Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO7032

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
13-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/2338
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer. De identiteit van de bestuurder is blijkens het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal vastgesteld aan de hand van het rijbewijs op naam van eiser. Eiser ontkent de bestuurder van het voertuig te zijn geweest. Gelet op de stukken is er geen aanleiding om te twijfelen aan het proces-verbaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2338

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. P.J. Stronks,

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser verplicht mee te werken aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid en bepaald dat de kosten van de EMA voor zijn rekening komen.

Bij besluit van 6 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2010.

Partijen zijn – na voorafgaande kennisgeving – niet verschenen.

Overwegingen

1. ontvankelijkheid van het beroep

1.1. Verweerder heeft bij brief van 14 oktober 2010 gesteld dat het beroep van eiser wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het rijbewijs van eiser bij (in rechte onaantastbaar) besluit van 25 maart 2010 ongeldig is verklaard, omdat eiser zonder tegenbericht niet op de eerste cursusdag van de opgelegde EMA is verschenen. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 maart 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN BL7768.

1.2. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 juli 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN BN2662, overwogen dat procesbelang onder meer kan bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat eiser schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit, bestaande uit de betaling van de kosten van de EMA.

2. inhoudelijke beoordeling

2.1. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2009 is vermeld dat de bestuurder van het voertuig met kenteken [kenteken] is aangesproken bij een controle. Voorts is in dit proces-verbaal vermeld dat de identiteit van de bestuurder door de verbalisant is vastgesteld aan de hand van het rijbewijs op naam van eiser.

2.2. Eiser heeft gesteld dat hij slachtoffer is geworden van een persoonsverwisseling. Dit blijkt volgens eiser uit de overgelegde verklaring van de heer [naam 1] alsmede uit de mutatie welke is bijgevoegd bij het proces-verbaal. Hieruit blijk dat eiser op 7 november 2009 naar het politiebureau is gegaan om aangifte te doen van vermissing van zijn rijbewijs.

2.3. Met betrekking tot dit laatste punt stelt de rechtbank vast dat het dossier een mutatie bevat die bestaat uit twee delen. Het eerste deel heeft betrekking op de aanhouding van beweerdelijk eiser en geeft weer dat de arrestant weigerde mee te werken aan een blaastest, weigerde een ademanalyse af te geven en weigerde een verklaring af te leggen. Het daarboven weergegeven tijdstip en de datum (7 november 2009 om 2:06 uur) zijn consistent met hetgeen is gerelateerd in de overige processen-verbaal over de aanhouding.

De tweede mutatie begint midden in een zin zonder een hoofdletter. Daar is dus kennelijk tekst weggevallen. Dat die tweede mutatie ook betrekking heeft op 7 november 2009, om 2.06 uur, ligt zo bezien niet direct voor de hand.

Uit de door eiser in bezwaar overgelegde verklaring van [naam 1] van 17 februari 2010 blijkt dat [naam 1] in de nacht van vrijdag 6 november op zaterdag 7 november 2009 is benaderd met de verklaring dat eiser zich op het politiebureau bevond, dat [naam 1] eiser de volgende dag heeft benaderd en dat zij tezamen naar het politiebureau zijn geweest om verhaal te halen. De passage over de volgende dag is niet in lijn met een aanwezigheid van eiser op 7 november 2009 om 2:06 uur op het politiebureau om aangifte te doen van vermissing van een rijbewijs. Uitgaande van de verklaring van [naam 1] moet die aangifte later hebben plaatsgevonden. Het proces-verbaal van aangifte van vermissing van het rijbewijs en de verklaring van [naam 1] vormen dus geen grond voor het oordeel dat het onmogelijk eiser kan zijn geweest die is aangehouden,

2.4. De rechtbank ziet vervolgens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2009. Daarin is uitdrukkelijk vermeld dat de identiteit van de bestuurder is vastgesteld aan de hand van het rijbewijs op naam van eiser. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat politiefunctionarissen worden getraind in het vaststellen van de identiteit van personen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de identiteit door de verbalisanten. Dat eiser later aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn rijbewijs, baat eiser niet, nu een dergelijke aangifte zowel in de situatie dat eiser wel, als dat eiser niet de bestuurder was kon worden gedaan.

2.5. Van de zijde van eiser zijn geen andere gronden aangevoerd die kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. Zij ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB