Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO7696

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
13.706.692-2010 RK nummer: 10/5283
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB vervolging, Italië, inbeslagneming op grond van de OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706.692-2010 RK nummer: 10/5283

Datum uitspraak: 12 november 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank . Deze vordering dateert van 30 augustus 2010 en is aangevuld bij het schrijven van 21 oktober 2010 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 13 mei 2009 door de Judge for Preliminary Investigations te Milaan (Italië). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] alias [alias]

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) [geboortedatum] 1981

van Albanese nationaliteit,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Zwaag.

Hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 oktober 2010. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Albanese taal.

De rechtbank heeft op die zitting de termijn genoemd in artikel 22, eerste lid, van de OLW op grond van het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de OLW met 30 dagen verlengd. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig vol is dat de rechtbank niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt ten grondslag een preventive detention order van 24 oktober 2008 van de Judge for Preliminary Investigations te Milaan.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vier naar het recht van Italië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

Het EAB heeft, gelet op de aanvulling op het EAB van 22 oktober 2010 en de volgende aanvullingen daarop van 25 en 27 oktober 2010, ook betrekking op de inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting bevestigd dat hij [opgeëiste persoon] is en dat hij niet de Nederlandse, maar de Albanese nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder de nummers 1 en 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie

en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Verweren

5.1 Verweer inzake de genoegzaamheid van de stukken

Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat de stukken niet genoegzaam zijn. Zakelijk weergegeven is gesteld dat niet, dan wel onvoldoende, duidelijk is wat zijn rol bij in de strafbare feiten waarvoor de Italiaanse justitiële autoriteiten zijn overlevering vragen. Voorts hebben de feiten die hij zou hebben gepleegd allemaal in maart 2007 plaatsgevonden, maar wordt hij van deelneming aan een criminele organisatie verdacht in de periode van november 2006 tot april 2007.

De officier van justitie heeft geconcludeerd, kort weergegeven, dat de stukken genoegzaam zijn en het duidelijk is waarvan de Italiaanse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon verdenken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het EAB dient de gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Artikel 2, tweede lid, van de OLW, dat zijn oorsprong vindt in artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 van de Raad van de Europese Unie (hierna: KEA), vermeldt de gegevens die een EAB in elk geval dient te bevatten, te weten, onder meer de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit en een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit.

Uit het EAB onder e) leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht van de volgende feiten (samengevat weergegeven).

De opgeëiste persoon wordt onder charge 9 verdacht van de invoer van (in ieder geval) 2 kilogram cocaïne in Italië (naar Milaan), samen met anderen (onder andere [naam 1], [naam 2] en [naam 3]). Dit heeft op 19 maart 2007 te Milaan plaatsgevonden.

Onder charge 10 wordt weergegeven dat de opgeëiste persoon op 19 maart 2007, te Milaan en Massa Carrara, samen met anderen ([naam 5] en [naam 2]) 5 kilogram heroïne, bestemd voor smokkel naar onbekende partijen, van Milaan naar Massa Carrara heeft vervoerd en onder zich heeft gehouden. De opgeëiste persoon was gewoonlijk verantwoordelijk voor het vinden van de hoeveelheden.

Onder charge 11 wordt door de Italiaanse justitiële autoriteiten gesteld dat de opgeëiste persoon op 22 maart 2007 in Vipiteno en Milaan samen met anderen negen pakketjes cocaine (4,68 kg), welke bestemd waren voor smokkel naar onbekende partijen, vanuit Nederland heeft ingevoerd. [naam 1], de opgeëiste persoon en [naam 6] waren gewoonlijk de organisatoren, financiers en geadresseerden van de hoeveelheid cocaïne die naar Milaan moest worden gesmokkeld.

Ten slotte wordt in charge 14 gesteld dat er van november 2006 tot en met april 2007 sprake was van een samenwerkingsverband tussen tien personen en nog andere personen, met als doel het importeren van drugs, zoals cocaïne en heroïne, van Nederland en de Balkan naar Italië en de distributie en verkoop daarvan. De rol van de opgeëiste persoon was: hoofd en promotor van de organisatie. Hij was hoofd van de subgroep van Albanezen die werkten in Sesto San Giovanni (Milaan), bestaande uit [naam 2], [naam 7] en [naam 8]. De opgeëiste persoon gaf opdrachten en aanwijzingen aan deze personen.

Gelet op het vorenstaande hebben de Italiaanse justitiële autoriteiten naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam omschreven waarvan de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht, alsmede wat zijn rol zou zijn in het geheel. Naar het oordeel van de rechtbank is de omschrijving van de criminele organisatie en de rol van de verdachte daarin al zodanig concreet dat deze omschrijving op zich zelf genoegzaam is. Daarbij overweegt de rechtbank dat de pleegperiode van het vierde feit (charge 14), niet zodanig ruim is dat voor de opgeëiste persoon onduidelijk zou zijn waartegen hij zich moet verdedigen. Ook voor de rechtbank is de periode voldoende duidelijk om te beoordelen waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Ten slotte merkt de rechtbank op dat de pleegperiode van charge 14 slechts enkele maanden extra bestrijkt ten opzichte van de pleegperiode van de concreet beschreven feiten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een situatie waarin geen verband meer kan worden aangenomen met deze feiten, die door de organisatie gepleegd zouden zijn. Het verweer slaagt derhalve niet.

5.2 Verweer inzake het verzoek om afgifte van de in beslag genomen goederen

De opgeëiste persoon heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de afgifte van de in beslag genomen goederen dient te worden geweigerd. Allereerst wordt aan dit standpunt ten grondslag gelegd dat de inbeslagname van het geldbedrag onrechtmatig is geweest. De aanhouding had niet mogen plaatsvinden en dus ook de inbeslagname niet. Bovendien staat in het proces-verbaal dat het geld op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag is genomen en is bij de omstandigheden van inbeslagneming vermeld: handel in harddrugs. Voor deze aanname bestond echter geen basis. Ook is het beslag niet door enige officier of hulpofficier van justitie gelast, als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de OLW, maar door agent [naam 9]. Voorts biedt de OLW geen basis voor afgifte van de goederen aan Italië. De feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht, hebben zich afgespeeld in de periode van november 2006 tot april 2007. Niet kan worden gesteld dat het geldbedrag dat bij de opgeëiste persoon is aangetroffen als bewijs voor deze feiten kan worden gebruikt of dat dit als gevolg van het misdrijf internationale handel in verdovende middelen is verkregen. Daarom dient de afgifte van de goederen aan Italië te worden afgewezen.

De officier van justitie heeft zakelijk weergegeven betoogd dat de afgifte van de goederen kan worden toegestaan. Wat er ook zij van de rechtmatigheid van de inbeslagname van het geldbedrag op 20 augustus 2010, op 22 oktober 2010 is het geld op haar bevel in beslag genomen. Dit bevel was gebaseerd op artikel 49 van de OLW. De rechtbank dient te toetsen of de goederen in het bezit van de opgeëiste persoon waren en of de goederen in aanmerking komen voor inbeslagname op grond van de OLW.

De Italiaanse justitiële autoriteiten hebben om inbeslagname verzocht van een paspoort, twee identiteitskaarten en geld. Zij hebben een afweging gemaakt of deze goederen relevant zijn voor de procedure in Italië. Het gaat om goederen die een connectie kunnen hebben met de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht. De officier stelt zich op het standpunt, dat enkel indien duidelijk is dat de goederen absoluut niet relevant voor de procedure in Italië zijn, de overdracht kan worden geweigerd. In de onderhavige zaak is dat niet het geval en derhalve dient de afgifte van de goederen te worden bevolen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatige inbeslagname van het geld. De opgeëiste persoon is op 20 augustus 2010 aangehouden met in zijn bezit een geldbedrag van bijna 45.000 euro in grote coupures (onder andere 2 coupures van 500 euro en 204 coupures van 200 euro). Van dergelijke coupures is bekend dat zij in het betalingsverkeer rond drugsgerelateerde feiten wel en in het gewone betalingsverkeer niet gebruikelijk zijn. Uit onderzoek dat de politie vervolgens naar de opgeëiste persoon verricht in de NSIS/LIST, blijkt dat de opgeëiste persoon in verband met een verzoek om overlevering van Italië in het NSIS gesignaleerd staat en dat de naam [alias] een alias is voor [opgeëiste persoon]. De rechtbank is van oordeel dat de politie op basis van deze gegevens bevoegd was tot inbeslagneming van het geldbedrag op basis van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering.

Dat bij de inbeslagneming geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid tot inbeslagname die volgt uit artikel 49 OLW staat aan afgifte van de goederen niet in de weg.

Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet willen afwijken van artikel 29 van het KEA. Ingevolge genoemd artikel uit het KEA neemt de uitvoerende rechterlijke autoriteit, overeenkomstig haar nationaal recht, op verzoek van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit of op eigen initiatief de voorwerpen in beslag die als bewijsstuk kunnen dienen of van het strafbaar feit afkomstig zijn en zich in het bezit van de gezochte persoon bevinden. In de onderhavige zaak heeft de inbeslagname, als reeds vermeld, plaatsgevonden op basis van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel vereist niet dat inbeslagname op last van een (hulp)officier van justitie moet gebeuren. De officier van justitie heeft ter zitting gemeld dat zij het geld op grond van artikel 49 OLW in beslag heeft genomen. De rechtbank constateert dat het onderliggende proces-verbaal daarvan zich niet in het dossier bevindt. In het midden kan echter blijven of het geld ook op grond van artikel 49 OLW in beslag is genomen, nu het geld al rechtsgeldig in beslag was genomen op basis van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Nu voorts uit artikel 50 OLW niet blijkt dat dit artikel enkel geldt voor voorwerpen die op basis van artikel 49 OLW in beslag zijn genomen, slaagt het verweer van de opgeëiste persoon dan ook niet.

De Italiaanse justitiële autoriteiten hebben de inbeslagname en afgifte verzocht van het geld en de identiteitsdocumenten en hebben daarbij onder meer aangegeven dat deze mogelijk tot bewijs kunnen dienen in de strafzaak die in Italië mogelijk tegen de opgeëiste persoon gevoerd gaat worden ten aanzien van de feiten waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat er geen verband is tussen de strafbare feiten waarvan hij in Italië wordt verdacht enerzijds en het geld en het paspoort anderzijds. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de Italiaanse justitiële autoriteiten om te beoordelen of het geld en het paspoort als bewijs kunnen dienen. De rechtbank dient slechts marginaal te toetsen of de Italiaanse justitiële autoriteiten in redelijkheid afgifte van de goederen hebben kunnen verzoeken en de bewijswaardering wordt tezijnertijd aan deze autoriteiten overgelaten. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet op voorhand worden aangenomen dat de in beslag genomen goederen niet als bewijs kunnen dienen in een eventuele strafzaak tegen de opgeëiste persoon. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de Italiaanse justitiële autoriteiten dan ook in redelijkheid tot dit verzoek kunnen komen.

De rechtbank zal de afgifte van het Albanese rijbewijs en de Spaanse identiteitskaart weigeren, omdat uit het proces-verbaal van 21 oktober 2010 blijkt dat deze niet meer voorhanden zijn.

5.3 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten. Ingevolge het tweede lid van artikel 13 OLW dient echter op vordering van de officier van justitie van deze weigeringsgrond te worden afgezien, tenzij naar het oordeel van de rechtbank de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek is in Italië gestart en de voorbereidende fase is reeds afgerond;

- de medeverdachten bevinden zich in Italië, sommige van hen zijn reeds voor de rechter gedaagd;

- de bewijsmiddelen bevinden zich in Italië, waaronder getuigen en telefoontaps;

- de verdovende middelen waren bestemd voor de Italiaanse markt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Italiaanse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat zij niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen, in casu een geldbedrag en een paspoort, aan de uitvaardigende justitiële autoriteiten kan worden bevolen.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, 49 en 50 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge for Preliminary Investigations te Milaan ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht;

BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, zoals vermeld op de als bijlage I en II bij deze uitspraak gevoegde processen-verbaal van inbeslagneming.

WEIGERT de afgifte van het Albanese rijbewijs en de Spaanse identiteitskaart.

Aldus gedaan door

mr. C.W. Bianchi, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en L.I.M. van Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 november 2010.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A