Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO8012

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
1172276 EA VERZ 10-1309
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Liefdesrelatie tussen een advocaat senior medewerker van het ene advocatenkantoor (A) en een oprichter/partner van een ander advocatenkantoor (B). Advocaten zijn werkzaam bij een met elkaar concurrerende sectie. Advocaat senior medewerker is vanuit kantoor B bij kantoor A in dienst getreden. Advocaat senior medewerker wist dat kantoor A een liefdesrelatie met oprichter/partner van kantoor B onverenigbaar vond met haar functie. Desondanks licht zij kantoor A niet direct in. Bedrijfsbelangen. Vergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2011/42
JAR 2011/27
AR-Updates.nl 2010-1016
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaaknummer: 1172276 EA VERZ 10-1309

Beschikking van: 27 september 2010

F.no.: 620

Beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[A]

gevestigd te Amsterdam

verzoekster

nader te noemen [A]

gemachtigde: mr. A.D. Putker- Blees

t e g e n

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verweerster

nader te noemen [verweerster]

gemachtigde: mr. M.P. Vogel

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[A] heeft op 27 juli 2010 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 3 september 2010. Namens [A] zijn verschenen mr. [naam 3] en mr. [naam 4], alsmede de gemachtigde. [verweerster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten bepleit, [A] aan de hand van pleitnotities en op voorhand toegezonden producties, [verweerster] aan de hand van pleitaantekeningen. Tijdens en ná de zitting hebben partijen schikkingsonderhandelingen gevoerd, waarna zij alsnog om een beschikking hebben verzocht.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende:

a. [verweerster], geboren op 29 mei 1978, is per 1 juli 2009 in dienst getreden bij [A] als advocaat senior medewerker in het huurrechtteam van de praktijkgroep vastrecht, tegen een bruto maandsalaris van € 6.980,12. Vanaf 1 januari 2010 is zij benoemd in de functie van advocaat senior counsel en is haar bruto maandsalaris verhoogd tot € 7.286,71, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

b. [A] is een nationaal en internationaal opererend advocaten- en notariskantoor, dat zich richt op alle commerciële rechtsgebieden, waaronder vastgoed.

c. Begin februari 2009 heeft [A] een wervings- en adviesbureau in de gelegenheid gesteld om kandidaten te introduceren voor de vacature van advocaat medewerker huurrecht.

d. In februari 2009 heeft het adviesbureau [verweerster] bij [A] geïntroduceerd, die sedert mei 2002 bij advocatenkantoor [B] werkzaam was als advocaat huurrecht.

e. Nadat in februari en maart 2009 twee gesprekken hadden plaatsgevonden tussen partijen, heeft [A] aan [verweerster] een arbeidsovereenkomst aangeboden, die zij op 23 maart 2009 heeft getekend.

f. Op uitnodiging van [A] vond op 26 maart 2009 een bespreking plaats met [verweerster]. Aanleiding was dat [A] het gerucht had bereikt dat [verweerster] een liefdesrelatie had met de heer [naam 1], oprichter en senior partner van [B]. Op de vraag of deze geruchten juist waren heeft [verweerster] ontkennend geantwoord.

g. Op 31 mei 2010 heeft [verweerster] [A] geïnformeerd dat zij een relatie had met [naam 1] en dat zij inmiddels met hem samenwoonde.

Verzoek

2. [A] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van veranderingen in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Daartoe stelt ATB - samengevat - het volgende.

3. [A] beschouwt [B] als haar grootste concurrent op het gebied van het vastgoed. Toen [A] geruchten bereikten over een relatie tussen [verweerster] en [naam 1], heeft [A] het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer meegewogen. [A] is tot de conclusie gekomen dat haar belang bij bescherming van gevoelige informatie en haar bedrijfsdebiet een begrenzing van dit recht rechtvaardigt. Mevrouw [naam 2], bestuursvoorzitter van [A], heeft [verweerster] daarom op 26 maart 2009 gevraagd of zij een relatie had met [naam 1] en duidelijk gemaakt dat dit een onoverkomelijk bezwaar was om bij [A] op de afdeling huurrecht werkzaam te zijn. [verweerster] heeft hierop geantwoord met woorden van de volgende strekking: “Wij vinden elkaar wel leuk en daar verbinden de mensen wel eens conclusies aan, maar we hebben geen relatie.” Vervolgens heeft [naam 2] gezegd dat zij dan aannam dat er geen belemmeringen waren voor haar indiensttreding. [verweerster] heeft vervolgens in juli 2009 haar werkzaamheden bij [A] aangevangen.

4. In de loop van 2010 deden opnieuw geruchten de ronde over een relatie tussen [verweerster] en [naam 1]. Medewerkers van [B] vertelden dat deze geruchten al hardnekkig waren in de periode dat zou worden beslist of [verweerster] salary partner zou worden bij [B]. Het werd daar onwenselijk geacht indien een partner een relatie zou hebben met een salary partner binnen dezelfde sectie en om die reden zijn er in het verleden ook medewerkers vertrokken. Tijdens een reünistenborrel met oud kantoorgenoten op 26 mei 2010 deelde een aanwezige partner van [B] mede dat [verweerster] en [naam 1] inderdaad een relatie hadden. Eerst daarna heeft [verweerster] [A] hierover geïnformeerd. [verweerster] heeft [naam 2] op 31 mei 2010 spontaan verteld dat zij ongeveer drie maanden samenwoonde. Nu voert [verweerster] ineens aan dat zij pas sinds 22 mei 2010 samenwoont. [A] kan niet anders concluderen dan dat [verweerster], wetende dat het bestaan van genoemde relatie van zeer groot belang was voor [A], deze gedurende langere tijd heeft verzwegen. Pas toen de relatie een feit van algemene bekendheid was geworden en zij er niet meer omheen kon, heeft [verweerster] openheid van zaken gegeven. Hierdoor is het vertrouwen van [A] in [verweerster] onherstelbaar geschaad.

5. Door [verweerster] in dienst te houden loopt [A] een serieus risico dat strikt vertrouwelijke en zeer gevoelige informatie bij haar grootste concurrent terecht komt, doordat het onvermijdelijk is dat tussen liefdespartners die hetzelfde werk doen - hoezeer ook onbedoeld of ongewild - concurrentiegevoelige informatie wordt uitgewisseld. Dit standpunt komt niet alleen uit de koker van [naam 3] doch wordt gedragen door het bestuur van [A]. Als senior counsel heeft [verweerster] het recht om aandeelhoudersvergaderingen en jaarvergaderingen bij te wonen, waardoor zij kennis kan nemen van vertrouwelijke stukken. Bij gesprekken met [verweerster], is gebleken dat zij geen enkel oog heeft voor het standpunt van [A]. [verweerster] heeft bevestigd dat zij niet is geïnteresseerd in overplaatsing naar een andere sectie. Zij was voorts niet bereid om mee te werken aan tijdelijke overplaatsing, teneinde te zoeken naar een andere baan, waarbij [A] haar behulpzaam wilde zijn. [verweerster] creëert onrust binnen kantoor doordat zij de kwestie bespreekt met stagiaires, medewerkers en partners van [A] en probeert medestanders te vinden. De verhouding is verscherpt toen [naam 3] zich genoodzaakt zag om [verweerster] te verplichten haar praktijkwaarnemer toegang te verlenen tot haar e-mailbox. [verweerster] schermde deze e-mailbox volledig af en wilde tijdens een vakantie van vier weken met [naam 1] in juli 2010 zelf haar e-mails bijhouden en eventueel daarna informatie doorgeven aan de praktijkwaarnemer. [verweerster] reageerde hierop woedend en het duurde een week voordat zij de toegang verleende.

6. Nu pogingen om met [verweerster] in der minne tot een oplossing te komen vruchteloos zijn geweest, ziet [A] zich genoodzaakt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken. Aangezien sprake is van verwijtbaar achterhouden van cruciale informatie en [verweerster] een uitstekende arbeidsmarktpositie heeft, komt aan haar geen vergoeding toe, aldus steeds [A].

Verweer

7. [verweerster] betwist dat er gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door [A] bedoelde zin en verzet zich tegen de door [A] verzochte ontbinding. [verweerster] verzoekt voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zal ontbinden om een hoge vergoeding waarbij rekening wordt gehouden met de zeven dienstjaren bij [B]. [verweerster] voert daartoe - samengevat - het volgende aan.

8. [A] schetst ten onrechte een naargeestig beeld van [verweerster], door haar te verwijten dat zij langdurig haar liefdesrelatie heeft verzwegen en er vanuit te gaan dat zij, zonder dat daarvoor aanwijzingen zijn, concurrentiegevoelige informatie zal uitwisselen. [verweerster] is niet bereid om zich wegens haar privérelatie weg te laten sturen bij [A]. Daarbij heeft het er alle schijn van dat de voorgenomen stap tot beëindiging is ingegeven door de ongefundeerde visie van mr. [naam 3].

9. [verweerster] voelt zich geconfronteerd met een inbreuk op haar privacy doordat de discussie over haar relatie nu in alle openheid wordt gevoerd. Zij stelt dat zij sinds april 2010 een relatie met [naam 1] heeft en dat zij sinds 22 mei 2010 samenwonen. [verweerster] ontkent dat zij op 31 mei 2010 tegen [naam 2] heeft gezegd dat zij drie maanden samenwoonde. [verweerster] en [naam 1] hebben er voor gekozen om eerst zijn kinderen uit een vorig huwelijk in te lichten, alvorens beide kantoren te informeren. [naam 1] heeft [B] op 21 mei 2010 ingelicht toen hij daarnaar werd gevraagd. [verweerster] heeft dit op 31 mei 2010 gedaan en wist niet dat de kwestie al eerder op een reünie bij [A] onderwerp van gesprek was geweest. Dat [verweerster] [A] heeft ingelicht was niet zozeer omdat zij zich daartoe verplicht voelde, doch omdat het haar bekend was dat [naam 3] dat van belang achtte. In het verzoekschrift wordt overigens ten onrechte gesteld dat reeds vóór ondertekening van de arbeidsovereenkomst is gesproken over de relatie met [naam 1], terwijl dit pas daarna gebeurde.

10. Ten onrechte doet [A] het voorkomen alsof [B] dé grote concurrent is op het terrein van het vastgoed. [B] richt zich uitsluitend op aanbieders van onroerend goed, [A] ook op gebruikers. [A] is op de markt van het vastgoed als tweede een veel grotere speler dan [B], die op de zestiende plaats uitkomt. Verwezen wordt naar een door [verweerster] overgelegd onderzoek. [A] heeft niet geverifieerd wat de positie van [naam 1] bij [B] is. Hij houdt zich allang niet meer alleen bezig met huurrecht, doch ook met internationale arbitrages en advisering op vastgoedterrein.

11. Een deugdelijke grond voor schending van de privacy van [verweerster] ontbreekt en beëindiging van het dienstverband is een disproportionele maatregel. [A] is slechts bereid geweest om te overleggen over modaliteiten van ontslag en niet over oplossingen gericht op het behoud van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft tevergeefs voorgesteld om een onafhankelijke derde te benoemen om te beoordelen of [verweerster] in haar werkzaamheden zou worden belemmerd vanwege haar relatie. Voorts bleek [naam 3] niet bereid tot een persoonlijk gesprek met [verweerster] en evenmin tot het verlenen van zijn medewerking aan een door [verweerster] geopperd bemiddelingsgesprek met de Deken.

12. [verweerster] lijdt ingeval van ontbinding grote schade. Bij [B] was zij in 2008 aangewezen als salary partner vanaf 1 januari 2010. Zij had daar geen vooruitzicht om op korte termijn aandeelhouder te worden. Dit was wel het geval bij [A], waar zij de kans had om de praktijk van [naam 3] na zijn pensionering over te nemen. [verweerster] is zeer succesvol werkzaam geweest bij [A]. Zij heeft anderhalf jaar geïnvesteerd in haar ontwikkeling bij [A] en heeft haar investering en kansen bij [B] opgegeven. Zij zal elders weer helemaal opnieuw moeten beginnen. De economische crisis heeft ook de advocatuur getroffen. Indien het standpunt van [A] wordt gevolgd is het de vraag of [verweerster] bij een ander vastgoedkantoor aan de slag kan. Bij een ontbinding op de door [A] aangevoerde grond zal zij zal moeten uitleggen dat er niets mis is met haar integriteit. Daarom is ingeval van toewijzing van het ontbindingsverzoek een hoge C-factor van belang, aldus steeds [verweerster].

Beoordeling

13. Voorop gesteld wordt dat [verweerster] ingevolge artikel 8 EVRM recht heeft op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer. Een inbreuk daarop kan echter gerechtvaardigd zijn indien moet worden aangenomen dat [B] een belangrijke concurrent is van [A] op het terrein van het huurrecht en het voorts aannemelijk is dat [verweerster] in haar hoedanigheid van senior counsel bij het huurrechtteam van [A] mogelijk op de hoogte raakt van vertrouwelijke informatie die, gewild of ongewild, bij [naam 1] en daarmede bij [B] kan belanden.

14. [verweerster] heeft allereerst in haar verweer betoogd dat de vastgoedafdeling van [B] geen serieuze concurrent is van die van [A]. [A] heeft daartegen ingebracht dat niet zozeer de transactiepraktijk in de vastgoedadvocatuur, doch de huurrechtafdelingen van de beide kantoren grote concurrenten van elkaar zijn. Hun speerpunt is vastgoed en de huurrechtteams zijn van een vergelijkbare omvang. Bij [A] zijn daar twaalf advocaten werkzaam en bij [B] veertien advocaten. Beide huurrechtteams zijn in het specifieke segment van winkel/bedrijfsruimte de belangrijkste en gelijkwaardige spelers. Zij delen cliënten zoals pensioenfondsen, institutionele beleggers, projectontwikkelaars en beursfondsen en concurreren met elkaar met betrekking tot de werving van die cliënten. Voorts wordt tussen [A] en [B] geconcurreerd waar het gaat om werving van personeel. Een partner en twee medewerkers van [B] zijn afkomstig van [A]. Voorts stelt [A] dat [naam 1] nog steeds de leidende partner is van het huurrechtteam, dat hij auteur is van een aantal handboeken op het terrein van het huurrecht en hij dit vak ook doceert. Dit alles is uiteindelijk niet voldoende door [verweerster] betwist. Gelet op deze argumenten wordt aangenomen dat de afdeling huurrecht van [B] een belangrijke concurrent is van [A] en voorts dat [naam 1] daar werkzaam is.

15. [verweerster] heeft voorts aangevoerd dat [A] het vertrouwelijk karakter van de informatie die zij bij [A] verkrijgt, overdrijft en dat [A] daarvan geen concrete voorbeelden heeft aangedragen. Ter zitting heeft [A] ter toelichting de situatie beschreven dat besloten wordt om te bezien of een partner of medewerker ‘los zit’ bij [B]. Omdat dit een strategische vraag is die met een senior counsel besproken moet kunnen worden, zou het onwerkbaar zijn indien [verweerster] in dienst zou blijven. Hetzelfde kan spelen in het geval dat [A] een cliënt wil binnenhalen die bij [B] zit of indien anderszins een belangrijke beslissing moet worden genomen ten aanzien van marktbewerking. Een en ander komt de kantonrechter reëel voor.

16. De kantonrechter oordeelt op grond van het bovenstaande dat de gerechtvaardige belangen van [A] zich verzetten tegen voortzetting van het onderhavige dienstverband met [verweerster]. Voldoende redengevend is dat de kans bestaat dat [verweerster] met vertrouwelijke informatie betreffende concurrent [B] in aanraking komt en er een loyaliteitsconflict kan ontstaan. Voorkomen dient te worden dat medewerkers van [A] zich niet vrij achten om over alle aangelegenheden die de huurrechtsectie van [A] aangaan, met elkaar in het bijzijn van [verweerster] in overleg te treden. Niet valt in te zien hoe daar werkafspraken over kunnen worden gemaakt, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het volwaardig functioneren van [verweerster] als senior counsel binnen het huurrechtteam.

17. Dat [A] geen enkele dialoog heeft gevoerd met [verweerster] is niet gebleken. Aangezien [verweerster] zelf niet bereid is om bij een andere sectie van [A] te werken, hetgeen overigens begrijpelijk is, was het slechts mogelijk om te overleggen over de modaliteiten voor een vertrekregeling. Dat dit de consequentie zou zijn van haar relatie met [naam 1] is, was bij [verweerster] bekend sinds 26 maart 2009. Voor zover [verweerster] zich erop beroept dat zij ongelijk wordt behandeld omdat er ook andere advocaten van [A] een relatie hebben met advocaten van andere kantoren, wordt daaraan dan ook voorbijgegaan. Bovendien stelt [verweerster] niet dat het daarbij ook gaat om partners die bij een concurrerende sectie van een ander kantoor werkzaam zijn.

18. Slotsom is dat de belangen van [A] dienen te prevaleren boven het recht van [verweerster] op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer. [A] was gerechtigd om [verweerster] in maart 2009 de vraag voor te leggen of zij een relatie had met [naam 1] en nu daarvan sprake blijkt te zijn, kan [A] daaraan redelijkerwijze de consequentie verbinden dat de arbeidsovereenkomst niet kan blijven voortbestaan.

19. [A] legt aan haar ontbindingsverzoek voorts ten grondslag dat het vertrouwen is geschaad doordat [verweerster] [A] pas op 31 mei 2010 bekend maakte dat zij een relatie had met [naam 1]. De kantonrechter is van oordeel dat het [verweerster] kan worden aangerekend dat zij hierover niet direct in april 2010 open kaart heeft gespeeld. [verweerster] was in ieder geval sinds 26 maart 2009 op de hoogte van het geruchtencircuit dat over haar de ronde deed en zij wist dat [A] deze relatie onverenigbaar achtte met de functie die zij inmiddels bekleedde. Niet valt in te zien waarom zij [A] niet direct in april 2010 in vertrouwen kon nemen, met het verzoek om hieraan nog geen ruchtbaarheid te geven zolang de kinderen van [naam 1] nog niet waren ingelicht. Dat [A] vermoedt dat de relatie van [verweerster] in werkelijkheid al langer duurde is niet onbegrijpelijk. [A] heeft er in dat verband op gewezen dat pensioenverzekeraar Centraal Beheer een adreswijziging van [verweerster] in haar systeem heeft verwerkt per 20 april 2010 met betrekking tot het adres waar [verweerster] naar eigen zeggen sedert 22 mei 2010 samenwoont. Voorts komt de door [verweerster] gestelde periode van enkele weken tussen het moment van het aangaan van haar relatie en het samenwonen in de gegeven omstandigheden wel erg kort voor.

20. Gelet op het voorgaande kan de verandering van omstandigheden die tot beëindiging van het dienstverband noopt tevens worden gegrond op schending van het vertrouwen in [verweerster]. De slotsom is dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.

21. Dat [verweerster] ten gevolge van de ontbinding geschaad wordt in haar belangen is aannemelijk. Zij heeft geïnvesteerd in een carrière bij [A] en zal nu op zoek moeten gaan naar een nieuwe werkgever, waar zij wellicht niet direct op dezelfde voorwaarden werkzaam zal kunnen zijn. Dit valt echter in overwegende mate in de risicosfeer van [verweerster]. Voorts wordt er niet van uitgegaan dat de kansen van [verweerster] op de arbeidsmarkt ongunstig zijn. Ter zitting bleek dat er al een advocatenkantoor via [A] interesse heeft getoond voor [verweerster], die dat kantoor echter te klein vindt voor een switch.

22. Op gronden van billijkheid komt aan [verweerster] ten laste van [A] een vergoeding toe, te stellen op het hieronder toe te kennen bedrag, dat mede is bepaald aan de hand van hetgeen reeds is overwogen ten aanzien van de wijziging in de omstandigheden en de beoordeling van de wederzijdse verwijten. Voorts hebben bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding meegewogen de duur van het dienstverband bij [A], de leeftijd van [verweerster] en de hoogte van haar loon. Geen rekening wordt gehouden met de dienstjaren bij [B], aangezien het [verweerster] zelf is geweest die zich had ingeschreven bij een wervings- en adviesbureau en zich vervolgens heeft aangemeld bij [A], nadat zij door dit bureau was geattendeerd op de vacature.

23. Nu aan [verweerster] een vergoeding wordt toegekend, moet aan [A] de gelegenheid worden geboden haar verzoek in te trekken.

24. Er zijn termen de proceskosten te compenseren, behoudens indien [A] het verzoek intrekt, in welk geval [A] in de proceskosten van [verweerster] wordt veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 oktober 2010;

II. kent aan [verweerster] een vergoeding toe ten laste van [A] ter hoogte van € 10.000,00 bruto, een en ander strekkende tot aanvulling van door [verweerster] te ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon;

III. veroordeelt [A] tot betaling van deze vergoeding en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

IV. bepaalt dat het onder I t/m III gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek door [A] uiterlijk op 13 oktober 2010 wordt ingetrokken;

V. bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen, behoudens in het geval [A] het verzoek zal intrekken, in welk geval [A] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerster], die tot op heden worden begroot op € 545,- voor salaris van zijn gemachtigde, voorzover verschuldigd, inclusief BTW.

VI. wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.