Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO7054

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
13-12-2010
Zaaknummer
AWB 10-3742 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mogelijke onverbindendheid artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening wegens strijd met het bepaalde in artikel 25 van de WWB, in samenhang met artikel 30, derde lid, van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3742 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. P. Goettsch,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. J.E. Carter.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2010 heeft verweerder de toeslag op de bijstandsuitkering van eiseres herzien over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2009 (het primaire besluit I).

Bij besluit van 28 april 2010 heeft verweerder de aan eiseres over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2009 teveel betaalde kosten van bijstand teruggevorderd (het primaire besluit II).

Bij besluit van 28 juli 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2010. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder is vertegenwoordigd door bovenstaande gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en standpunten

1.1. Eiseres ontvangt bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 10 juli 2007 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 maart 2007 een toeslag op de bijstand toegekend van 20% van het minimumloon. Als reden voor de toeslag gold dat eiseres, blijkens een medisch advies van de Gemeentelijke Geneeskundige & Gezondheidsdienst, gedeeltelijk zorgbehoeftig is en door haar zoon, die is geboren op [geboortedatum] 1980, wordt voorzien in de noodzakelijke zorg.

1.2. Bij een herbeoordelingsonderzoek in 2010 is naar voren gekomen dat eiseres sinds 1 juli 2008 een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) ontvangt. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien in het primaire besluit I het recht op bijstand met ingang van 1 juli 2008 naar een toeslag van 10% te herzien. In het primaire besluit II heeft verweerder de over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2009 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.533,96 bruto van eiseres teruggevorderd.

1.3. In beroep heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, door geen melding te doen van de ontvangst van het pgb. Verder voldoet eiseres vanaf 1 juli 2008 niet langer aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een toeslag van 20%, zoals neergelegd in artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening WWB (hierna: de Toeslagenverordening), omdat haar zoon vanaf die datum niet meer in de noodzakelijke zorg voorziet. Vanaf 1 juli 2008 heeft eiseres dan ook ten onrechte een toeslag van 20% in plaats van 10% ontvangen.

1.4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij verweerder direct bij de ontvangst van het pgb daarvan op de hoogte heeft gesteld. Verder voldoet zij aan de voorwaarden van artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening, zodat zij in aanmerking komt voor een toeslag van 20%.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening kan het college, in afwijking van het vierde lid, de basisnorm verhogen met een toeslag van 20% van het nettominimumloon ten aanzien van de belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar of ouder dan wel alleenstaande ouders en die hulpbehoevende is dan wel in wiens woning een hulpbehoevende zijn hoofdverblijf heeft.

2.2. Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college het recht op bijstand herzien indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van bijstand.

2.3. Ingevolge artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB kan het college de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

3. Beoordeling

3.1. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening. Eiseres is immers hulpbehoevend. Dat, zoals verweerder heeft gesteld, aan dit artikellid mogelijkerwijs de bedoeling ten grondslag heeft gelegen om personen buiten het bereik te brengen van dit artikel wanneer een inwonend kind niet in de noodzakelijke zorg voorziet, acht de rechtbank onvoldoende om aan de op zichzelf duidelijke tekst van het artikellid voorbij te gaan.

3.2. Gelet hierop ontbeert het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een deugdelijke motivering. De rechtbank zal het beroep reeds hierom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op navolgende wijze.

De herziening

3.3. In het kader van de beoordeling van de bevoegdheid van verweerder om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tot herziening over te gaan is van belang of eiseres, zoals verweerder stelt, de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van het pgb. Eiseres heeft daaromtrent aangevoerd dat zij de ontvangst van het pgb bij aanvang daarvan heeft gemeld aan haar contactpersoon bij verweerder. Deze heeft volgens eiseres aangegeven dat de ontvangst van het pgb niet van invloed is op het recht op bijstand, omdat het pgb niet wordt gezien als inkomsten. Deze opmerking is in lijn met de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 27 juli 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BN2475). De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen eiseres in dit kader heeft opgemerkt, temeer daar ook blijkens de Toeslagenverordening de ontvangst van een pgb geen rol speelt. Anders dan verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dat betekent dat er geen grondslag is voor de herziening van de toeslag van eiseres op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

3.4. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat, in het geval de schending van de inlichtingenverplichting niet zou komen vast te staan, verweerder de herziening kan baseren op artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Een herziening op deze grondslag is op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur alleen mogelijk indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel of ten onrechte bijstand ontving. Daarvan is gelet op het voorgaande geen sprake. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.1 is overwogen, heeft eiseres aan de Toeslagenverordening de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat zij recht had op een toeslag van 20%.

3.5. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat voor de herziening van de bijstand over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2009 geen deugdelijke grondslag bestaat. In hetgeen door verweerder ter zitting is aangevoerd over mogelijke toepasbaarheid van artikel 4, vijfde lid, van de Toeslagenverordening ziet de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Dat artikel is niet van toepassing, omdat eiseres niet onder het toepassingsbereik daarvan valt. Immers, artikel 4 is geschreven voor belanghebbenden die behoren tot de categorie gehuwden. Gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB zijn eiseres en haar zoon niet aan te merken als gehuwden.

3.6. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het primaire besluit I herroepen. Dat heeft tot gevolg dat het recht van eiseres op een toeslag van 20% met ingang van 1 juli 2008 herleeft.

3.7. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat het op de weg van verweerder ligt om een nieuw besluit te nemen indien verweerder van mening is dat eiseres geen recht heeft op deze toeslag. In dat kader wijst de rechtbank partijen er op dat ter zitting door verweerder naar voren is gebracht dat eiseres mogelijk een beroep toekomt op het bepaalde in het achtste lid van artikel 3 van de Toeslagenverordening. Tevens merkt de rechtbank op dat het gegeven dat eiseres voldoet aan de criteria van artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening niet hoeft te betekenen dat zij op grond van dat artikellid recht heeft op een toeslag van 20%. Uit de bewoordingen van artikel 25 van de WWB, in samenhang met artikel 30, derde lid, vloeit immers voort dat verweerder voor de toeslagverlening geen andere overwegingen kan laten gelden dan de aan- of afwezigheid van bepaalde algemeen noodzakelijke bestaanskosten ten gevolge van het kunnen delen daarvan met een ander. De toekenning van een toeslag van 20% is in het negende lid van artikel 3 van de Toeslagenverordening daarentegen afhankelijk gesteld van de vraag of de betrokkene hulpbehoevend is. Dit doet de vraag rijzen of artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening wegens strijd met de WWB onverbindend is.

De terugvordering

3.8. Het voorgaande brengt mee dat voor de terugvordering van de toeslag geen grond bestaat. De rechtbank zal dan ook tevens het primaire besluit II herroepen.

3.9. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht in bezwaar begroot op € 874,- (2 punten voor de bezwaarschriften ad € 437,- per punt) en in beroep op € 874,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het beroepschrift ad € 437,- per punt).

3.10. Tot slot dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van

€ 41,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de besluiten van 20 april 2010 en 28 april 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.748,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB