Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BP0661

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
471405 / KG ZA 10-1845 NB/TF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser verzoekt stopzetting van partnerbijdrage vanaf zijn pensionering. Gedaagde is zijn ex-echtgenoot. Gedaagde wilde daar niet mee instemmen zodat eiser zich genoodzaakt ziet via een gerechtelijke procedure de partnerbijdrage op nihil te laten zetten of anderszins aan te laten passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 471405 / KG ZA 10-1845 NB/TF

Vonnis in kort geding van 5 november 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 18 oktober 2010,

advocaat mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat mr. M.R.H. Meijer te St. Odiliënberg.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 26 oktober 2010 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van [eiser]: [eiser] met mr. Liefting.

Aan de zijde van [gedaagde]: mr. Meijer.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 31 januari 1969 met elkaar gehuwd.

2.2. Bij beschikking van 18 november 1997 van de rechtbank Haarlem is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn enkele verzoeken die samenhangen met voornoemde echtscheiding behandeld. In deze beschikking is bepaald dat [eiser] een bedrag van HFL 3.500,00 per maand als partnerbijdrage aan [gedaagde] diende te voldoen. [gedaagde] is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het hof te Amsterdam en bij arrest van 2 november 1998 is de beschikking door het hof bekrachtigd. Op 24 februari 1999 is deze uitspraak ingeschreven bij de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Bloemendaal.

2.3. In een proces-verbaal van 28 november 2001 van de rechtbank Haarlem van een comparitie van partijen staat voor zover van belang het volgende:

“(…) De alimentatie

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

1. De man zal aan de vrouw betalen, bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand, met ingang van 1 januari 2002, een bedrag van f 4.250,= Tot mei 2010 kan dit bedrag niet worden gewijzigd op grond van wijziging van omstandigheden. Het bedrag is niet geïndexeerd.

2. Als vanaf mei 2010, zijnde de pensioendatum van de man, één der partijen wijziging der alimentatie wil verzoeken dan zal de betreffende partij minstens drie maanden voor ingangsdatum van de voorgestelde wijziging een voorstel op schrift aan de wederpartij doen. Indien deze dat voorstel afwijst zullen partijen binnen één maand in mediation te trachten tot overeenstemming te komen. Indien binnen twee maanden na datum voorstel in mediation niet tot overeenstemming is gekomen dan kan de meest gerede partij zich tot de rechter wenden. De betalingen zullen doorlopen tot de datum waarop de rechte heeft beslist. (…)”

2.4. Per 1 mei 2010 is [eiser] met pensioen.

2.5. In een brief van 12 mei 2010 van PGGM aan [eiser] staat voor zover van belang het volgende:

“(…) Op basis van bovenstaande gegevens bedraagt de aanspraak op pensioen per heden voor uw ex-partner bruto per jaar:

• Ouderdomspensioen € 13.946,- (…)”

2.6. In een brief van 27 mei 2010 van PGGM aan [eiser] staat voor zover van belang het volgende:

“(…) Met ingang van 1 mei 2010 kennen wij u namens Pensioenfonds Zorg en Welzijn een Ouderdomspensioen toe. Wij wijzen u erop dat op uw pensioen de wet ‘Verevening Pensioenrechten bij Scheiding’ van toepassing is. Dit betekent dat uw ex-partner [gedaagde] recht heeft op een deel van uw pensioen.

Uw Ouderdomspensioen bedraagt € 35.278,58 bruto per jaar, inclusief 8% vakantietoeslag. Wij betalen u dit pensioen in maandelijkse termijnen van bruto € 2.722,11. Elk jaar in mei ontvangt u vakantietoeslag. Op basis van de nu bekende gegevens is het maandrecht netto € 2.062,87. (…)”

2.7. Op 13 augustus 2010 heeft [eiser] een verzoekschrift tot wijziging van de partnerbijdrage bij deze rechtbank ingediend. [eiser] heeft bij dit verzoekschrift verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen, danwel een lager bedrag aan partnerbijdrage vast te stellen. De wettelijke termijn van 12 jaren voor betaling van de partnerbijdrage op grond van de onder 2.2 vermelde beschikking loopt vooralsnog op of omstreeks 24 februari 2011 af.

2.8. Bij brief van 27 augustus 2010 heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (hierna LBIO) aan [eiser] meegedeeld dat hij over de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 september 2010 een bedrag van EUR 2.233,16 aan alimentatie per maand en een opslag van EUR 334,97 per maand verschuldigd is. Het LBIO heeft [eiser] verzocht in totaal een bedrag van EUR 12.840,65 over te maken.

2.9. Op 8 oktober 2010 heeft [gedaagde] in de onder 2.7 bedoelde procedure een verweerschift ingediend en tevens een zelfstandig verzoek ingediend tot verlenging van de termijn gedurende welke [eiser] gehouden is [gedaagde] partneralimentatie te betalen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat -:

I [gedaagde] te bevelen getroffen executiemaatregelen ongedaan te maken;

II [gedaagde] te verbieden executiemaatregelen te treffen op basis van de beschikking van 18 november 1997 totdat op het onder 2.7 vermelde verzoekschrift is beslist;

III [gedaagde] te gebieden het LBIO pas op de plaats te laten maken tot op het onder 2.7 vermelde verzoekschrift is beslist;

IV een en ander uitvoerbaar te verklaren bij lijfsdwang en met oplegging van een dwangsom;

V te bepalen dat [eiser] gemachtigd is om wanneer [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen het vonnis in de plaats te stellen van de wilsverklaring van [gedaagde] zodat [eiser] zelf het gevorderde kan effectueren.

Tot slot vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding,

alsmede de beslagkosten.

3.2. [eiser] stelt hiertoe het volgende.

[eiser] heeft aan [gedaagde] gevraagd of zij ermee akkoord gaat dat vanaf zijn pensionering de partnerbijdrage wordt stopgezet. Zij wilde daar niet mee instemmen zodat [eiser] zich genoodzaakt ziet via een gerechtelijke procedure de partnerbijdrage op nihil te laten zetten of anderszins aan te laten passen. Deze procedure zal maanden duren en daarop vooruitlopend wil [eiser] executiemaatregelen met betrekking tot uitbetaling van de partnerbijdrage alvast voorkomen. Bij hem zal een noodtoestand ontstaan als de partnerbijdrage wordt geïnd. [eiser] heeft na 1 mei 2010 immers geen draagkracht meer om een bedrag aan partnerbijdrage te voldoen.

[gedaagde] heeft bovendien geen behoefte meer aan de partnerbijdrage omdat zij haar eigen pensioenaanspraak heeft.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Hierop wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] heeft aanvankelijk het verweer gevoerd dat de voorzieningenrechter in deze rechtbank onbevoegd is over deze zaak te oordelen nu zij woonachtig is te [woonplaats] en de inning van de partnerbijdrage te Rotterdam, alwaar het LBIO is gevestigd, plaatsvindt. Ter zitting heeft [gedaagde] dit verweer ingetrokken zodat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

4.2. Op 13 augustus 2010 heeft [eiser] een verzoekschrift tot wijziging van de partnerbijdrage ingediend. De vraag ligt thans voor of [gedaagde] - zoals [eiser]

stelt - door de onlangs gewijzigde omstandigheden aan de zijde van [eiser] misbruik van haar bevoegdheid maakt door in afwachting van de beslissing op voornoemd verzoekschrift de beschikking van 18 november 1997 te executeren.

4.3. Uit de beschikking van 18 november 1997 volgt dat [eiser] toentertijd een bruto salaris van HFL 136.333,00 per jaar ontving (HFL 11.361,00 per maand, exclusief vakantiegeld) en [gedaagde] een WAO uitkering van bruto HFL 1.162,91 per maand ontving. Op basis van deze inkomsten (en de in de beschikking genoemde vaste lasten) is toen bepaald dat [eiser] gehouden was een partnerbijdrage van HFL 3.500,00 per maand aan [gedaagde] te voldoen. Tot voor kort betaalde [eiser] een bedrag van EUR 1.928,59 per maand (HFL 4.250,=) aan [gedaagde] zoals partijen tijdens de comparitie van partijen op 28 november 2001 waren overeengekomen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat bij hem een noodtoestand zal ontstaan als hij deze partnerbijdrage na 1 mei 2010 dient te blijven voldoen, omdat hij vanaf die datum met pensioen is gegaan en er derhalve fors in inkomen op achteruit is gegaan. [gedaagde] wil echter dit bedrag minus haar aandeel in het ouderdomspensioen na 1 mei 2010 blijven ontvangen, in totaal een bedrag van afgerond EUR 766,00 zonder indexering en een bedrag van afgerond EUR 1.155,00 met indexering. De stellingname van [gedaagde] dat van het geïndexeerde bedrag moet worden uitgegaan, wordt niet gevolgd omdat vooralsnog mag worden aangenomen dat indexering van dit bedrag nooit aan de orde is geweest. Dit ondanks dat de bedragen die het LBIO in haar brief van 27 augustus 2010 noemt wel geïndexeerd lijken te zijn. Immers in de bodemprocedure heeft [gedaagde] in haar verweerschrift onder a ook gesteld dat haar partnerbijdrage een niet te indexeren bedrag van EUR 1.928,59 betreft. Vooralsnog zal dan ook van een bedrag van EUR 766,00 worden uitgegaan dat [gedaagde] wenst te ontvangen.

4.4. Thans ontvangt [gedaagde] vanaf 1 mei 2010 bruto een pensioenuitkering van EUR 13.946,00 per jaar (EUR 1.162,16 per maand). Daarnaast ontvangt zij een AOW uitkering van bruto EUR 1.057,11 en een pensioen van het ABP ten bedrage van bruto EUR 187,33 per maand. [eiser] ontvangt een netto bedrag uit pensioen van EUR 1.661,30 (dit bedrag is hoewel dit niet overeenkomt met de brief van PGGM van 27 mei 2010 niet door [gedaagde] betwist) en een bedrag van EUR 681,18 netto aan AOW. Ten tijde van de alimentatiebeschikking van 18 november 1997 ontving [eiser] een salaris van HFL 136.333,00 bruto per jaar, omgerekend een bedrag van bijna EUR 62.000,00 bruto per jaar. Na 1 mei 2010 ontvangt [eiser] een ouderdomspensioen van EUR 35.278,58 bruto per jaar, een bedrag van

EUR 26.721,42 minder dan voorheen. Het is derhalve niet aannemelijk dat de draagkracht van [eiser] voldoende is om aan de behoefte van [gedaagde] van maximaal EUR 766,00 per maand te voldoen.

4.5. De onder 2 van het proces-verbaal van 28 november 2001 tussen partijen overeengekomen regeling waarin de gang van zaken wordt besproken indien een der partijen na de pensioendatum van [eiser] een wijziging in de alimentatie wil, zal overigens vooralsnog buiten beschouwing blijven. Niet valt uit te sluiten dat de bodemrechter de toepassing van deze regeling in het licht van vooromschreven omstandigheden onredelijk zal achten. Een en ander zal in de bodemprocedure nader aan de orde kunnen komen. Vooralsnog zal voor de wijziging van de partnerbijdrage worden uitgegaan van de datum van 1 mei 2010, de datum dat [eiser] is teruggegaan in zijn inkomen. Geconcludeerd kan worden dat de tenuitvoerlegging van de beschikking van 18 november 1997 gedeeltelijk dient te worden geschorst.

4.6. Nu het gevorderde niet geheel van toepassing is op de thans aan de orde zijnde situatie zal de vordering op bepaalde onderdelen worden afgewezen. Ter zitting heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat er tot nu toe nog geen executiemaatregelen zijn getroffen met betrekking tot de partnerbijdrage vanaf 1 mei 2010, behalve dat het LBIO de onder 2.8 vermelde brief met sommatie aan [eiser] heeft verstuurd. Het gevorderde dat op het ongedaan maken van verdere executiemaatregelen van toepassing is, zal wegens gebrek aan belang worden afgewezen, evenals het gebod het LBIO "pas op de plaats te laten maken". In het licht van hetgeen onder II is gevorderd zal de tenuitvoerlegging van de beschikking van 18 november 1997 worden geschorst voorzover het de voldoening van de partneralimentatie vanaf 1 mei 2010 betreft, een en ander zoals is vermeld onder 5.1 en 5.2 van het dictum.

4.7. Nu partijen ex-echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In onderhavige zaak is tot slot niet gebleken dat er beslagkosten zijn gemaakt zodat de gevorderde beslagkosten worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. Schorst de tenuitvoerlegging van de beschikking van 18 november 1997 met betrekking tot de partnerbijdrage die [eiser] volgens deze beschikking vanaf 1 mei 2010 aan [gedaagde] had moeten voldoen.

5.2. De onder 5.1. genoemde schorsing blijft van kracht totdat de bodemrechter hier anders over beslist.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.5. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2010.?