Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6941

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
10-12-2010
Zaaknummer
AWB 09/3631 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandig schadebesluit. Redelijke termijn artikel 6 EVRM. Nu eiser het geschil met betrekking tot de WAO-uitkering niet heeft voorgelegd aan de rechter, kan eiser aan de redelijke termijn jurisprudentie geen aanspraak op schadevergoeding ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/3631 WAO

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te Turkije,

eiser,

gemachtigde mr. C.A. Madern,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. H.B. Heij.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2009 heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) afgewezen.

Bij besluit van 1 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2010. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde voornoemd. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en achtergronden

1.1. Aan eiser is per 10 november 1986 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. Bij besluit van 14 februari 2000 heeft verweerder eisers WAO-uitkering per 21 juni 2000 ingetrokken, omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 28 mei 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 maart 2004 het beroep ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser hiertegen hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft verweerder bij besluit van 30 november 2006 het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 februari 2000 alsnog gegrond verklaard en bepaald dat de WAO-uitkering per 28 juni 2000 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 30 maart 2007 het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 30 november 2006 ongegrond verklaard.

1.3. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 22 september 2008 bepaald dat eiser recht heeft op een nabetaling van de WAO-uitkering van € 27.449,39. Daarnaast heeft verweerder bij besluit van 25 september 2008 bepaald dat eiser recht heeft op een vergoeding van de wettelijke rente van € 6.823,23 over de nabetaling van de WAO-uitkering.

1.4. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft eiser verweerder verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM. In zijn brief van 9 januari 2009 heeft eiser het verzoek nader toegelicht.

1.5. Bij het primair besluit heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM wegens de vertraagde betaalbaarstelling van de aan eiser toekomende WAO-uitkering, afgewezen. Verweerder heeft dit besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Standpunten van partijen

2.1. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat bij besluit van 30 november 2006 het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 februari 2000 alsnog gegrond is verklaard en is bepaald dat eiser per 28 juni 2000 voor 15-25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Ondanks diverse verzoeken heeft het na het besluit van 30 november 2006 tot 22 september 2008 geduurd alvorens verweerder de WAO-uitkering van eiser heeft nabetaald. In de periode van 30 november 2006 tot 22 september 2008 is geen sprake van trage besluitvorming, maar van trage afhandeling van financiële gevolgen van het besluit van 30 november 2006. Er is geen primair besluit afgegeven waartegen bezwaar kon worden aangetekend, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM nimmer is aangevangen. Volgens verweerder wordt de geleden schade als gevolg van de vertraagde betaalbaarstelling voldoende gecompenseerd met de toegekende vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling.

2.2. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat alleen sprake is van trage afhandeling en niet van trage besluitvorming. Eiser heeft eerder bezwaar-, beroep en hoger beroepsprocedures gevoerd tegen het besluit waarbij eisers WAO-uitkering per 28 juni 2000 is ingetrokken. Vervolgens heeft het nog twee jaar geduurd voordat de achterstallige WAO-uitkering ook daadwerkelijk is uitbetaald. Het was een onredelijk lange termijn vanaf 30 november 2006 tot 18 september 2008 om tot berekening en nabetaling over te gaan. Deze periode is als trage besluitvorming aan te merken. Eiser heeft hierbij gewezen op de redelijke termijn jurisprudentie. Volgens eiser is de vergoeding van wettelijke rente onvoldoende om aan zijn gevoelens van frustratie en spanning tegemoet te komen.

3. Beoordeling

3.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat het verzoek van eiser om schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM ziet op de duur van de afhandeling van de nabetaling van de WAO-uitkering.

3.2. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder bij besluiten van 22 en 25 september 2008 heeft beslist over de nabetaling van de WAO-uitkering en de vergoeding van wettelijke rente. Tegen deze besluiten heeft eiser(s gemachtigde) geen bezwaar gemaakt.

3.3. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraken van 26 januari 2009 (LJN: BH1009) en 29 april 2009 (LJN: BI2748) overwogen dat artikel 6 van het EVRM betrekking heeft op de behandeling binnen een redelijke termijn door de rechter, en niet door het bestuursorgaan. Wel wordt, indien tegen het besluit op bezwaar beroep wordt ingesteld, de bezwaarfase betrokken bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Dit alles brengt echter niet mee dat aan artikel 6 van het EVRM een aanspraak op schadevergoeding kan worden ontleend in de situatie dat sprake is van een (te) lange behandelingsduur van een verzoek om nabetaling zonder dat daartegen eerst bezwaar is gemaakt en het geschil vervolgens aan de rechter is voorgelegd.

3.4. Nu eiser het geschil met betrekking tot de nabetaling van de WAO-uitkering niet heeft voorgelegd aan de rechter (ondanks herhaalde aankondiging van mogelijke juridische stappen in de toekomst door eisers gemachtigde), kan eiser aan de redelijke termijn jurisprudentie dus geen aanspraak op schadevergoeding ontlenen.

3.5. De rechtbank is niet gebleken van andere schade die niet reeds door de toekenning van de wettelijke rente is gecompenseerd.

3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, voorzitter, mrs. A.M.I. van der Does en H.J. Tijselink, leden, in aanwezigheid van mr. K. Jibodh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2010.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB