Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO8022

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
13/529027-07, 13/529010-09, 13/529088-07, 13/529176-06, 13/529144-06 en 13/529035-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing in Passage-proces. Verzoek verhoor getuigen naar aanleiding van verklaringen Q5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing d.d. 8 juli 2010 op de verzoeken gedaan ter terechtzitting van 15 juni 2010 en 1 juli 2010

Verzoek verhoor getuigen naar aanleiding van verklaringen Q5

De raadslieden van verdachten [naam 1], [naam 2] en [naam 3] hebben de rechtbank verzocht, naar aanleiding van de verklaringen van Q5 een aantal in de pleitnota van de raadsman van [naam 1] genoemde aan de [X] gelieerde personen te mogen horen. Deze getuigen zijn door de rechter-commissaris afgewezen wegens gebrek aan verdedigingsbelang. Naar het oordeel van de rechter-commissaris wordt met het horen van zes wel toegewezen getuigen ruimschoots tegemoet gekomen aan de wens van de verdediging om bepaalde door Q5 geponeerde en door de verdediging als onwaar gekwalificeerde stellingen onaannemelijk te maken. Daarnaaast heeft de verdediging gevraagd om overlegging van een personeelslijst van de [X].

De verdediging heeft voorts gevraagd CIE-officier [naam 4] te mogen horen, alsmede de rechercheurs die Q5 hebben gehoord. De rechter-commissaris heeft deze getuigen afgewezen bij gebrek aan verdedigingbelang en omdat moet worden voorkomen dat via de rechercheurs zou worden getracht, de identiteit van Q5 te achterhalen. De verdediging meent om diverse, hieronder te noemen redenen bij het verhoor van deze getuigen belang te hebben.

Het openbaar ministerie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle door de raadsman gevraagde aan de [X] gelieerde getuigen zouden moeten worden afgewezen. Het openbaar ministerie erkent een toereikend belang van de verdediging bij verhoor van deze personeelsleden, maar meent dat dit niet opweegt tegen het gevaar dat door “afstreping” de identiteit van Q5 wordt achterhaald. Subsidiair stelt het openbaar ministerie voor, de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen teneinde te onderzoeken of door toewijzing een onaanvaardbaar risico wordt gelopen voor de afscherming van de identiteit van Q5. Ten aanzien van de personeelslijst van de [X] neemt het openbaar ministerie een vergelijkbaar standpunt in.

Het verhoor van de andere gevraagde getuigen strekt volgens het openbaar ministerie in wezen tot toetsing van de betrouwbaarheid van Q5. Naar het oordeel van het openbaar ministerie is de beoordeling van die betrouwbaarheid bij uitsluiting aan de rechter-commissaris voorbehouden, zodat –zo begrijpt de rechtbank- een toereikend belang bij het verhoor van deze getuigen ontbreekt. Subsidiair meent het openbaar ministerie dat het verdedigingsbelang in dezen niet opweegt tegen het risico, verbonden aan het horen van getuigen die de identiteit van Q5 kennen.

De raadsman van verdachte [naam 2] heeft in reactie op de stellingname van het openbaar ministerie aangevoerd dat de regelgeving inzake anonieme bedreigde getuigen geen uitzondering maakt op de artikelen 263, 287 en 288 Sv, waarin limitatief is opgesomd aan welke criteria een verzoek van de verdediging om andere getuigen dient te worden getoetst. Artikel 226 e Sv belast volgens de raadsman de rechter-commissaris niet met een exclusief en definitief betrouwbaarheidsoordeel. De raadsman van verdachte [naam 3] heeft zich hierbij aangesloten en toegevoegd dat de rechter-commissaris steeds de mogelijkheid behoudt, riskante vragen aan andere getuigen te beletten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de [X] gelieerde personen

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM dient de verdediging op grond van artikel 6, eerste en derde lid, EVRM in het algemeen in de gelegenheid te worden gesteld om een belastend verklarende getuige in een rechtstreekse confrontatie te ondervragen. Waar echter het leven, de vrijheid of de veiligheid van een getuige op het spel zouden kunnen staan, rust op de verdragsstaten op grond van andere verdragsbepalingen (met name de artikelen 1 (lees: 2) en 8 van het EVRM) de rechtsplicht om hun strafprocedures op zodanige wijze te organiseren dat de belangen van de getuige niet ongerechtvaardigd in de waagschaal worden gesteld. De beginselen van een eerlijk proces vereisen dat in een dergelijk geval de belangen van de verdediging worden afgewogen tegen de belangen van de getuige. Wanneer een dergelijke afweging resulteert in de handhaving van de anonimiteit van de getuige en in het achterwege blijven van een rechtstreekse confrontatie met de verdediging, ziet de verdediging zich geconfronteerd met ongebruikelijke belemmeringen. In dat geval vereist artikel 6, eerste en derde lid, EVRM, dat deze belemmeringen procedureel voldoende worden gecompenseerd.

Q5 lijkt een verklaring te hebben afgelegd welke voor verdachte [naam 1] op een belangrijk punt van de beschuldiging als belastend zou kunnen worden opgevat en die mogelijk ook een rol zou kunnen spelen in de zaken van de verdachten aan wie deelname aan een criminele organisatie met onder anderen [naam 1] en [naam 6] ten laste is gelegd.

De rechtbank onderkent dat de rechters-commissarissen zich vanuit het afschermingsbelang van Q5 genoodzaakt hebben gezien om Q5 te verhoren en de resultaten van dit verhoor te verbaliseren op een wijze die de verdediging belemmert bij de toetsing van de betrouwbaarheid van Q5 en zijn verklaringen.

Elders in het proces Passage moet om die reden worden gezocht naar compenserende mogelijkheden om de verdediging in de gelegenheid te stellen, de betrouwbaarheid van Q5 en zijn verklaringen zoveel mogelijk te toetsen. De stelling van het openbaar ministerie dat de toetsing van de betrouwbaarheid van een anonieme bedreigde getuige onder uitsluiting van de verdediging aan de rechter-commissaris is voorbehouden, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht. Waar van de door de rechter-commissaris toegewezen getuigen er slechts twee werkzaam waren in de [X], heeft de verdediging naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk belang bij het horen van andere personeelsleden uit de [X] en meent de rechtbank dat dit met het oog op de hierboven omschreven compensatiegedachte ook in de rede ligt.

De te treffen compenserende maatregelen vinden evenwel hun begrenzing waar zij een onaanvaardbaar risico zouden opleveren voor het bekend worden van de identiteit van Q5. De verdediging heeft terecht opgemerkt dat artikel 226f, eerste lid, de toepasselijkheid van de reguliere bepalingen inzake de toe- of afwijzing van getuigen niet uitsluit. Evenwel dienen deze bepalingen te worden toegepast op een wijze welke verenigbaar is met de artikelen 1 (lees: 2) en 8 van het EVRM, zodat een toetsing op afschermingsaspecten aangewezen is.

Uit de brief van de rechter-commissaris van 3 juni 2010 aan de raadsman van [naam 1] blijkt niet dat de rechter-commissaris aan toetsing op het afschermingsaspect is toegekomen. Nu de rechter-commissaris op de hoogte is van de identiteit van Q5 en binnen het wettelijk systeem gehouden is om de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van Q5 verborgen te houden, is zij echter wel de aangewezen instantie om deze toetsing te verrichten. De rechtbank zal het verzoek daarom terugverwijzen naar de rechter-commissaris teneinde de gevraagde aan de [X] gelieerde personen te horen, doch slechts indien en voor zover dit zonder onaanvaardbaar risico voor de onthulling van de identiteit van Q5 mogelijk is.

De rechtbank gaat ervan uit dat de verdediging, het openbaar ministerie en de rechter-commissaris zullen samenwerken om de identificerende gegevens van mogelijk te horen getuigen te completeren. De verdediging heeft dan geen toereikend zelfstandig belang bij overlegging van de personeelslijst van de [X]. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek dan ook afwijzen.

De rechtbank merkt nog op dat zij een uiteindelijk oordeel over de bruikbaarheid van de verklaringen van Q5 pas bij eindvonnis zal vellen in het kader van de beoordeling van de eerlijkheid van het volledige proces.

CIE-officier [naam 4] en de verhorende rechercheurs

De verdediging van de verdachten [naam 1], [naam 2] en [naam 3] heeft verzocht CIE-officier [naam 4] en de rechercheurs die Q5 hebben verhoord, te mogen horen. De verdediging wil aldus de betrouwbaarheid van Q5 kunnen toetsen, en onderzoek doen naar mogelijke dubbeltelling, naar mogelijke eerdere afwijkende of tegenstrijdige verklaringen van Q5 (al dan niet in CIE-verband), naar mogelijke bestuiving van Q5 met informatie tijdens de verhoren alsmede naar mogelijke betrokkenheid van Q5 bij liquidaties. Ten slotte verlangt de verdediging duidelijkheid over de vraag waarop mr. [naam 4] in zijn proces-verbaal van 4 februari 2010 een bepaalde passage inzake de vermeende rol van [naam 1] heeft gebaseerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van mogelijke dubbeltelling van bewijsmiddelen in de eigenlijke zin des woords heeft [naam 4] op 22 december 2009 reeds gerapporteerd. De rechtbank ziet niet in welke toegevoegde waarde een verhoor van [naam 4] op dit punt nog zou kunnen hebben.

Voor toewijzing van de gevraagde getuigen met het oog op het controleren van bestuiving van Q5 met informatie ziet de rechtbank geen aanleiding, nu er geen sprake is van een begin van aannemelijkheid dat bestuiving heeft plaatsgevonden.

De rechtbank ziet niet in voor welke door haar te beantwoorden vraag eventuele betrokkenheid van Q5 bij andere strafbare feiten dan die waartoe het onderzoek Passage zich uitstrekt, redelijkerwijs van belang zou kunnen zijn. Nadere ondervraging van getuigen op dit punt dient geen reëel verdedigingsbelang.

Indien de verdediging onduidelijk acht waarop [naam 4] in zijn schrijven van 4 februari 2010 een bepaalde passage inzake de vermeende rol van [naam 1] heeft gebaseerd, kan zij het openbaar ministerie hierover een schriftelijke vraagstelling voorleggen. Ook op dit punt dient een verhoor naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk verdedigingsbelang.

Waar het gaat om onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van eerdere afwijkende of tegenstrijdige verklaringen, en om de mogelijke betrokkenheid van Q5 bij in Passage onderzochte feiten, strekt de wens van de verdediging in feite tot het toetsen van de betrouwbaarheid van Q5 in zijn tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 226e Sv onderzoekt de rechter-commissaris de betrouwbaarheid, waaronder volgens de memorie van toelichting mede is te verstaan de geloofwaardigheid, van de bedreigde getuige, en legt hij of zij daaromtrent in het proces-verbaal van verhoor rekenschap af. Uit de memorie van toelichting bij deze bepaling valt af te leiden, dat dit betrouwbaarheidsoordeel niet uitsluitend behoeft te berusten op de inhoud van het verhoor en de indruk die de getuige tijdens het verhoor heeft gemaakt. De wetgever heeft tevens gedacht aan onderzoek naar de antecedenten van de getuige, de relatie tussen de getuige en de verdachte, de eventuele betrokkenheid van de getuige bij het strafbare feit en de reputatie van de getuige. De rechtbank concludeert hieruit dat de rechter-commissaris zijn of haar betrouwbaarheidsoordeel niet alleen dient te baseren op het eigen verhoor, maar mede op externe bronnen, mits dit in het concrete geval zinvol is.

Binnen de rechtbank kan uitsluitend de rechter-commissaris beoordelen welke factoren die in beginsel relevant zouden kunnen zijn voor het betrouwbaarheidsoordeel, in het concrete geval redelijkerwijs ook daadwerkelijk nader onderzoek verdienen, en in welke mate en vorm dit onderzoek dan dient plaats te vinden. De rechter-commissaris kent immers als enige binnen de rechtbank de identiteit en antecedenten van de getuige. Afhankelijk van de hoedanigheid van de getuige, kunnen de aan het onderzoek te stellen eisen van geval tot geval aanmerkelijk verschillen.

Uit de processen-verbaal van 12 en 21 mei 2010 blijkt niet dat de rechters-commissarissen hun respectievelijke betrouwbaarheidsoordelen mede hebben gebaseerd op externe bronnen, en of zij de raadpleging van externe bronnen hebben overwogen.

De rechtbank zal de zaken van de verdachten [naam 1], [naam 2] en [naam 3] daarom terugverwijzen naar de rechter-commissaris met het verzoek, na te gaan in hoeverre aanvullende raadpleging van externe bronnen met het oog op de beoordeling van de betrouwbaarheid (waaronder mede te verstaan geloofwaardigheid) van Q5 redelijkerwijze is aangewezen, en hierbij de opmerkingen van de verdediging te betrekken.

De rechtbank verzoekt de fungerend rechter-commissaris in samenspraak met haar voorganger te rapporteren:

? of ter vorming van de betrouwbaarheidsoordelen externe bronnen zijn geraadpleegd;

? of de rechter-commissaris in de overwegingen van de rechtbank aanleiding ziet tot nader onderzoek en, indien dit het geval is, na afronding daarvan,

? of de resultaten van het nadere onderzoek leiden tot nadere opmerkingen inzake de betrouwbaarheid van Q5.

Het verzoek om mr. [naam 4] en de rechercheurs als getuigen te horen, wordt bij deze stand van zaken afgewezen.

Voorlopige hechtenis verdachten [naam 2] en [naam 5]

De raadslieden van de verdachten [naam 2] en [naam 5] hebben verzocht de voorlopige hechtenis van hun respectievelijke cliënten op te heffen

De raadsman van [naam 2] heeft gesteld dat er onvoldoende ernstige bezwaren en gronden zijn, en heeft met name een beroep gedaan op de extreem lange duur van het voorarrest (ca. drie jaar en drie maanden) en op artikel 67, derde lid, Sv, waarbij hij voorts heeft gesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling in eerste aanleg inmiddels aanzienlijk is overschreden.

De raadsman van [naam 5] heeft zich uitdrukkelijk niet beroepen op het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden, en evenmin op toepasselijkheid van artikel 67a, derde lid, Sv. De raadsman meent evenwel dat er, gelet op het feit dat het voorarrest van zijn cliënt inmiddels zo’n vier jaar duurt, materieel inmiddels sprake is van een strafexecutie. De wetgever zou een voorlopige hechtenis van een dergelijke duur nimmer voor ogen zou hebben gehad. Volgens de raadsman doet de duur van het proces afbreuk aan de eerlijkheid daarvan, aangezien een langdurig voorarrest de vrijheid en onbevangenheid van de rechtbank bij haar uiteindelijke oordeelsvorming onder druk zou zetten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Met betrekking tot verdachte [naam 2] merkt de rechtbank allereerst op dat de ernstige bezwaren en gronden welke aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, naar haar oordeel nog onverkort bestaan, terwijl een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is.

Voor het geval de raadsman van [naam 5] met zijn opmerking dat de wetgever nimmer een voorlopige hechtenis als die van zijn cliënt voor ogen heeft gehad, heeft willen stellen dat een toereikende wettelijke grondslag aan dit voorarrest inmiddels ontbreekt, oordeelt de rechtbank dat deze stelling geen steun vindt in het recht. De wetgever heeft de voorlopige hechtenis niet begrensd aan de hand van een gefixeerde termijn, maar door het stellen van de materiële eis dat er gronden bestaan als bedoeld in artikel 67a Sv. Deze gronden moeten volgens bestendige jurisprudentie meer zwaarwegend zijn naarmate het voorarrest langer duurt. In het geval van [naam 5] acht de rechtbank de gronden voldoende zwaarwegend om ook thans nog voortduring van het voorarrest te rechtvaardigen.

Vervolgens rijst de vraag of er ten aanzien van de verdachten [naam 2] en [naam 5] sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Ingevolge artikel 5, derde lid, van het EVRM heeft een verdachte immers het recht, binnen een redelijke termijn berecht te worden, of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.

De rechtbank onderkent dat [naam 2] en [naam 5] zich inmiddels uitzonderlijk lang in voorlopige hechtenis bevinden, en dat de einduitspraak naar het zich laat aanzien nog tot het voorjaar van 2011 op zich zal laten wachten. Niettemin is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dat de verdachten niet binnen een redelijke termijn lijken te zullen worden berecht, en derhalve hangende het proces in vrijheid dienen te worden gesteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad is voor de beantwoording van de vraag welke termijn als redelijk moet worden beschouwd, mede van belang de complexiteit van de zaak, de activiteiten van de nationale autoriteiten en het gedrag van de verdachte.

Vaststaat dat het proces Passage door een aantal factoren uitermate complex is. Als complicerende factoren vallen onder andere te benoemen het aantal van en de samenhang tussen de veelal complexe en om behandeling op hoog detailniveau vragende deelonderzoeken, welke betrekking hebben op steeds wisselende (groepen van) verdachten, alsmede de juridische en feitelijke problemen in verband met de kroongetuige.

Gelet op de grote belangen die in het Passageproces spelen, heeft de rechtbank het van meet af aan noodzakelijk geacht om uiterst zorgvuldig te werk te gaan en partijen ruimschoots de gelegenheid te geven om bij te dragen aan de feitelijke en juridische waarheidsvinding. Beide partijen hebben hiervan gebruik gemaakt: het openbaar ministerie door ook na aanvang van de inhoudelijke behandeling nog voort te gaan met het opsporingsonderzoek en de verdediging door zowel tijdens de pro-formafase als sinds de aanvang van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting vele onderzoekswensen in te dienen, waarvan een groot aantal is gehonoreerd.

Vanaf mei 2007, toen de eerste onderzoekswensen van de verdediging binnen kwamen, is de rechtbank vrijwel ononderbroken met de zaak bezig geweest. Vanaf juni 2007 tot februari 2009 is, vooral op verzoek van de verdediging, door twee rechters-commissarissen van wie er één geruime tijd vrijwel volledig beschikbaar is geweest voor Passage, een zeer groot aantal getuigen gehoord. Vanaf februari 2009 tot op heden vindt door een hiertoe volledig uitgeroosterde zittingscombinatie de behandeling ter terechtzitting plaats. Deze wordt uitsluitend onderbroken voor de bestudering van ieder nieuw deeldossier, ter voorbereiding van te nemen beslissingen en tijdens reguliere vakanties. Activiteiten vanuit het rechter-commissariaat zijn en worden steeds zoveel mogelijk synchroon aan de behandeling ter terechtzitting verricht.

Enkele maanden voor het geplande einde van de inhoudelijke behandeling van de deelonderzoeken (eind 2009) heeft het openbaar ministerie een persoon voorgedragen als anonieme bedreigde getuige Q5. Nadat het hoger beroep van de verdediging van onder andere [naam 2] tegen de statusverlening aan deze persoon ongegrond was verklaard, heeft deze in een tijdrovende procedure verklaringen afgelegd, welke tot tal van onderzoekswensen vanuit de verdediging hebben geleid, waarvan een aantal is gehonoreerd en een aantal opnieuw moet worden beoordeeld.

Toen de behandeling van de deelonderzoeken vrijwel was voltooid, heeft de verdediging van onder andere [naam 2] de rechter-commissaris verzocht om in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de kroongetuige met toepassing van artikel 226a Sv enkele getuigen (F1 en F3) te horen over - naar het zich thans laat aanzien - zaken die aan geen enkele verdachte binnen Passage ten laste zijn gelegd. Dit verzoek is, na een geslaagd hoger beroep van de verdediging tegen een eerste afwijzing, opnieuw door de rechter-commissaris afgewezen, thans op andere gronden, tegen welke beslissing eveneens beroep is aangetekend. De verdediging heeft reeds aangegeven dat - voor zover het mocht komen tot een verhoor in enige vorm van F1 en F3- het eventuele verhoor van deze getuigen mogelijk nieuwe onderzoekswensen vanuit de verdediging zal genereren. De verdediging heeft echter geen begin van inzicht gegeven in de aard of omvang daarvan. In dit stadium vormen onderzoekswensen vanuit de verdediging de belangrijkste reden dat nog niet tot het uitspreken van requisitoir en pleidooien kan worden overgegaan. De rechtbank onderkent het mogelijke belang van de verdediging bij bepaalde onderzoekshandelingen maar meent dat het hiermee gemoeide tijdsverloop geen gevolgen dient te hebben voor de voorlopige hechtenis.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de duur van het proces, met inbegrip van de resterende behandelingstermijn zoals thans voorzien, niet kan leiden tot het oordeel dat er geen sprake is van een berechting binnen een redelijke termijn. Dit geldt, gelet op de samenhang tussen de verschillende zaken, niet alleen voor [naam 2], maar ook voor [naam 5].

De rechtbank kan de raadsman van [naam 5] ook overigens niet volgen in zijn stelling dat de eerlijkheid van het proces onder druk komt te staan door de duur van het voorarrest. De rechtbank acht zich door de duur van het voorarrest niet belemmerd in haar vrijheid tot uiteindelijke oordeelsvorming, reeds omdat bij het eindvonnis andere rechtsvragen aan de orde zijn dan bij beslissingen inzake het voorarrest. Ten overvloede merkt de rechtbank daarnaast nog op dat zij bij haar besluitvorming over het voorarrest logischerwijze geen rekening kan houden met verweren die nog niet zijn gevoerd. Enige beslissing over het voorarrest doet derhalve op geen enkele wijze af aan de vrijheid van oordeelsvorming van de rechtbank over in de toekomst nog te voeren verweren.

Gelet op al het voorgaande zullen de verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachten [naam 2] en [naam 5] worden afgewezen.

Resterend verzoek verdachte [naam 1]

De raadsman van [naam 1] heeft de rechtbank verzocht het openbaar ministerie op te dragen enkele vragen te beantwoorden met betrekking tot de vraag wanneer informatie over de inhoud van de door de getuige Q5 af te leggen verklaring bij het zaaks-OM en bij bepaalde politiefunctionarissen is terecht gekomen. De rechtbank wijst dit verzoek af, nu dit een interne zaak van politie en justitie is en er geen aanknopingspunten zijn voor een vermoeden van onrechtmatige informatieverstrekking door politie en justitie aan de zogenaamde Rotterdamse getuigen, die ertoe zouden moeten leiden dat bedoelde opdracht niettemin aan het openbaar ministerie moet worden verstrekt.

Beslissing

De rechtbank:

? Verwijst de zaak van de verdachten [naam 1], [naam 2] en [naam 3] terug naar de rechter-commissaris teneinde:

o de door de raadsman van [naam 1] genoemde, aan de [X] gelieerde personen te horen, indien en voor zover dit zonder onaanvaardbaar risico voor het bekend worden van de identiteit van Q5 mogelijk is;

o na te gaan in hoeverre aanvullende raadpleging van externe bronnen met het oog op de beoordeling van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van Q5 redelijkerwijze is aangewezen, en hierbij de opmerkingen van de verdediging te betrekken;

o aan de rechtbank te rapporteren zoals op pagina 4 is aangegeven.

? Wijst het verzoek om overlegging van de personeelslijst van de [X] af;

? Wijst het verzoek om het horen van de CIE-officier [naam 4] en de verbalisanten die Q5 hebben gehoord, af;

? Wijst het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachten [naam 2] en [naam 5] af;

? Wijst het verzoek van de raadsman van verdachte [naam 1] om het openbaar ministerie op te dragen enkele vragen te beantwoorden met betrekking tot de vraag wanneer informatie over de inhoud van de door de getuige Q5 af te leggen verklaring bij het zaaks-OM en bij bepaalde politiefunctionarissen is terecht gekomen, af;

? Schorst het onderzoek tot 23 augustus 2010 te 9.30 uur wegens de klemmende reden dat het zittingsrooster van de rechtbank thans zodanig is bezet, dat het stellen van de termijn van de schorsing op niet meer dan één maand niet mogelijk is.