Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO7061

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
13-12-2010
Zaaknummer
AWB 09-4876 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woonplaats. Bijstandsaanvraag afgewezen. Verweerder onvoldoende invulling gegeven aan zijn onderzoeksplicht na zoekraken stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4876 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. I. van Kesteren.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 22 oktober 2009 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 11 september 2009 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2010 en heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 7 april 2010 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen hebben de rechtbank desgevraagd een nadere schriftelijke reactie gezonden.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ontstaan en verloop van het geding

1.1. Bij brief van 3 juli 2006 heeft eiser verweerder verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2005 ten behoeve van de aanvulling van zijn ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Bij brief van 13 december 2007 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 19 december 2007 en hem verzocht, onder meer, een schriftelijke opgave van zijn woon- en verblijfplaats mee te nemen.

1.3. Bij brief van 18 december 2007 heeft eiser aan verweerder bericht dat hij op 13 december 2007 op het kantoor van verweerder aan de Flierbosdreef in Amsterdam is geweest om een voorschot aan te vragen. Medewerkers van verweerder hebben hem toen meegedeeld dat hij daarvoor aanvullende stukken moest verstrekken. Eiser voegt een ‘bewijs van ontvangst stukken’ van 13 december 2007 bij de brief. Eiser stelt dat vanwege het voorgaande de uitnodiging van verweerder voor het gesprek op 19 december 2007 duidelijk op een misverstand berust en kondigt aan dat hij daarom geen gehoor zal geven aan de uitnodiging.

1.4. Bij brief van 21 december 2007 heeft verweerder de afhandeling van de aanvraag van eiser opgeschort, omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging voor het gesprek van 19 december 2007 en de ontbrekende informatie niet heeft aangeleverd. Verweerder stelt eiser in de gelegenheid uiterlijk op 2 januari 2008, onder meer, een opgave te verstrekken van zijn woon- en verblijfplaats.

1.5. Bij primair besluit van 4 januari 2008 heeft verweerder eisers aanvraag van 16 augustus 2007 (lees: 3 juli 2006) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van eiser niet kan worden vastgesteld, omdat hij desgevraagd geen inlichtingen heeft verstrekt over, onder meer, zijn woon- en verblijfplaats. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

1.7. Bij uitspraak van 5 januari 2009 heeft deze rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 13 maart 2008 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken na de uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat eiser, zoals blijkt uit het ‘bewijs van ontvangst stukken’, op 13 december 2007 op verweerders regiokantoor aan de Flierbosdreef twee AOW-specificaties, drie brieven en een ontvangstbevestiging aanvraag Sociale Dienst Oost van 30 november 2005 heeft ingeleverd. Nu verweerder niet heeft kunnen aangeven welke drie brieven eiser op 13 december 2007 heeft ingeleverd en eiser zich op het standpunt stelt dat hij de gevraagde informatie wel heeft verstrekt, kan niet worden vastgesteld dat eiser de inlichtingenplicht van artikel 17 van de WWB heeft geschonden door geen gegevens omtrent zijn woon- en verblijfplaats te verstrekken. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar eisers woonsituatie en eiser er in dat verband op moeten wijzen dat de bij verweerder aanwezige informatie over zijn woonsituatie (nog) niet voldoende is.

1.8. Bij beslissing op bezwaar van 10 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.9. Bij uitspraak van 13 augustus 2009 heeft deze rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 10 maart 2009 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat nog steeds niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, nu nog immer niet onomstotelijk vaststaat welke informatie eiser op 13 december 2007 heeft ingeleverd. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met de aangetekende brief van 5 februari 2009 waarbij hij eiser heeft uitgenodigd voor een hoorzitting op 5 maart 2009 om de bezwaren toe te lichten. Verweerder had duidelijk moeten aangeven welke informatie in het kader van de aanvraag relevant was en welke informatie eiser diende te verstrekken. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan de onderzoeksplicht. Van eiser mag worden verwacht dat hij alle medewerking verleent aan het onderzoek en dat zijn stelling dat hij feitelijk op het adres [adres ] te [woonplaats] heeft verbleven, indien nodig en zo mogelijk, met stukken onderbouwt.

1.10. Bij brief van 20 augustus 2009 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een, al dan niet telefonische, hoorzitting op 9 september 2009 en hem verzocht ‘alle relevante gegevens waaruit exact en objectiveerbaar blijkt waar eiser vanaf 1 januari 2005 woonachtig was (huurcontracten, huurbetalingsbewijzen, verklaringen hoofdbewoner, bewijzen voldoen van energienota’s en alle andersoortige gegevens waaruit dit blijkt)’ te verstrekken.

1.11. Bij brief van 7 september 2009 heeft eiser verweerder meegedeeld geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid telefonisch de bezwaren toe te lichten en dat hij de voorkeur geeft aan een schriftelijke afhandeling. In verband met de afwezigheid van de gemachtigde van eiser verzoekt eiser verweerder om hem na 14 september 2009 met zijn gemachtigde in de gelegenheid te stellen het dossier te bestuderen ten kantore van verweerder.

Standpunten van partijen

2.1. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verweerder heeft voldaan aan de uitspraak van deze rechtbank van 13 augustus 2009 door in de brief van 20 augustus 2009 te specificeren welke informatie eiser diende te verstrekken. Eiser stond in de periode in geding niet ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie van de gemeente Amsterdam. In dat geval is het aan de aanvrager om aan te tonen dat hij daadwerkelijk in de gemeente verblijft. Nu eiser geen verifieerbare gegevens omtrent zijn feitelijke woonsituatie in de periode in geding heeft overgelegd, is het recht op bijstand van eiser niet vast te stellen. Verweerder handhaaft de afwijzing van de aanvraag.

2.2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij bij brief van 7 september 2009 om uitstel heeft verzocht en dat verweerder onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 13 augustus 2009. Eiser legt een verklaring van [naam 1] over van 20 oktober 2009 waarin zij aangeeft dat eiser gedurende de periode juli 2006 tot en met december 2009 verbleef in haar woning aan de [adres]. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) eiser een uitkering op grond van de AOW heeft toegekend en dat hij (inmiddels) van de SVB ook aanvullende bijstand ontvangt. Volgens eiser heeft de SVB daartoe onderzoek gedaan naar zijn feitelijke woonplaats.

Wettelijk kader

3.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

3.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is het niet of niet in voldoende mate nakomen van deze verplichting en indien de belanghebbende in gebreke blijft dit verzuim te herstellen, in samenhang met artikel 11 van de WWB, een rechtsgrond voor weigering van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijke Wetboek.

Beoordeling van het geschil

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 november 2009, LJN BK4266) bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat in dit geval de periode van 3 juli 2006 tot en met 4 januari 2008 dient te worden beoordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om van een andere beoordelingsperiode uit te gaan.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat de vraag waar iemand zijn woonadres heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB naar vaste rechtspraak van de Raad dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2008, LJN BD6824). Zoals verweerder ter zitting heeft erkend, heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook ten onrechte overwogen dat uit artikel 40 WWB volgt dat in beginsel geen bijstand wordt verleend aan degene die niet staat ingeschreven in de gemeente en slechts een uitzondering wordt gemaakt, indien iemand met een huurcontract, huurbetalingsbewijzen of bijvoorbeeld bewijzen van betaling van energienota’s kan aantonen dat hij of zij daadwerkelijk in de gemeente verblijft.

4.3. Vaststaat dat eiser sinds 16 juni 2006 niet meer staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie van de gemeente Amsterdam, zodat het woonadres van eiser dient te worden vastgesteld aan de hand van overige concrete feiten en omstandigheden.

4.4. Uit de onherroepelijke uitspraken van 5 januari 2009 en 13 augustus 2009 van deze rechtbank volgt dat nu niet is komen vast te staan welke informatie eiser op 13 december 2007 ten kantore van verweerder heeft overgelegd, niet kan worden vastgesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Er rust op verweerder dan ook een onderzoeksplicht naar de woonsituatie van eiser. In dat verband diende verweerder aan eiser aan te geven welke informatie in het kader van de aanvraag relevant was en welke informatie hij diende te verstrekken.

4.5. De rechtbank stelt vast dat nog immer niet vaststaat welke informatie eiser op 13 december 2007 ten kantore van verweerder heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag van eiser dan ook niet mogen afwijzen met de motivering dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Weliswaar heeft verweerder in de brief van 20 augustus 2009 expliciet aangegeven welke gegevens eiser diende te verstrekken, maar hij heeft, bij het uitblijven van die gegevens, geen nadere invulling gegeven aan zijn onderzoeksplicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met de enkele constatering dat eiser de gegevens niet heeft geleverd. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij geen huurcontract, huurbetalingsbewijzen of bewijzen van het voldoen van energienota’s ten behoeve van het door hem opgegeven adres kan overleggen. Eiser heeft aangevoerd dat [naam 1] hem onderdak bood, maar dat hij geen huurcontract had en niet heeft bijgedragen aan de woonlasten. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder, gelet op het tijdsverloop en hetgeen in deze procedure is voorgevallen, moeten streven naar een feitelijke vaststelling van de woonplaats van eiser ten tijde van de periode in geding. In het kader van finaliteit heeft de rechtbank het onderzoek dan ook heropend en verweerder met toepassing van artikel 8:45 van de Awb verzocht om de stukken met betrekking tot de toekenning van eisers AOW-uitkering en de stukken met betrekking tot de toekenning van de aanvullende bijstand aan eiser bij de SVB op te vragen (de stukken van de SVB). Vervolgens diende verweerder de rechtbank te informeren of eiser op grond van deze stukken recht heeft op aanvullende bijstand met ingang van 3 juli 2006, dan wel 1 januari 2005. Verder diende verweerder de rechtbank te informeren of deze stukken verweerder aanleiding geven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

4.6. Op 1 juni 2010 heeft de rechtbank de stukken van de SVB van verweerder ontvangen. In de brief van 16 juni 2010 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hieruit niet blijkt dat eiser feitelijk op het adres [adres ] te [woonplaats] heeft gewoond. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om eiser met ingang van 3 juli 2006, dan wel 1 januari 2005 aanvullende bijstand te verstrekken.

4.7. Uit het rapport klantcontact van de SVB van 30 januari 2006 blijkt dat eiser een correspondentieadres heeft vanwege renovatie. Het correspondentieadres luidt: [adres] te [woonplaats]. Bij besluit van 27 juli 2006 heeft de SVB eiser meegedeeld dat nu hij niet ingeschreven staat in de Gemeentelijke Basisadministratie, het AOW-pensioen van eiser met ingang van augustus 2006 wordt geschorst. Bij besluit van 9 augustus 2006 heeft de SVB eiser meegedeeld dat de betaling van het AOW-pensioen van eiser met ingang 1 augustus 2006 wordt hervat, omdat de SVB heeft kunnen vaststellen dat eiser nog recht heeft op een AOW-pensioen. De SVB vermeldt dat hij begrip heeft voor de situatie en verzoekt eiser zich zo spoedig mogelijk in te schrijven op het adres [adres ] te [woonplaats]. Vervolgens heeft de SVB diverse brieven aan eiser gestuurd, waarin wordt meegedeeld dat nu eiser niet staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie, hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich maandelijks dient te melden bij de SVB. Eiser heeft in een gesprek op 26 november 2008 aan een medewerker van de SVB toegelicht dat hij sinds jaren op het adres [adres] woont. De woning is eigendom van een familielid. Dit familielid is nagenoeg nooit in de woning aanwezig. De eigenaresse wil geen ‘gedonder met overheidsinstanties’ en stelt als voorwaarde dat eiser zich niet op het adres inschrijft. Dit is dan ook de reden dat slechts sprake is geweest van een correspondentieadres. De medewerker van de SVB acht in het besluit van 25 februari 2009 op grond van deze verklaring voldoende aannemelijk dat eiser geen gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd.

4.8. Hoewel de SVB, zoals verweerder stelt, zich in de stukken niet uitlaat over de woonsituatie van eiser, blijkt uit de stukken wel dat de SVB ervan is uitgegaan dat eiser, ten tijde van de periode hier in geding, feitelijk woonde op het adres [adres ] in [woonplaats] en kennelijk de verklaring van eiser dat hij daar woont, maar zich niet mag inschrijven, aannemelijk achtte. Deze verklaring van eiser wordt ook bevestigd door de verklaring van [naam 1] van 20 oktober 2009, die eiser in beroep heeft overgelegd. [naam 1] verklaart dat zij gedurende de periode juli 2006 tot en met december 2009 onderdak heeft verleend aan eiser in haar woning aan de [adres]. Verder blijkt uit de overige stukken in het dossier dat eiser gedurende de periode in geding zijn post van verweerder en de SVB en zijn bankafschriften op dat adres ontving.

4.9. Gelet op het tijdsverloop en de handelswijze van verweerder, die mede de oorzaak is van het tijdsverloop, in deze procedure is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser gedurende periode in geding woonde op het adres [adres ] te [woonplaats].

4.10. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu voor de beoordeling van de aanvraag van eiser een toetsing aan de overige criteria van de WWB nodig is, zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, maar bepalen dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal hiervoor een termijn stellen. Verweerder zal bij zijn nadere besluitvorming tevens het verzoek van eiser moeten betrekken tot toekenning van aanvullende bijstand met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005.

4.11. Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,00 aan hem te vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten, nu eiser in deze zaak geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,00 (zegge: eenenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Riem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB