Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO7904

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
13/706631-10 RK nummer: 10/4678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering Italie toegestaan.

Betreft 2e EAB, terwijl voor 1e EAB de OvJ niet-ontvankelijk is verklaard nu uja zich niet langer bevoegd achtte. Kunnen stukken mbt de feitsomschrijving van het eerste EAB worden meegenomen? Verweer betreft genoegzaamheid van stukken en genoegzame omschrijving van de feiten verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706631-10 RK nummer: 10/4678

Datum uitspraak: 12 oktober 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 juli 2010 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 8 juli 2010 door de Judge for preliminary Investigations te Napels, rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels, Italië. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1953,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 september 2010, waarbij de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, zijn gehoord. Op die zitting is de behandeling aangehouden nu de raadsman niet in het bezit was van alle stukken en als gevolg daarvan onvoldoende tijd had zich daarop voor te bereiden.

De behandeling is voortgezet op de openbare zitting van 28 september 2010, waarbij de officier van justitie, de opgeëiste persoon en bovengenoemde raadsman zijn gehoord.

Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet beslissen met dertig dagen verlengd

De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat door de aanhouding van de behandeling en de druk bezette agenda van de Internationale rechtshulpkamer een eerdere behandeling van het EAB niet mogelijk was.

Op bovengenoemde zitting is naast het EAB van 8 juli 2010 ook een ouder EAB behandeld, uitgevaardigd op 15 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Reggio Calabria, Italië. De bijbehorende vordering van de officier van justitie dateert van 23 juni 2010.

Waar hierna wordt gesproken over het eerste EAB, wordt bedoeld het EAB van 15 juni 2010.

Waar hierna wordt gesproken over het EAB of over het tweede EAB, wordt bedoeld het onderhavige EAB van 8 juli 2010.

Aan het eerste EAB ligt ten grondslag een bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd op 14 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Reggio Calabria. Gebleken is dat dit bevel is opgevolgd door een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd op 28 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels (Italië). De reden hiervan is dat de rechter-commissaris bij de rechtbank van Reggio Calabria zich territoriaal onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, omdat de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels bevoegd is ten aanzien van deze feiten.

Het aan het eerste EAB ten grondslag liggende bevel tot voorlopige hechtenis is aldus opgevolgd door een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd door een andere rechterlijke instantie, terwijl de rechterlijke instantie die zowel het eerste bevel als het eerste EAB heeft uitgevaardigd, zichzelf onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

Deze omstandigheid heeft bij de beoordeling van het eerste EAB geleid tot de beslissing dat de officier van justitie, bij gebrek aan belang, niet kan worden ontvangen in haar vordering tot het in behandeling nemen van het eerste EAB. De uitspraak in die zaak, met parketnummer 13/706511-10, is eveneens vandaag gedaan.

Op 30 juli 2010 heeft de officier van justitie een vordering ingesteld met betrekking tot het tweede EAB (dat in de nu voorliggende uitspraak wordt beoordeeld).

Ten aanzien van het tweede EAB bevindt zich – voor zover van belang – de volgende aanvullende informatie in het dossier.

- een schriftelijk stuk met de titel “supplementary information (Art. 95.2)”, ondertekend op 8 juli 2010 door rechter-commissaris mr. Egle Pilla, de uitvaardigende rechter-commissaris te Napels;

- een fax d.d. 30 juli 2010 van [naam 1], de Directeur Generaal van het Ministerie van Justitie te Rome (Italië);

- de informatie uit de brief van rechter commissaris te Napels, [naam 2], gedateerd 2 juli 2010;

- een brief van [naam 3] van het Algemeen Openbaar Ministerie Reggio Calabria, gedateerd 30 juli 2010;

- een brief van [naam 4] van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels, gedateerd 29 juli 2010;

- een brief van [naam 4] van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels, gedateerd 27 augustus 2010.

De rechtbank beschouwt de datum van de brief van [naam 2] – 2 juli 2010 – als een kennelijke verschrijving. In deze brief wordt immers gerefereerd aan een fax van 30 juli 2010 en aan het op 8 juli 2010 uitgevaardigde EAB. De rechtbank gaat ervan uit dat de brief dateert van 2 augustus 2010, althans van een datum ná 30 juli 2010.

Na schorsing van de behandeling op 7 september 2010 is nog een brief ontvangen van de rechter-commissaris te Napels, mr Pilla, gedateerd 22 september 2010.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

2.1 Grondslag

Aan het EAB ligt ten grondslag een bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd op 28 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels.

2.2 Genoegzaamheid van de stukken

2.2.1 Welke stukken staan ter beoordeling?

Voor de beantwoording van de vraag of de stukken in onderhavig dossier genoegzaam zijn, zal eerst bepaald moeten worden met welke, door de Italiaanse autoriteiten verstrekte, informatie rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van onderhavig EAB (zijnde het tweede EAB).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle informatie die naar aanleiding van het eerste EAB is verstrekt, ook op het tweede EAB betrokken dient te worden. Ter ondersteuning van dat uitgangspunt heeft zij verwezen naar de brief van 22 september 2010 van de rechter-commissaris van de rechtbank te Napels, Pilla. Deze heeft in zijn brief – blijkens de hieronder opgenomen vertaling - het volgende gesteld:

Onderwerp; Europees arrestatiebevel tegen (onder meer) [opgeëiste persoon].

Bevestiging van door OM op 27-8-10 verstrekte informatie:

Onder verwijzing naar het in het onderwerp vermelde verzoek deel en bevestig ik het verhelderende antwoord waarom u hebt verzocht en dat u is gegeven door [naam 4], officier van justitie, belast met de procedure d.d. 27 augustus 2010.

De raadsman heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit standpunt van de officier van justitie en daarbij verwezen naar de uitspraken van de rechtbank in de connexe zaken. De rechtbank heeft in die uitspraken vier argumenten gehanteerd om de brief van [naam 4] niet te laten meewegen bij de beoordeling van de genoegzaamheid van de feiten. De enige mededeling die rechter-commissaris Pilla, de uitvaardigende autoriteit, nu heeft gedaan is dat de informatie uit de brief van de officier van justitie [naam 4] wordt bevestigd en gedeeld. Dat laat onverlet dat de door [naam 4] vermelde informatie nog steeds niet is gestuurd door of via de Centrale autoriteit en evenmin is toestemming verleend om de informatie te versturen. De raadsman verzoekt de rechtbank bij het overleveringsverzoek enkel de informatie te betrekken die in het kader van het tweede EAB is verstrekt en enkel die informatie die expliciet ziet op deze opgeëiste persoon.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de overleveringsprocedure zich – in tegenstelling tot de vóór het KEAB en de Overleveringswet geldende uitleveringsprocedures tussen lidstaten – kenmerkt als een sterk vereenvoudigde procedure ter bevordering van een vruchtbare strafrechtelijke samenwerking tussen de lidstaten. Vanwege de verschillende strafrechtssystemen van de lidstaten is hierbij als uitgangspunt gekozen voor een uniform en verplicht instrument: het EAB. Deze uniforme bevelen worden uitgevaardigd volgens het model dat als bijlage bij het KEAB (en de OLW) is gevoegd. Het geldende vertrouwensbeginsel brengt voorts mee dat in beginsel moet worden vertrouwd op de juistheid van de inhoud van het EAB.

Omdat aldus sprake is van een relatief eenvoudige procedure, waarbij in beginsel vertrouwd moet worden op de juistheid van de inhoud van het EAB, is het van groot belang dat een uitvaardigende justitiële instantie, aan de hand van het uniforme en verplichte model, zorg draagt voor een genoegzaam EAB.

Ten aanzien van de opgeëiste persoon zijn twee EAB’s uitgevaardigd. Niet gebleken is dat één van deze twee EAB’s is ingetrokken. Als uitgangspunt geldt dus dat beide EAB’s afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. De beslissing in het eerste EAB is hiervoor onder 1. al besproken.

Het tweede EAB bevat, zoals reeds overwogen, hiaten en onduidelijkheden.

De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraken in connexe zaken (waaronder 13.706628-10 en 13.706629-10) dat geen acht geslagen kon worden op de brief van 27 augustus 2010 van [naam 4] officier van justitie van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels, nu in die gegeven omstandigheden, mede bezien in het licht van het hiervoor geschetste karakter van de overleveringsprocedure, de vereiste essentiële informatie alleen dan een rol kan spelen wanneer deze afkomstig is van de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat wil zeggen in die gevallen van de rechter-commissaris van de rechtbank te Napels.

De onderhavige zaak is in die zin niet vergelijkbaar met bovengenoemde connexe zaken nu in deze zaak nadere informatie van de rechter-commissaris te Napels is gekomen, te weten de brief van 22 september 2010, waarin de rechter-commissaris het antwoord van officier van justitie [naam 4] in zijn brief van 27 augustus 2010 deelt en bevestigt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze mededeling summier, maar blijkt hieruit afdoende dat de informatie zoals verstrekt door de officier van justitie te Napels, wordt bevestigd door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Ten aanzien van de omschrijving van de feiten kan daarmee ook, waar nodig, de informatie uit het eerste EAB worden meegenomen.

De raadsman heeft gesteld dat daarmee nog steeds niet voldaan is aan de voorwaarden die de rechtbank aan de aanvullende informatie heeft gesteld. De rechtbank overweegt hiertoe dat de door de rechtbank in haar eerdere uitspraken genoemde argumenten om de brief van de officier van justitie [naam 4] niet mee te nemen in haar beoordeling, een opsomming betreft van alternatieven, waarop de ontstane onduidelijkheden weg konden worden genomen.

Bij de beoordeling naar de genoegzaamheid van het EAB conform artikel 2 OLW houdt de rechtbank gelet op het voorgaande dus rekening met:

- de informatie zoals vermeld in het EAB;

- de informatie in het schriftelijk stuk met de titel “supplementary information (art. 95.2)”, ondertekend op 8 juli 2010 door rechter-commissaris mr. Egle Pilla (de uitvaardigende rechter-commissaris te Napels);

- de informatie uit de brief van rechter commissaris te Napels [naam 2], per abuis gedateerd 2 juli 2010 (hierna: de brief van [naam 2]);

- een brief van [naam 3] van het Algemeen Openbaar Ministerie Reggio Calabria, gedateerd 30 juli 2010;

- een brief van [naam 4] van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels, gedateerd 29 juli 2010;

- een brief van [naam 4] van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels, gedateerd 27 augustus 2010.

- een brief ontvangen van de rechter-commissaris te Napels, mr Pilla, gedateerd 22 september 2010.

van welke stukken een gewaarmerkte kopie als bijlage aan de uitspraak is gehecht.

2.2.2 Genoegzame omschrijving van de feiten.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Hoewel het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van drie strafbare feiten, blijkt uit de brief van [naam 2], en uit de “supplementary information” dat het onderzoek het vermoeden betreft dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Italië strafbare feiten - kort gezegd het deelnemen aan een internationale organisatie die zich bezig houdt met de invoer en handel in verdovende middelen en poging tot invoer van grote hoeveelheden verdovende middelen.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de hiervoor onder 2.2.1 genoemde documenten. Van deze stukken zijn door de griffier gewaarmerkte fotokopieën als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd wegens ongenoegzaamheid, nu de omschrijving van beide feiten niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. De rol van de opgeëiste persoon binnen de criminele organisatie blijkt onvoldoende uit de stukken. Voorts blijkt nergens uit dat de opgeëiste persoon enig opzet heeft gehad gericht op het leveren van een aandeel in of ondersteuning van de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De raadsman verwijst daarbij naar eerdere uitspraken van deze rechtbank (LJN: AX9288 en BD2934). Indien de rechtbank deze redenering niet volgt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de periode voor dat feit in ieder geval dient te worden beperkt.

Ten aanzien van de betrokkenheid bij een poging tot invoer van verdovende middelen heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze omschrijving in ieder geval ongenoegzaam is, nu nergens blijkt van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij dit feit.

De officier van justitie heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat ten aanzien van de deelneming aan de criminele organisatie voldaan is aan de vereisten van artikel 2 OLW. De rol van de opgeëiste persoon is voldoende in de stukken omschreven. Ten aanzien van de pleeg-periode heeft de officier van justitie als uitgangspunt genomen de periode aansluitend op de inbeslagname van een partij verdovende middelen in de haven van Livorno in september 2005. De officier van justitie heeft dit standpunt gebaseerd op de informatie die uit de stukken naar voren komt, te weten dat de opgeëiste persoon bij de grotere criminele organisatie betrokken raakte na de inbeslagname van voornoemde partij.

Ten aanzien van de overlevering voor betrokkenheid bij de poging tot invoer van 500 kilo cocaïne heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor dat feit moet worden geweigerd vanwege strijd met artikel 2 OLW, nu in het EAB en de aanvullende informatie niet wordt aangegeven wat de specifieke rol van de opgeëiste persoon is geweest.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een EAB dient, gelet op artikel 2 van de OLW, gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd te bevatten, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien zal die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel moeten kunnen waarborgen.

Uit de hiervoor onder 2.2.1 vermelde schriftelijke stukken leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon wordt verweten dat hij lid is van een criminele organisatie die in de periode van december 2004 tot september 2008 actief was in het opzetten van een stabiele internationale handel in verdovende middelen (in het bijzonder cocaïne), afkomstig uit Afrika en vooral uit Zuid Amerika en bestemd voor Italië, maar ook voor Nederland en Australië. De opgeëiste persoon wordt gezien als de aanzetter, leider, organisator en financier van de organisatie, samen met medeverdachten.

Voorts is uit afgeluisterde telefoongesprekken naar voren gekomen dat door deze organisatie tussen het einde van 2006 en de eerste maanden van 2007 getracht is een hoeveelheid van circa 500 kilo cocaïne in te voeren in Italië en in Nederland, gebruikmakend van een vliegtuig dat een van de medeverdachten tot zijn beschikking had.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet hiermee de omschrijving van de feiten betrekking hebbende op de verdenking van deelneming aan een criminele drugsorganisatie, aan de eisen van artikel 2 OLW. Immers, de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd zijn beschreven, met vermelding van onder meer de aard van de door de organisatie beoogde strafbare feiten, de pleegperiode, de pleegplaatsen en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de organisatie, terwijl voorts ook een nader gespecificeerd beoogd transport van verdovende middelen is omschreven, dat aan de criminele organisatie wordt toegeschreven. Hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ten aanzien het opzet van de opgeëiste persoon, betreft het bewijs dat de opgeëiste persoon het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht heeft begaan. Dit bewijs staat in de onderhavige overleveringsprocedure niet ter beoordeling van de rechtbank.

Wat de pleegperiode betreft is de rechtbank echter van oordeel dat de ruime pleegperiode (december 2004 – september 2008) noch wordt ondersteund door de als concrete activiteit van de organisatie genoemde beoogde transport en invoer van 500 kg cocaïne (einde van 2006/eerste maanden van 2007) noch door andere verstrekte gegevens.

Uit de brief van officier van justitie [naam 4] van 27 augustus 2010 valt af te leiden dat het exacte tijdstip waarop een aanvang werd gemaakt met afspraken voor een samenwerking niet is vast te stellen, maar dat daarmee al vóór mei 2006 een aanvang werd gemaakt. Voorts blijkt uit voornoemde brief dat er redelijkerwijs vanuit moet worden gegaan dat de banden van de Nederlandse groepering met de Italiaanse leden van de organisatie ook na maart 2007 zijn doorgegaan. De pleegperiode zal daarom, anders dan waar de officier van justitie van uitgaat, worden beperkt tot de jaren 2006 en 2007.

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat, wat betreft de omschrijving van de feiten betrekking hebbende op de beoogde invoer naar Italië van 500 kg cocaïne einde van 2006/eerste maanden van 2007 met behulp van een vliegtuig, deze ongenoegzaam is, nu niet blijkt wat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon is geweest bij dit concrete feit. Voor dat feit zal daarom de overlevering moeten worden geweigerd.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Hiervoor is reeds overwogen dat de overlevering zal moeten worden geweigerd voor het feit betrekking hebbende op de beoogde invoer naar Italië van 500 kg cocaïne einde van 2006/eerste maanden van 2007 met behulp van een vliegtuig.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het resterende feitencomplex aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de gegevens in het EAB en de hiervoor onder 2.2.1 genoemde documenten heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de gegevens uit de brief van [naam 2] is op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie is gegeven.

De Directeur Generaal van het Ministerie van Justitie te Rome heeft bij fax van 30 juli 2010 de volgende garantie gegeven:

Wanneer de voorwaarde als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Kaderbesluit van de Raad van Europa nr. 2002/584/JBZ d.d. 13 juni 2002, door de Lidstaat die is belast met de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel wordt toegepast voor eigen onderdanen die aan de Italiaanse Staat worden overgeleverd, is dit bindend voor de Italiaanse gerechtelijke autoriteit.

Derhalve zal [opgeëiste persoon], wanneer de veroordeling onherroepelijk is, worden teruggezonden om de bij vonnis opgelegde gevangenisstraf in Nederland uit te zitten in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving.

De verklaring van Italië met betrekking tot artikel 3, derde lid van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van veroordeelde personen verwijst niet naar het Europees Aanhoudingsbevel, dat wordt geregeld door het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie d.d. 13 juni 2002.

De voorwaarde als bedoeld in artikel 5 derde lid van het kaderbesluit d.d. 13 juni 2002 wordt derhalve aanvaard hoewel (de rechtbank begrijpt: indien) de Nederlandse gerechtelijke autoriteit de procedure toepast als bedoeld in artikel 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van de veroordeelde persoon.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Het onder 4 bedoelde feitencomplex is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

De raadsman heeft onder aanhaling van de formulering van artikel 6, eerste lid OLW, gesteld dat de gegeven terugkeergarantie onvoldoende is. De waarborg dat de opgeëiste persoon, na veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, zijn straf in Nederland zal mogen ondergaan, is door de wijze waarop Italië deze in de praktijk uitvoert, onvoldoende. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een andere, hem bekende, zaak waarbij een Nederlander sinds zijn veroordeling in juni 2008, in februari 2010 nog niet was teruggekeerd naar Nederland om zijn straf te ondergaan.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in haar uitspraak te bepalen dat de opgeëiste persoon, indien hij in Italië wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, aanstonds nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden, mag terugkeren naar Nederland om daar de rest van zijn straf te ondergaan.

Subsidiar verzoekt de raadsman de behandeling aan te houden, teneinde om een specifieke garantie te verzoeken dat de opgeëiste persoon, na onherroepelijke veroordeling, aanstonds mag terugkeren.

De officier van justitie ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, de inhoud van het dossier en de praktijk waarin Italië WOTS-garanties pleegt na te komen, geen aanleiding om navraag te doen over de gerechtvaardigheid van het vertrouwen in door Italië verstrekte garanties.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de garantie zoals hierboven weergegeven voldoende is in de zin van de OLW, zodat naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd is dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 VOGP zal kunnen worden omgezet.

De rechtbank is van oordeel dat geen wettelijke basis bestaat voor het door de raadsman gedane verzoek en zal daarom zijn verzoek afwijzen. De OLW biedt geen aanknopingspunten om in het kader van een vermeend gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van de uitvaardigende lidstaat, nadere garanties te vragen of hieraan consequenties te verbinden. De rechtbank kan alleen de verwachting uitspreken dat de Italiaanse autoriteiten de van toepassing zijnde verdragen zullen respecteren. Bovendien gaat de rechtbank ervan uit dat de Nederlandse autoriteiten, voor zover nodig, erop toezien dat de Italiaanse autoriteiten een verzoek in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van een opgeëiste persoon voortvarend behandelen.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten. Ingevolge het tweede lid van artikel 13 OLW dient echter op vordering van de officier van justitie van deze weigeringsgrond te worden afgezien, tenzij naar het oordeel van de rechtbank de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- Het opsporingsonderzoek en de vervolging zijn in Italië aangevangen;

- Alle medeverdachten zijn in Italië aangehouden en zullen daar ook worden berecht;

- Het bewijs is in Italië verzameld;

- De strafbare feiten zijn grotendeels op Italiaans grondgebied gepleegd en de Italiaanse rechtsorde is daardoor geschokt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Italiaanse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat zij niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit betrekking hebbende op de verdenking van deelneming aan een internationale organisatie die zich bezig houdt met de invoer en handel in verdovende middelen, waarvoor de overlevering wordt gevraagd, is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan, echter met dien verstande dat de pleegperiode wordt beperkt tot de jaren 2006 en 2007.

Voor de perioden december 2004 tot en met december 2005 en januari 2008 tot en met september 2008 zal de overlevering voor voornoemd feit worden geweigerd.

Ten aanzien van het feit betrekking hebbende op de beoogde invoer naar Italië van 500 kg cocaïne, in de periode einde van 2006/eerste maanden van 2007 met behulp van een vliegtuig moet de overlevering worden geweigerd.

8. Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11a van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels, Italië, ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, betrekking hebbende op de verdenking van deelneming aan een internationale organisatie die zich bezig houdt met de invoer en handel in verdovende middelen, met dien verstande dat de overlevering slechts wordt toegestaan voor zover dit feit is gepleegd in de jaren 2006 en 2007.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels, Italië, ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, betrekking hebbende op de verdenking van deelneming aan een internationale organisatie die zich bezig houdt met de invoer en handel in verdovende middelen voor zover dit feit is gepleegd in de perioden december 2004 tot en met december 2005 en januari 2008 tot en met september 2008.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, betrekking hebbende op de beoogde invoer naar Italië van 500 kg cocaïne, in de periode einde van 2006/eerste maanden van 2007 met behulp van een vliegtuig.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. B. van Berge Henegouwen en C.E.M. Marsé, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2010.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.