Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP5506

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2010
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
439442 / HA ZA 09-3163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mandeligheid. Verhouding tussen de artikelen 3:170 en 5:65 BW.

Werkzaamheden verricht aan mandelige funderingsmuur zonder de benodigde toestemming van de mede-eigenaar. Dat is onrechtmatig en maakt schadeplichtig, maar alleen voor de schade die het gevolg is van het feit dat is nagelaten de toestemming te vragen. Omdat het herstel noodzakelijk was, had het immers ook moeten worden uitgevoerd als wel toestemming was gevraagd. De mede-eigenaar is wel gehouden bij te dragen in de kosten van het herstel van de muur, ook al ontbrak de vereiste toestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 439442 / HA ZA 09-3163

Vonnis van 8 december 2010

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

2. [B],

wonende te --,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. F-N. Grooss te ’s-Gravenhage,

tegen

1. [C],

wonende te --,

2. [D],

wonende te --,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J. Koekkoek te Haarlem.

Partijen zullen hierna [A] c.s. (respectievelijk [A] en [B]) en [C] c.s. (respectievelijk [C] en [D]) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 december 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 24 maart 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De panden aan de -- 3, 3A en 3B te -- zijn naast elkaar gelegen. [C] c.s. zijn gezamenlijk eigenaar van het pand op nr. 3. Het pand op nr. 3A in die straat was tot 2008 eigendom van [B] en zijn zuster, en is toen gesplitst in drie appartementsrechten, waarvan 3A1 en 3A3 bij hen in eigendom zijn gebleven, terwijl 3A2 is verkocht aan de heer [E]. [A] is de eigenaar van het pand op nr. 3B.

2.2. Op 26 januari 2005 hebben [A], [B] en [D] een ‘Betalingsovereenkomst funderingsput -- 3B’ (hierna: de betalingsovereenkomst) gesloten. Daarin staat onder meer vermeld dat zij verklaren:

de kosten van de funderingsput op 31 januari 2005 t/m 2 februari en van het totale funderingsonderzoek te delen. De kosten zijn hieronder vermeld. Elke partij betaalt even veel. Als het funderingsrapport niet gebruikt kan worden voor de splitsing van pand 3 en 3A, betaalt partij 1 [[A], rechtbank] de totale kosten voor de funderingsput.

2.3. Op 16 maart 2005 heeft IFCO Funderingscontrole BV (hierna IFCO) een rapport uitgebracht, waarin voor zover hier van belang, het volgende staat:

1. Inleiding

Op 21 oktober 2004 ontving IFCO Funderingscontrole BV van de heer [B] opdracht voor het uitvoeren van metingen en onderzoeken in verband met de aanvraag van een splitsingsvergunning voor het pand -- 3A te --. Op 1 december 2004 is deze opdracht uitgebreid tot metingen en onderzoeken in verband met de aanvraag voor een splitsingsvergunning voor de panden -- 3A en 3B te --.

Dit rapport bevat de resultaten van de verrichtte metingen en onderzoeken alsmede een verslag van onze bevindingen.

(…)

9.4 waterpassingen

* uit het resultaat van de metingen blijkt dat het zakkingsverschil van de voorgevel van de panden -- 3, 3A en 3B minder dan 10 mm bedraagt. Aangezien de breedte van de panden ca. 4,4 m is, is de rotatie van de voorgevel minder dan ca. 1:440, hetgeen als uitstekend kan worden beoordeeld

(…)

10 Bespreking resultaten onderzoek en metingen

Uit de meetboutgegevens blijkt dat de panden -- 3A en 3B een zakkingstempo van rond de 4 mm/jaar ondergaan. (…) Uit de lintvoeg meting blijkt de panden -- 3, 3A en 3B sinds de bouw gelijkmatig te zijn gezakt.

(…)

11 Conclusie’s en Aanbevelingen

Ten behoeve van de aanvraag van een splitsingsvergunning voor de panden -- 3A en 3B -- heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de funderingstechnische staat van deze panden.

Voor zover kan worden beoordeeld dient het optredende zakkingstempo van de voorgevels te worden toegeschreven aan de sterk verzwakte palen. Gezien deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat eerder dan 25 jaar maatregelen met betrekking tot de fundering genomen moeten worden. Mede gezien het zakkingstempo van de meetbouten wordt derhalve geadviseerd om op korte termijn, dat wil zeggen binnen 5 jaar, een funderingsherstel te laten uitvoeren. (…)

Door het herstel van een fundering wordt de zakking van een pand praktisch nul. Wij hebben begrepen dat er nog geen funderingsherstel is uitgevoerd aan de belendingen en er is daarom geen reden om te veronderstellen dat het zakkingstempo van de belendingen in de komende tijd zal afnemen. De verwachting is dat de kwaliteit van de funderingen van de belendingen ook in hoge mate is afgenomen sinds de bouw. Door de relatieve verschillen in zakkingstempo van enerzijds een pand met een nieuwe fundering en enerzijds die met een verzwakte fundering kan er schade (bijvoorbeeld scheuren) aan de panden optreden. Geadviseerd wordt daarom voor zo ver mogelijk het herstel in samenwerking met de eigenaren van de belendingen te laten uitvoeren.

2.4. De kosten van het funderingsonderzoek bedroegen in totaal EUR 5.513,87 en zijn voldaan door [A]. [B] heeft vervolgens eenderde deel van die kosten (EUR 1.837,96) aan [A] betaald. [D] heeft geweigerd mee te betalen aan de onderzoekskosten.

2.5. In een brief, gedateerd 21 december 2005, van [F], Hoofd van de afdeling vergunningen van stadsdeel Oud Zuid te --, staat onder meer het volgende:

Onderwerp

Funderingsonderzoek voor het adres -- 3

(…)

Naar aanleiding van uw schrijven (…) kan ik u mededelen dat er een put is gegraven bij het adres -- 3B. Het onderzoek van dit adres heeft uitgewezen dat er funderingsherstel plaats moet vinden bij de adressen 3A en 3B. Bij het adres -- 1C is de fundering wel in orde. Gelet op het feit dat de panden zakken in de richting van -- 3B is de verwachting van het stadsdeel dat de fundering niet zal voldoen.

(…)

2.6. In opdracht van [A] c.s. heeft [G] Funderingstechniek BV werkzaamheden verricht aan de fundering van (in elk geval) de panden op nr. 3A en 3B. De kosten voor die werkzaamheden bedroegen in totaal EUR 72.938,96.

2.7. Bij brief van 3 februari 2009 heeft de advocaat van [A] [D] - voor zover hier van belang - gesommeerd binnen acht dagen eenzesde deel van de funderingskosten te voldoen. [C] c.s. hebben echter geen bijdrage in die kosten betaald.

2.8. [H], controlerend constructeur van Stadsdeel Oud Zuid heeft bij e-mail van 1 maart 2009 - voor zover relevant - het volgende geschreven aan de raadsvrouw van [A] c.s.:

- volgens onze Welstand orde kaart van het betreffende gebied/bouwblok vormen de panden 3, 3A en 3B vormen dezelfde bouweenheid

- dit houdt in dat de bouwmuren tussen de panden gemeenschappelijk/mandelig zijn

- definitief kan men dit d.m.v. een archief onderzoek vaststellen of zien

Maar u kunt in het algemeen ervan uitgaan dat dit klopt.

2.9. Een brief gedateerd 9 maart 2010 van Wareco Ingenieurs aan de raadsvrouw van [A] c.s., vermeldt voor zover hier van belang het volgende:

Naar aanleiding van uw schriftelijke opdracht van 3 maart 2010, ontvangt u hierbij de beantwoording van de door u gestelde vragen. (…)

Is de funderingsmuur tussen 3A en 3 mandelig?

De bouwmuur is door Wareco op 7-12-2005 ingemeten en vastgesteld is dat deze mandelig is.

Is het gedeelte van de fundering van perceel 3 dat grenst aan perceel 3A nu geheel onderhoudsvrij?

De fundering onder de bouwmuur tussen -- 3 en 3A is conform het Bouwbesluit uitgevoerd en derhalve voor tenminste 50 jaar onderhoudsvrij.

2.10. Wareco Ingenieurs heeft verder op verzoek van [A] c.s. een ‘Voorstel verdeelsleutel mandelige bouwmuren omgeslagen over het op te vangen gewicht’ gedaan, waarin de bouwmuur tussen nrs 3 en 3A op 35% van de totale belasting is bepaald en het voorstel is gedaan de kosten tussen nr 3 en nr 3A bij helfte te verdelen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [A] c.s. vorderen samengevat:

1. veroordeling van [D] tot betaling van EUR 1.837,96 in verband met de kosten van het funderingsrapport, vermeerderd met de wettelijke rente,

2. veroordeling van [C] c.s. tot vergoeding van EUR 12.156,50, vermeerderd met de wettelijke rente,

3. veroordeling van [C] c.s. tot betaling van EUR 1.788,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente,

4. veroordeling van [C] c.s. in de proceskosten.

3.2. Aan hun vorderingen leggen [A] c.s. kort weergegeven het volgende ten grondslag. [D] was op grond van de betalingsovereenkomst gehouden eenderde deel van de kosten van het onderzoek, te weten EUR 1.837,96, bij te dragen. Verder zijn [C] c.s. op grond van artikel 5:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht om bij te dragen in de kosten van het uitgevoerde funderingsherstel, namelijk voor zover dat herstel de mandelige funderingsmuur tussen de panden op nrs. 3 en 3A betrof. Omdat het totale herstel drie muren omvatte, is het redelijk dat [C] c.s. eenzesde deel van de gemaakte kosten voldoen, dus EUR 12.156,50. Subsidiair is sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [C] c.s. door de verrichte werkzaamheden aan hun fundering.

3.3. [D] bestrijdt gehouden te zijn om bij te dragen in de onderzoekskosten met betrekking tot de fundering. [C] c.s. voeren verder verweer tegen de overige vorderingen van [A] c.s. Zij betwisten dat herstelwerkzaamheden aan de fundering van pand nr. 3 hebben plaatsgevonden en zij bestrijden ook de hoogte van de kosten daarvoor. [C] c.s. betwisten subsidiair dat de funderingsmuur mandelig is. Meer subsidiair stellen zij zich op het standpunt dat [A] c.s. geen vergoeding van kosten toekomt, omdat [C] c.s. geen toestemming hebben verleend voor het werk aan de fundering terwijl er ook geen acute noodzaak was om daartoe over te gaan. Ook is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking, omdat de verrijking aan [C] c.s. is opgedrongen, zo stellen zij.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4. Voor zover komt vast te staan dat in opdracht van [A] c.s. funderingswerkzaamheden zijn uitgevoerd aan het pand op nr. 3, vorderen [C] c.s. samengevat - een verklaring voor recht dat [A] c.s. herstelwerkzaamheden hebben laten verrichten zonder toestemming van [C] c.s. of de rechter, dat zij daarmee onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij aansprakelijk zijn voor de door [C] c.s. geleden schade, met veroordeling van [A] c.s. in de proceskosten.

3.5. [A] c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

kosten funderingsonderzoek

4.1. [D] voert tegen de vordering met betrekking tot de kosten van het funderingsonderzoek aan dat het onderzoek alleen betrekking had op de panden op nrs. 3A en 3B, en niet op nr. 3, haar eigen pand. Het rapport van IFCO kan dan ook niet worden gebruikt voor de aanvraag van een splitsingsvergunning van pand nr. 3, zo stelt zij. Dat verweer slaagt. Uit het rapport van IFCO is op te maken dat alleen opdracht is gegeven voor onderzoek naar de staat van de funderingen van de panden op nrs. 3A en 3B. Het rapport vermeldt dat het onderzoek die twee panden heeft betroffen, en ook de conclusies en aanbevelingen gaan over die panden. Wel wordt in het rapport op twee plaatsen (onder 9.4 en 10) mede over pand nr. 3 gesproken, maar dat is onvoldoende, alleen al omdat de conclusies over dat pand niets inhouden. Het moet er daarom voor gehouden worden dat het rapport niet bruikbaar is voor een splitsingsaanvraag voor pand nr. 3. [A] c.s. hebben nog gewezen op de brief van Wareco ingenieurs van 9 maart 2010 (zie 2.9), maar daarin is, anders dan [A] c.s. stellen, niet te lezen dat ervan uitgegaan mag worden dat de fundering van de drie panden in dezelfde staat verkeerde. Dat de panden 3 en 3A een bouweenheid vormen, zoals in het rapport van IFCO staat, is ook onvoldoende om die conclusie te trekken. De brief van stadsdeel Oud Zuid van 21 december 2005 (zie 2.5) bevat niet meer dan een verwachting van het stadsdeel over de staat van de fundering van nr. 3, en onderbouwt de stelling van [A] c.s. dat de staat van die fundering al blijkt uit het rapport van IFCO dus evenmin. Daarmee doet zich het geval voor zoals genoemd in de betalingsovereenkomst, waarin [D] niet hoeft mee te betalen aan de kosten van het onderzoek. Vordering 1 in conventie zal dan ook worden afgewezen.

(on)rechtmatigheid van de funderingswerkzaamheden; funderingskosten

4.2. In conventie ligt vervolgens de vraag voor of [C] c.s. moeten bijdragen aan de kosten van het funderingsherstel. De (voorwaardelijke) reconventionele vordering tot vergoeding van schade als gevolg van die werkzaamheden houdt daarmee verband. De rechtbank zal die vorderingen samen behandelen.

4.3. [C] c.s. bestrijden niet dat er werkzaamheden bij de buurpanden (bedoeld is kennelijk nrs. 3A en 3B) hebben plaatsgevonden. Zij betwisten echter dat ook werkzaamheden aan de funderingsmuur tussen nrs. 3 en 3A zijn verricht, nu zij daar niets van hebben gemerkt. In reactie daarop hebben [A] c.s. de onder 2.9 en 2.10 vermelde stukken van Wareco Ingenieurs overgelegd. Daaruit is op te maken dat de werkzaamheden wel (mede) de muur tussen nrs. 3 en 3A hebben omvat. Omdat het verweer vervolgens niet nader is onderbouwd, zal het worden gepasseerd. Dat betekent tevens dat de voorwaarde van de reconventionele vordering is vervuld, zodat de rechtbank ook daarover een oordeel zal geven.

4.4. De bestrijding door [C] c.s. dat de muur tussen nr. 3 en 3A mandelig is, wordt weersproken door het oordeel van Wareco Ingenieurs dat de muur is ingemeten en dat is vastgesteld dat wel van mandeligheid sprake is (zie 2.9). De onder 2.8 geciteerde e-mail van stadsdeel Oud Zuid ondersteunt dat oordeel. [C] c.s. zijn echter vervolgens op de comparitie van partijen niet op de brief van Wareco Ingenieurs ingegaan, maar hebben ermee volstaan erop te wijzen dat in de genoemde e-mail van het stadsdeel, evenals in het IFCO-rapport, niet met zekerheid geconcludeerd wordt dat de muur mandelig is. Dat kan niet gelden als (gemotiveerde) weerspreking van de onderbouwde stelling van [A] c.s. op dat punt. Gelet daarop gaat de rechtbank aan het verweer voorbij en houdt zij het ervoor dat de bewuste funderingsmuur mandelig is.

4.5. Tussen partijen staat vast dat [A] c.s. de funderingswerkzaamheden hebben doen uitvoeren zonder daarvoor toestemming te vragen aan [C] c.s. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het ontbreken van die toestemming de werkzaamheden onrechtmatig maakt en of [C] c.s. in die omstandigheden aan de kosten van het funderingsherstel moeten bijdragen.

4.6. Omdat mandeligheid een bijzondere vorm van gemeenschap is, zijn de bepalingen inzake de gemeenschap van titel 3.7 BW ook van toepassing op mandelige zaken, tenzij de bijzondere bepalingen over mandeligheid (titel 5.5 BW) zich daartegen verzetten.

4.7. Artikel 3:170 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat ieder van de deelgenoten zo nodig zelfstandig handelingen tot gewoon onderhoud of behoud van een gemeenschappelijk goed kan verrichten, evenals handelingen die geen uitstel kunnen lijden. Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten gezamenlijk tenzij een regeling anders bepaalt, aldus lid 2 van dat artikel. Volgens lid 3 zijn de deelgenoten uitsluitend gezamenlijk bevoegd tot andere handelingen dan de in de leden 1 en 2 genoemde.

4.8. Artikel 5:65 BW luidt:

Mandelige zaken moeten op kosten van alle mede-eigenaars worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd.

4.9. [A] c.s. hebben zich ter ondersteuning van hun standpunt dat [C] c.s. wel in de kosten moeten bijdragen, beroepen op een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 6 september 2007 (LJN BC0310). In dat arrest is geoordeeld dat artikel 5:65 BW een afwijking oplevert van artikel 3:170 BW, omdat iedere mede-eigenaar van een mandelige zaak de andere kan dwingen om bij te dragen in de kosten van vernieuwing, terwijl dat op grond van artikel 3:170 BW niet mogelijk is bij gewone gemeenschappelijke zaken. Het hof concludeerde daarom dat in geval van vernieuwing, zoals in die zaak aan de orde was, niet de algemene bepalingen van gemeenschap van titel 3.7 BW gelden, maar alleen artikel 5:65 BW, zodat alleen beoordeeld diende te worden of de vernieuwing nodig was.

4.10. [C] c.s. hebben verwezen naar een arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 mei 2008 (LJN BD5907), waarin werd geoordeeld dat redelijke wetsuitleg van beide genoemde artikelen meebrengt dat alleen in het geval van acute noodzaak tot een ingrijpend, naar vernieuwing neigend onderhoud, de ene deelgenoot zonder instemming van de andere (en zonder vervangende toestemming van de rechter) maatregelen bestaande in dergelijk onderhoud mag nemen. Omdat er in dat geval volgens het hof geen sprake was van zo’n acute noodzaak en ook geen toestemming was verkregen, kon de deelgenoot die de werkzaamheden had doen uitvoeren volgens dit hof geen aanspraak maken op vergoeding van de kosten.

4.11. De rechtbank stelt ten aanzien van de verhouding tussen de artikelen 3:170 en 5:65 BW voorop dat laatstgenoemde bepaling wel een regeling geeft over de kosten van onderhoud en vernieuwing, maar niets zegt over de vraag of toestemming van de andere deelgenoten nodig is. Daarom is artikel 3:170 BW, dat wel regelt wanneer toestemming vereist is, ook van toepassing op mandelige zaken.

4.12. Voor zover de werkzaamheden aan de mandelige funderingsmuur tussen de nrs. 3 en 3A niet konden worden uitgesteld, mochten [A] c.s. deze zelfstandig laten doen (artikel 3:170 lid 1 BW). [A] c.s. hebben echter niet gesteld dat zij niet konden wachten met de werkzaamheden. Verder werd in het IFCO-rapport wel geadviseerd “om op korte termijn, dat wil zeggen binnen 5 jaar, een funderingsherstel te laten uitvoeren”, maar die termijn was voldoende om de toestemming van [C] c.s. te vragen en om, als die toestemming werd geweigerd, zo nodig toestemming van de rechter te verkrijgen. [A] c.s. hadden dus op grond van artikel 3:170 lid 3 BW toestemming van de andere deelgenoten nodig om het herstelwerk aan de mandelige muur te mogen uitvoeren. Omdat [C] c.s. die toestemming niet hebben gegeven, terwijl ook niet is gesteld dat vooraf toestemming van de rechter is verkregen, hebben de werkzaamheden aan de funderingsmuur in strijd met de wet - en dus onrechtmatig - plaatsgevonden. In zoverre is de reconventionele vordering dan ook toewijsbaar. De vraag in hoeverre [A] c.s. aansprakelijk zijn voor de schade, zal onder 4.18 worden besproken.

4.13. Ten aanzien van de kosten van de werkzaamheden geeft artikel 5:65 BW wel een regeling: die kosten worden door alle deelgenoten samen gedragen. Beide partijen gaan er vanuit dat in dit geval sprake is van onderhoudswerkzaamheden. Niet is gesteld of gebleken dat (ook) van vernieuwing sprake is zoals in het geval dat door het gerechtshof Amsterdam werd beslist. Dat betekent dat de rechtbank zich dient af te vragen of bij onderhoud van een mandelige zaak eveneens de kosten ten laste komen van alle mede-eigenaars, ook als niet voldaan is aan het toestemmingsvereiste van artikel 3:170 BW. Het gerechtshof ’s-Gravenhage beantwoordt die vraag ontkennend. Het gerechtshof Amsterdam heeft niet geoordeeld over die vraag. De rechtbank overweegt dat mandeligheid een bijzondere vorm van gemeenschap is omdat verdeling van een mandelige zaak krachtens artikel 5:63 lid 2 BW is uitgesloten. Verder geldt bij een mandelige (funderings-)muur als waar hier sprake van is, dat deze niet aan de andere mede-eigenaars kan worden overgedragen (artikel 5:66 lid 3 BW) en dat de mede-eigenaars (anders dan bij een gewone gemeenschap) in het algemeen ook niet de vrijheid hebben om samen van noodzakelijk onderhoud of vernieuwing af te zien, omdat het tenietgaan van de mandelige funderingsmuur het tenietgaan van de beide buurpanden kan meebrengen. Dus: voor zover de mandelige funderingsmuur onderhoud of vernieuwing behoeft, hebben de mede-eigenaars geen andere keuze dan dit te doen uitvoeren.

De rechtbank oordeelt gelet op het voorgaande dat de kosten van noodzakelijk onderhoud aan een mandelige muur voor rekening van alle eigenaars komen, ook als niet de benodigde toestemming van de mede-eigenaars is verkregen.

4.14. In de parlementaire geschiedenis (M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 5 blz. 236) wordt er overigens kennelijk van uitgegaan dat de mede-eigenaars (alleen) moeten bijdragen tot de kosten waartoe bevoegdelijk is besloten (zie artikel 3:172 BW) maar dat geeft de rechtbank gelet op het bovenstaande geen reden om te oordelen dat de andere mede-eigenaars niet zouden hoeven bijdragen aan de kosten die noodzakelijk waren voor het onderhoud van de mandelige funderingsmuur, alleen omdat is nagelaten toestemming te vragen.

4.15. Het voorgaande geldt ook bij onderhoud dat niet als vernieuwing is te beschouwen, omdat het niet voor de hand ligt om gevallen betreffende (de kosten van) vernieuwing alleen te toetsen aan artikel 5:65 BW, en gevallen van enkel onderhoud ook aan artikel 3:170 BW. Dat zou immers betekenen dat in het meer ingrijpende geval van vernieuwing lichtere eisen zouden gelden dan in geval van onderhoud. Anders gezegd: de ene mede-eigenaar zou dan de andere om toestemming moeten vragen voor (noodzakelijk) onderhoud teneinde de kosten daarvan te mogen delen, maar als hij eigenmachtig tot vernieuwing van de hele muur over zou gaan, zou hij wel de kosten mede voor rekening van de andere mede-eigenaars mogen brengen.

4.16. [A] c.s. hebben gesteld dat het herstel van de fundering noodzakelijk was en daartoe verwezen naar het advies in het IFCO-rapport om binnen vijf jaar te herstellen. Dat is een zodanig beperkte termijn dat daarmee voldoende is onderbouwd dat het herstel noodzakelijk was. Voor zover [C] c.s. die noodzaak hebben willen bestrijden, wordt dat verweer gepasseerd, bij gebrek aan motivering daarvan.

4.17. [C] c.s. hebben tegen de hoogte van de gevorderde kosten als verweer gevoerd dat niet blijkt hoe de verdeelsleutel ten aanzien van die kosten tot stand is gekomen, en zij hebben verder betwist dat de gevorderde kosten uitsluitend op het herstel van de fundering betrekking hebben. [A] c.s. hebben daarop de offertes van de werkzaamheden overgelegd. Tevens hebben zij het onder 2.10 weergegeven schrijven van Wareco Ingenieurs overgelegd, waarin wordt geadviseerd om de eigenaars van nr. 3 17,5% van de totale kosten te laten dragen, gelet op het op te vangen gewicht van de mandelige muur.

Van [C] c.s. mocht een gemotiveerde reactie verwacht worden op de stellingen van [A] c.s. en de daarbij overgelegde stukken. Die is echter niet gegeven, zodat de rechtbank het verweer op dit punt verwerpt. Dat betekent dat de rechtbank vordering II in conventie zal toewijzen.

4.18. Zoals vermeld onder 4.12, hebben [A] c.s. onrechtmatig gehandeld door [C] c.s. niet om toestemming te vragen voor de werkzaamheden aan de funderingsmuur tussen nrs. 3 en 3A. [A] c.s. zijn op grond daarvan schadeplichtig tegenover [C] c.s., maar niet, althans niet zonder meer, voor alle schade die is ontstaan door de uitgevoerde funderingswerkzaamheden. Als [A] c.s. immers wel om toestemming hadden gevraagd, hadden [C] c.s. die niet mogen weigeren gelet op de noodzaak van de werkzaamheden. Dat betekent dat de schade die het gevolg is van het verrichten van het werk als zodanig niet is toe te rekenen aan [A] c.s., maar alleen de schade die er het gevolg van is dat is nagelaten de toestemming te vragen. De reconventionele schadevordering zal dan ook in die zin worden toegewezen.

buitengerechtelijke kosten

4.19. Vordering 3 in conventie tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Uit de door [A] c.s. gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [A] c.s. vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

proceskosten

4.20. [C] c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de (+advocaat)kosten aan de zijde van [A] c.s. op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 345,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.334,98

4.21. [A] c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [C] c.s. worden begroot op EUR 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [C] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [A] c.s. te betalen een bedrag van EUR 12.156,50 (twaalfduizendéénhonderdzesenvijftig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 12 februari 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [C] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [A] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.334,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf vijftien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5. verklaart voor recht dat [A] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [C] c.s. door zonder voorafgaande toestemming van [C] c.s. of van de rechter herstelwerkzaamheden te laten verrichten aan de fundering van pand 3 aan de -- te --,

5.6. verklaart voor recht dat [A] c.s. als gevolg van dit onrechtmatig handelen aansprakelijk zijn voor de geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van het feit dat is nagelaten de onder 5.5 vermelde toestemming te vragen, nader op te maken bij staat,

5.7. veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [C] c.s. tot op heden begroot op EUR 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8. verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de onderdelen 5.6 en 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Brunner en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2010.?