Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP6100

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
444024 / HA ZA 09-3751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid advocaat

Advocaat wijst cliënt in strafzaak niet op zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand vanaf het moment van zijn inverzekeringstelling. Schending van gedragsregel 24 lid 1. Voor zover de advocaat meende dat hij aanwijzingen had om aan te nemen dat zijn cliënt op de hoogte was van deze aanspraak, had hij zich ervan moeten vergewissen of dat ook daadwerkelijk het geval was. De advocaat heeft hier een eigen taak en verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid rust ook op een advocaat die vanwege zijn opgebouwde reputatie in feitelijke aanleg in beginsel slechts op betalende basis optreedt. Advocaten zijn niet gehouden om gefinancierde rechtsbijstand te verlenen, maar ook advocaten die slechts op betalende basis wensen op te treden dienen zich te houden aan gedragsregel 24 lid 1. Een advocaat die slechts optreedt op betalende basis dient zich er van te vergewissen dat een cliënt die zich tot hem wendt en van wie hij weet dat deze aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand daarvan op de hoogte is, zodat zijn cliënt een geïnformeerde keuze kan maken tussen betaalde bijstand door de aangezochte raadsman of gefinancierde rechtsbijstand door een andere raadsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 444024 / HA ZA 09-3751

Vonnis van 10 november 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G. Spong (voorheen mr. R.E. Gerritsen),

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 april 2010 (hierna: het tussenvonnis)

- de akte van [A] van 26 mei 2010, met producties

- de antwoord akte na comparitie van 7 juli 2010 van [B], met producties, alsmede de daarbij behorende op 7 juli 2010 aan de rechtbank nagezonden productie 7

- de akte uitlaten producties van [A] van 21 juli 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

2.1. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vragen:

- of [B] vanaf het moment van zijn inverzekeringstelling aanspraak kon maken op geheel dan wel gedeeltelijk gefinancierde rechtsbijstand,

- zo ja, of mr. [A] hem daar niet op heeft gewezen,

- zo ja, of mr. [A] daarmee, gegeven de omstandigheden van het geval, toerekenbaar tekort is geschoten jegens [B], en

- of [B], indien mr. [A] hem wel op zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand zou hebben gewezen, zich tot een andere raadsman zou hebben gewend, die hem als toegevoegd raadsman zou willen bijstaan, en of [B] daarna geen verdere kosten voor rechtsbijstand zou hebben hoeven maken, en

- met welke door [A] in rekening gebrachte (en al dan niet reeds door [B] voldane) kosten van rechtsbijstand [B] dan niet zou zijn geconfronteerd.

Uitgangspunten

2.2. [A] beaamt dat [B] vanaf het moment van zijn inverzekeringstelling aanspraak kon maken op kosteloze rechtsbijstand, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Partijen hebben niets gesteld over een eventueel verschuldigde eigen bijdrage, zodat uitgangspunt zal zijn dat [B] recht had op geheel kosteloze rechtsbijstand. De rechtbank zal er ook van uitgaan dat mr. [A] [B] niet heeft gewezen op deze aanspraak. [A] heeft slechts aangevoerd dat mr. [A] nu niet meer kan achterhalen of hij dit heeft gedaan. Daarmee heeft [A] de stelling van [B] dat mr. [A] dit niet heeft gedaan niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken, zodat deze komt vast te staan.

Toerekenbare tekortkoming [A]

2.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of [A] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [B] door deze niet te wijzen op zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand vanaf 20 mei 2008, het moment van zijn inverzekeringstelling.

2.4. [B] stelt dat dit nalaten een schending oplevert van gedragsregel 23 lid 2, waarin is bepaald dat een advocaat het maken van onnodige kosten behoort te vermijden, en gedragsregel 24 lid 1, luidende:

Tenzij een advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, is hij verplicht met zijn cliënt bij het begin van de zaak en verder telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen.

2.5. [A] voert aan dat het niet nodig was dat mr. [A] [B] informeerde over zijn aanspraak op kosteloze rechtsbijstand, en dat haar dus niets valt te verwijten, omdat:

- op voet van het bepaalde in artikel 6 van de Beschikking aanwijzing advocaat van 9 januari 1987 de officier of hulpofficier van justitie de verdachte bij aanvang van de inverzekeringstelling mondeling inlicht omtrent zijn recht op een toegevoegd raadsman, en dat [B] dus vanaf 20 mei 2008 wist dat hij recht had op een toegevoegd raadsman,

- uit de verzending aan mr. [A] van het bevel tot verlenging inverzekeringstelling van 22 mei 2008 en het bezoek dat mr. [A] die dag aan [B] heeft afgelegd blijkt dat [B] de hulpofficier heeft meegedeeld geen gebruik te willen maken van de plaatselijke piketadvocaat, maar bijstand van zijn gekozen raadsman, mr. [A], te wensen,

- [B] wist dat hij vanaf het moment van inverzekeringstelling recht had op kosteloze rechtsbijstand omdat hij jurist is en de titel LLM voert, en over strafvorderlijke kennis beschikt,

- het bestaan van gefinancierde rechtsbijstand een feit van algemene bekendheid is dat uit algemeen toegankelijke bronnen, zoals Het Nederlandse Strafproces van Corstens, is te halen,

- in de aan een dagvaarding gehechte toelichting op de procedure wordt vermeld dat aan een gedetineerde verdachte een advocaat wordt toegewezen en dat de verdachte in voorkomend geval bij het Bureau Rechtsbijstandvoorziening om een advocaat kan vragen,

- van algemene bekendheid is dat mr. [A] vanwege zijn opgebouwde reputatie in feitelijke aanleg in beginsel slechts als gekozen raadsman op betalende basis optreedt, zoals ook is weergegeven in de algemene voorwaarden van [A], die op haar website zijn gepubliceerd.

2.6. Het gelijk is aan de zijde van [B]. Niet in geding is dat mr. [A] bij het eerste contact mocht aannemen dat [B], gelet op zijn inkomen, niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam. De rechtbank gaat er vanuit dat hij op dat moment - zoals gedragsregel 24 lid 1 het noemt - goede gronden had om dit punt niet ter sprake te brengen. Dat werd anders toen [B] in verzekering werd gesteld, omdat hij vanaf dat moment wel aanspraak kon maken op kosteloze rechtsbijstand. De door gedragsregel 24 lid 1 gestelde eis om niet alleen bij aanvang van de zaak maar ook “telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat” te overleggen of er termen zijn om door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen, brengt mee dat mr. [A] [B] uiterlijk op het moment van zijn inverzekeringstelling had moeten informeren dat hij vanaf dat moment aanspraak kon maken op kosteloze rechtsbijstand.

2.7. Voor zover [A] met haar stellingen dat de hulpofficier [B] hierop moest wijzen en [B] zelf met deze aanspraak bekend had kunnen en moeten zijn bedoelt te betogen dat er voor mr. [A] geen aanleiding was om een en ander met [B] te bespreken, doet zij dit ten onrechte. [A] voert niets aan waaruit zonder meer blijkt dat [B] op de hoogte was van zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand. Als al, zoals [A] betoogt, uit de wettelijke regeling voortvloeit dat een hulpofficier de verdachte op zijn aanspraak moet wijzen (wat overigens niet blijkt uit de door [A] aangehaalde bepaling), betekent dit nog niet dat de hulpofficier dit in het betreffende geval heeft gedaan. [B] betwist gemotiveerd dat dit is gebeurd. Ook brengt het feit dat [B] (die fiscalist is) rechten heeft gestudeerd niet mee dat hij op de hoogte is van de regels omtrent gefinancierde rechtsbijstand in strafzaken. Voor zover mr. [A] meende dat hij aanwijzingen had om aan te nemen dat [B] op de hoogte was van zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand, had hij zich ervan moeten vergewissen of dat ook daadwerkelijk het geval was. De advocaat heeft hier een eigen taak en verantwoordelijkheid en mag er niet op vertrouwen dat de hulpofficier het wel uitlegt of de cliënt het wel zal weten. Deze verantwoordelijkheid rust ook op een advocaat die vanwege zijn opgebouwde reputatie in feitelijke aanleg in beginsel slechts op betalende basis optreedt. Advocaten zijn niet gehouden om gefinancierde rechtsbijstand te verlenen, maar ook advocaten die slechts op betalende basis wensen op te treden dienen zich te houden aan gedragsregel 24 lid 1. Een advocaat die slechts optreedt op betalende basis dient zich er van te vergewissen dat een cliënt die zich tot hem wendt en van wie hij weet dat deze aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand daarvan op de hoogte is, zodat zijn cliënt een geïnformeerde keuze kan maken tussen betaalde bijstand door de aangezochte raadsman of gefinancierde rechtsbijstand door een andere raadsman. Hij kan dit slechts achterwege laten indien hij goede gronden heeft om aan te nemen dat de cliënt daarvan op de hoogte is. In dit geval is van dergelijke goede gronden niet gebleken.

2.8. De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat [A] jegens [B] toerekenbaar tekort is geschoten door hem er niet op te wijzen dat hij vanaf het moment van zijn inverzekeringstelling aanspraak kon maken op kosteloze rechtsbijstand.

Causaal verband tussen de tekortkoming van [A] en de door [B] gemaakte kosten van rechtsbijstand

2.9. Partijen verschillen ook van mening over de vraag of [B], indien mr. [A] hem wel op zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand zou hebben gewezen, zich tot een andere raadsman zou hebben gewend, die hem als toegevoegd raadsman zou hebben willen bijstaan, zodat [B] daarna geen verdere kosten voor rechtsbijstand zou hebben gemaakt.

2.10. [A] betoogt dat uit een brief van mr. [C], die mr. [A] als raadsman van [B] heeft opgevolgd, blijkt dat [B] hem (ook) heeft verzocht om bijstand als gekozen raadsman, terwijl voor zover [A] bekend is ook de huidige raadsvrouw, mr. [D], als gekozen raadsvrouw optreedt. Kennelijk verbindt [A] hieraan de conclusie dat [B], indien [A] hem op zijn aanspraak op gefinancierde bijstand had gewezen, zich niet tot een andere advocaat zou hebben gewend die hem op die basis zou hebben willen bijstaan. [B] stelt evenwel dat alle opvolgende raadslieden, te weten mr. [C], mr. [D] en mr. [E], hem op basis van gefinancierde rechtsbijstand hebben bijgestaan. Hij verwijst daarbij naar een verklaring van mr. [C], waarin deze bevestigt dat hij [B] op die basis heeft bijgestaan en verklaart waarom hij zich in de door [A] genoemde brief heeft gesteld als gekozen raadsman, alsmede een verklaring van mr. [D], die schrijft dat ook zij [B] heeft bijgestaan op basis van een zogeheten last tot toevoeging, en dat zij deze last tot toevoeging aan mr. [E] heeft doorgestuurd. Een en ander is door [A] niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van [B].

2.11. Nu is vastgesteld dat [B] zich na de vertrouwensbreuk met mr. [A] louter heeft laten bijstaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand, acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat, indien mr. [A] hem op zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand had gewezen, [B] zich omstreeks het moment van zijn inverzekeringstelling al tot een andere raadsman of raadsvrouw zou hebben gewend, die hem zou hebben bijgestaan op basis van kosteloze rechtsbijstand. Daaruit volgt dat de kosten van rechtsbijstand die [B] na dit moment heeft gemaakt, als schade ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van [A] moeten worden aangemerkt nu [B] deze, de tekortkoming weggedacht, niet zou hebben gemaakt.

Omvang kosten van rechtsbijstand die [B], de tekortkoming weggedacht, niet zou hebben gemaakt

2.12. In het tussenvonnis zijn partijen ten slotte in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag met welke door [A] in rekening gebrachte (en al dan niet reeds door [B] voldane) kosten van rechtsbijstand [B] niet zou zijn geconfronteerd, indien [A] hem op zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand zou hebben gewezen.

2.13. Niet in geding is dat [B] in dat geval niet zou zijn geconfronteerd met de declaraties, waarvan [A] thans in conventie betaling vordert. Deze declaraties hebben immers alle betrekking op de periode van na de inverzekeringstelling van [B]. Het bedrag van de niet door [B] voldane declaraties is, zo begrijpt de rechtbank, gelijk aan het bedrag dat [A] in conventie vordert.

2.14. [B] heeft daarnaast een opsomming gegeven van de wel door hem voldane declaraties, en deze declaraties in kopie overgelegd. [B] stelt dat hij in totaal EUR 14.825,79 aan [A] heeft voldaan. [A] heeft dit niet weersproken en heeft zich ook overigens niet uitgelaten over de laatste vraag uit het tussenvonnis, zodat de rechtbank zal uitgaan van de juistheid van het door [B] genoemde bedrag. Daarmee is evenwel niet gezegd dat dit bedrag in zijn geheel als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [A] kan worden aangemerkt. Blijkens de door [B] verstrekte toelichting ziet één van de facturen (factuur 280298 van 9 mei 2008, waarbij EUR 1.480,22 is gedeclareerd) op werkzaamheden van mr. [A] in de periode van 1 tot en met 30 april 2008. Het gaat dus om een declaratie voor werkzaamheden van voor het moment van inverzekeringstelling, toen [B] nog geen aanspraak kon maken op gefinancierde rechtsbijstand. Die kosten zou [B] dus hoe dan ook hebben moeten maken. De rechtbank stelt daarom vast dat de kosten van rechtsbijstand die [B] niet zou hebben voldaan indien mr. [A] hem op zijn aanspraak op gefinancierde rechtsbijstand zou hebben gewezen (EUR 14.825,79 - EUR 1.480,22 =) EUR 13.345,57 bedragen.

in conventie

2.15. De verplichting van [B] tot betaling van de uitstaande declaraties van [A], die de inzet is van het geding in conventie, vindt zijn grondslag in de overeenkomst van opdracht tussen [A] en [B], waarbij is overeengekomen dat werkzaamheden tegen een bepaald uurtarief worden gedeclareerd. De vaststelling dat [A] toerekenbaar tekort is geschoten heeft op zichzelf geen gevolg voor deze betalingsverplichting, nu [B] bijvoorbeeld niet de ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen of de overeenkomst anderszins heeft willen aantasten. Daarmee dient de vordering in conventie - los van de (overige) verweren die [B] daartegen in conventie heeft aangevoerd - in beginsel te worden toegewezen.

2.16. Uit het voorgaande volgt echter dat de door [B] als gevolg van de tekortkoming geleden schade, behalve uit de onder 2.14 genoemde kosten die hij reeds aan [A] heeft voldaan, ook bestaat uit de kosten van rechtsbijstand die [B] nog aan [A] heeft te voldoen. Ook de uitstaande vordering van [A] levert [B] een vermogensnadeel op, dat hij zonder de toerekenbare tekortkoming van [A] niet zou hebben geleden. Indien de rechtbank de vordering in conventie zou toewijzen, zou zij tevens moeten oordelen dat [A] gehouden is het toe te wijzen bedrag, zijnde als gevolg van de tekortkoming geleden schade, aan [B] te vergoeden. Nu [B] zich in conventie op verrekening beroept, is de slotsom van het geding in conventie dat de vordering tot nakoming van [A] wegvalt tegen de daarmee corresponderende vordering van [B] tot schadevergoeding. De vordering dient te worden afgewezen. De (overige) door [B] in conventie gevoerde verweren kunnen buiten beschouwing blijven.

2.17. [A] zal, als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- vast recht 316,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.446,00

in reconventie

2.18. In zijn antwoord akte na comparitie van 7 juli 2010 verzoekt [B] (punt 25) de rechtbank tot veroordeling van [A] tot creditering van door [A] verstuurde declaraties, tot (terug-) betaling van een bedrag van EUR 14.825,79 aan door [B] voldane declaraties, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 24 april dan wel 20 mei 2008, alsmede vergoeding van reiskosten van EUR 464,10 en parkeerkosten van EUR 50,-, met veroordeling van [A] in de daadwerkelijke advocaatkosten in deze procedure.

In de conclusie onder deze akte stelt [B] echter dat hij persisteert, terwijl hij noch in de kop van zijn antwoord akte, noch in het B-formulier waarmee de akte is ingediend vermeldt dat hij zijn eis wijzigt, wat uitdrukkelijk wordt voorgeschreven door artikel 2.6 van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken. De rechtbank kan dit verzoek dan ook niet aanmerken als wijziging van eis. Daarbij is doorslaggevend dat [A], omdat [B] niet aan de genoemde formele vereisten heeft voldaan, niet expliciet in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over dit verzoek van [B].

De rechtbank heeft dus te beslissen op hetgeen [B] bij conclusie van eis in reconventie heeft gevorderd.

2.19. De eis dat [A] de gedeclareerde werkzaamheden nader specificeert zal worden afgewezen, nu [B] daarbij, gegeven de afwijzing van de vordering in conventie, geen belang meer heeft.

2.20. De eis tot veroordeling van [A] tot betaling van een bedrag van EUR 15.000,- bij wijze van voorschot op aan [B] toekomende schadevergoeding, alsmede tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, leent zich evenmin voor toewijzing. In het voorgaande is al vastgesteld dat de schade van [B] bestaat uit enerzijds de kosten van rechtsbijstand die [B] nog aan [A] had te voldoen, die hiervoor in conventie zijn verrekend met de vordering van [A], en anderzijds een bedrag van EUR 13.345,57 aan betaalde declaraties. Nu de rechtbank de schade al heeft kunnen begroten, is er geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, al dan niet met toekenning van een voorschot. De rechtbank zal een bedrag van EUR 13.345,57 aan schadevergoeding toewijzen, en de vordering van [B] in reconventie voor het overige afwijzen.

2.21. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien [B] zijn eis zou hebben gewijzigd en de vordering in reconventie had geluid zoals omschreven in punt 25 van zijn antwoord akte, dit op basis van hetgeen partijen in deze procedure hebben aangevoerd niet zou hebben geleid tot toekenning van een hoger bedrag aan schadevergoeding. Voor wat betreft de door [B] opgevoerde reiskosten en parkeerkosten is gesteld noch gebleken dat [B] deze niet zou hebben gemaakt indien hij door een andere raadsman of raadsvrouw zou zijn bijgestaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand. De gestelde kosten kunnen daarmee niet als kosten ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming worden aangemerkt.

2.22. [A] zal, als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op EUR 565,00 aan salaris advocaat (2,5 punten × tarief EUR 452,00 x 0,5).

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vordering af,

3.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op EUR 1.446,-,

3.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4. veroordeelt [A] om aan [B] te voldoen een bedrag van EUR 13.345,57,

3.5. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op EUR 565,-,

3.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2010.?