WestlandUtrecht tot het overmaken van het creditsaldo aan de boedelrekening, op straffe van dwangsommen, met veroordeling van WestlandUtrecht in de kosten van het geding.

3.2. WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden, die zich heeft gevoegd aan de zijde van WestlandUtrecht, voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

4. De beoordeling

4.1. De wet stelt als formeel vereiste voor de vestiging van een pandrecht op een vordering dat een daartoe bestemde akte wordt opgemaakt (art. 3:236 lid 2 jo. 3:94 lid 1 BW), dat wil zeggen een ondertekend geschrift dat is bestemd om tot bewijs te dienen (art. 156 lid 1 Rv.).

De curator stelt dat de akte van verpanding niet aan deze eis voldoet, omdat deze niet namens de pandgever, Empee, is ondertekend. Uit de akte blijkt volgens de curator slechts dat [B] voor zichzelf heeft getekend.

WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden wijzen erop dat [B] bevoegd was Empee te vertegenwoordigen, en betogen dat de akte daarmee ook namens de pandgever is ondertekend.

4.2. Hieruit volgt dat de in dit geding te beantwoorden vraag is of [B] de akte, behalve voor zichzelf, ook namens Empee heeft ondertekend.

4.3. Met de curator is de rechtbank van oordeel dat dit uit de akte zelf niet blijkt. In het deel van de akte waar de handtekeningen zijn gezet is geen kopje opgenomen met de (toenmalige) naam van Empee of de in de akte voor Empee gebruikte aanduiding “pandgever”, terwijl dit wel is gedaan voor de overige in de aanhef genoemde partijen en de in artikel 6 geïntroduceerde partij WestlandUtrecht. Evenmin wordt in de aanhef, waar de partijen worden genoemd, vermeld door wie de rechtspersonen (Empee en Nationale-Nederlanden) worden vertegenwoordigd, zodat ook daaruit niet blijkt dat [B] ook tekent voor de pandgever.

4.4. Anders dan de curator betoogt, is daarmee de vraag of [B] ook namens Empee heeft getekend niet zonder meer beantwoord. Bij de beantwoording van deze vraag is beslissend de zin die de personen die de akte hebben getekend in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Er zijn geen aanknopingspunten in de wet of rechtspraak die de stelling van de curator dat slechts op de (tekst van) de akte zelf acht mag worden geslagen ondersteunen. Het formele vereiste dat sprake is van een ondertekend geschrift brengt niet mee dat bij de beantwoording van de vraag namens wie iemand een geschrift getekend heeft, geen betekenis toekomt aan de intentie van de partijen.

4.5. De curator heeft erkend dat de intentie van [B] en Nationale-Nederlanden was dat Empee het creditsaldo dat Empee aanhield bij WestlandUtrecht zou verpanden. Die intentie bestond al op 6 september 2007, de datum van het kredietvoorstel, en die intentie bestond nog steeds op 29 oktober 2007, de datum van ondertekening van de akte van verpanding. Uit artikel 1 van de akte volgt onmiskenbaar dat het doel van de akte is dat Empee (in de kop gedefinieerd als de pandgever) het creditsaldo verpandt. Nu ook vast staat dat het de partijen bij de akte duidelijk was dat [B] de enige persoon was die Empee als (indirect) bestuurder kon vertegenwoordigen, kan het niet anders zijn dan dat partijen er redelijkerwijs van zijn uitgegaan dat [B] de akte ook namens Empee tekende.

4.6. Uit de vaststelling dat [B] namens Empee heeft getekend volgt dat het creditsaldo rechtsgeldig aan Nationale-Nederlanden is verpand. WestlandUtrecht weigert daarmee terecht het creditsaldo aan de boedel uit te keren. De vordering van de curator moet worden afgewezen.

4.7. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden worden begroot op:

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,-)

Totaal EUR 1.167,00

4.8. WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden vorderen wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf acht dagen na de datum van betekening van dit vonnis. Deze vordering is onweersproken en mitsdien toewijsbaar.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van WestlandUtrecht en Nationale-Nederlanden tot op heden begroot op EUR 1.167,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf acht dagen na de datum van betekening van dit vonnis ,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.?