Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP2139

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
474634 /FA RK 10-9479 474637 / KG ZA 10-2052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wth. Anders dan incidenteel verblijf niet aan de orde

Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Voorlopige voorziening afgewezen. Vrouw was slechts een dag in de woning aanwezig op het moment dat het huisverbod werd opgelegd, terwijl man en vrouw in recente verleden niet met elkaar in de woning hebben verbleven. Geen aanleiding om van anders dan incidenteel verblijf te spreken, zodat niet aan de voorwaarden van artikel 2 Wth is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: 474634 /FA RK 10-9479 474637 / KG ZA 10-2052

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 9 november 2010 betreffende tijdelijk huisverbod

(artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht)

Zitting hebben:

mr. T.P.J. de Graaf, als voorzieningenrechter,

mr. L.R. Dávila Talavera, als griffier.

in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te [woonplaats],

gemachtigde mr. C. Maat,

(hierna: de man)

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

zetelende te Amsterdam,

gemachtigde mr. drs. A. Berends,

(hierna: verweerder)

in welke zaak belanghebbende is:

[belanghebbende],

thans verblijvende te [woonplaats],

(hierna: de vrouw).

1. Het procesverloop

Bij besluit van 3 november 2010 heeft verweerder aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de man bij brief van 5 november 2010 beroep ingesteld.

Tevens heeft de man bij brief van 4 november 2010 de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het verzoek en het beroep zijn ter zitting gevoegd behandeld.

De man is daar verschenen, bijgestaan door mr. C. Maat. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. drs. A. Berends. Verder zijn verschenen mevrouw [de vrouw] bijgestaan door mevrouw [naam 1].

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 9 november 2010 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechter gewezen op de rechtsmiddelen, zoals onder aan dit proces-verbaal vermeld.

De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) af;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € € 1.311,-.

3. De beoordeling

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de man gelast de woning onmiddellijk te verlaten en deze niet te betreden of zich in de omgeving daarvan op te houden, gedurende de periode van 3 november 2010, 22.00 uur tot 13 november 2010, 22.00 uur, alsmede hem verboden om met de vrouw contact op te nemen gedurende die periode. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 9 oktober 2008, houdende regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod, Stb 2008, 421, hierna: Wth). Dit besluit heeft verweerder onder meer gegrond op het Risicotaxatie instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG), het proces verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie, het proces verbaal van verhoor van de man en het proces-verbaal van verhoor van een getuige.

De man heeft tegen het bestreden besluit gemotiveerd aangevoerd dat de vrouw voor korte duur bij de man logeerde en dat er daarom geen sprake is van anders dan incidenteel verblijf van de vrouw in de woning zoals omschreven in artikel 2 van de Wth.

De rechter heeft aldus de vraag te beantwoorden of de vrouw anders dan incidenteel in de woning verbleef. De rechter beantwoordt de vraag ontkennend op grond van de volgende overwegingen.

Op grond van artikel 2 Wth kan de burgemeester een huisverbod als het onderhavige opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

De rechtbank stelt vast dat de memorie van toelichting horende bij de Wth (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 657, nr. 3) vermeldt dat in het geval een persoon slechts een gedeelte van de week bij diens partner verblijft toch een huisverbod kan worden opgelegd. Uit de Kamerstukken (Kamerstukken 2006/07, 30 657, nr. 6 blz. 4) horende bij de Wth blijkt dat een bezoek met een verjaardag of eens in de paar maanden een overnachting niet onder het begrip ‘anders dan incidenteel verblijven’ valt. De situatie van partijen is echter niet in kamerstukken noch in de memorie van toelichting omschreven. De rechter is daarom van oordeel dat de vraag of er sprake is van anders dan incidenteel verblijf in de woning in een geval als het onderhavige opgemaakt dient te worden aan de hand van zowel de feiten als de intenties van partijen met betrekking tot het karakter van het verblijf van de vrouw in de woning.

De rechtbank stelt vast dat partijen gedurende twee jaren een relatie met elkaar hebben gehad. De man heeft voorts ter zitting verklaard dat hij in 2009 van augustus tot december met de vrouw in Nederland heeft samengewoond. In 2010 heeft de man de vrouw drie keer gedurende één week in haar woonplaats in Canada bezocht. Ook hebben de man en de vrouw in 2010 een lang weekend in Italië doorgebracht. De vrouw is vervolgens op 2 november 2010 in Nederland aangekomen vanuit Canada. De vrouw heeft het voorgaande ter zitting beaamd.

Voor zover de processen-verbaal die betrekking hebben op deze zaak door de politie zijn opgemaakt niet zouden overeenkomen met de verklaringen van de man en de vrouw ter zitting, gaat de rechtbank aan deze processen-verbaal voorbij, nu de verklaringen van de man en de vrouw eensluidend zijn.

Gelet op de omstandigheid dat de vrouw slechts één dag in de woning aanwezig was op het moment dat het huisverbod werd opgelegd en de man en de vrouw in het recente verleden niet met elkaar in de woning hebben verbleven, is de rechter van oordeel dat op basis van de feiten geen aanleiding bestaat om van anders dan incidenteel verblijf te spreken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit hetgeen de man en de vrouw naar voren hebben gebracht niet is gebleken dat zij de gezamenlijke intentie hadden dat de vrouw anders dan incidenteel in de woning zou verblijven. De vrouw heeft immers verklaard dat zij zich nog aan het beraden waren over een volgende stap in hun relatie, terwijl de man ter zitting onbetwist heeft gesteld dat de vrouw slechts voor twee weken in de woning zou logeren om een eigen appartement in Nederland te zoeken. Daarenboven heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij haar woning in Canada heeft aangehouden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet aan de voorwaarden van artikel 2 Wth is voldaan en dat de gemeente op grond van artikel 2 Wth niet bevoegd was een huisverbod op te leggen.

Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Nu het bestreden besluit wordt vernietigd ziet de rechter voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding.

De gegrondverklaring van het beroep is aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechter bepaalt de proceskosten, begroot op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift,1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 437,-) op € 1.311,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Waarvan proces-verbaal

De griffier. De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: